miniatuur|De RC 171 van Jim Redman uit 1962 miniatuur|De RC 174 van Mike Hailwood uit 1967 De Honda 350 cc-viertaktracers vormen een serie motorfietsen die door het merk Honda werd ingezet in de 350 cc-klasse in de jaren zestig.

Geschiedenis Voorgeschiedenis Al in 1954 was Soichiro Honda in Europa zijn licht gaan opsteken als het om wegraces met motorfietsen ging. Hij bezocht de Isle of Man TT en enkele Italiaanse fabrieken, zodat hij het wedstrijdverloop en de gebruikte machines kon bestuderen. Er werd in dat jaar al een 220 cc-eencilinderprototype ontwikkeld. Enkele jaren later werden ook 250- en 305 cc-tweecilinders met een enkele bovenliggende nokkenas voor nationale wedstrijden ontwikkeld. Die werden zonder uitzondering op onverharde wegen gereden en een van de belangrijkste was de heuvelklim op de vulkaan Asama. In 1958 kreeg Kiyoshi Kawashima de opdracht voor de TT van 1959 125 cc-racers te ontwikkelen en een raceteam samen te stellen. Dat resulteerde in een 6e, 7e, 8e en 11e plaats in de 125 cc-Ultra-Lightweight TT op de Clypse Course op Man. In hetzelfde jaar begon de ontwikkeling van de eerste 250 cc-viercilinder. Het ging goed met de Honda-racers, en 1961 werd afgesloten met twee wereldtitels: Tom Phillis in de 125 cc-klasse en Mike Hailwood in de 250 cc-klasse.

1962: Honda RC 170, RC 171 en CR 77 In 1962 breidde Honda haar activiteiten zowel naar beneden (de voor het eerst verreden 50 cc-klasse) als naar boven (de 350 cc-klasse) uit.

Honda boorde voor het seizoen 1962 de 250 cc-RC 162 op tot 47 mm waardoor de cilinderinhoud op 284,5 cc kwam. Dit was de RC 170. Met die machine kwamen Bob McIntyre en Tom Phillis uit in de Junior TT. Phillis verongelukte tijdens die race. Hij kwam zwaar ten val, op de derde plek liggend, in de tweede ronde bij Laurel Bank en overleed korte tijd later. Ook McIntyre haalde de finish niet. Jim Redman wist er de TT van Assen mee te winnen. Tijdens de Ulster Grand Prix kwamen Redman en Tommy Robb aan de start met een nieuwe versie, de Honda RC 171. De boring bedroeg nu 49 mm, maar ook het carter en de krukas waren aangepast, zodat de slag 45 mm bedroeg en de cilinderinhoud 339,4 cc. De machine kende aanvankelijk koelproblemen, en er werden twee oliekoelers achter de uitlaatbochten geplaatst. Later werden de koelribben vergroot en konden de oliekoelers weer verdwijnen. Redman werd in Ulster eerste en Robb derde. Vanaf dat moment gaf Honda geen wedstrijd meer uit handen: Redman won ook de Grand Prix van de DDR en de GP des Nations en Robb won de Finse GP. Redman werd wereldkampioen vóór Robb en Mike Hailwood (MV Agusta).

In dit jaar bracht Honda een viertal productieracers uit: de 50 cc-CR 110, de 125 cc-CR 93, de 250 cc-CR 72 en de 305 cc-CR 77. De CR 110 en de CR 93 waren in elk geval gebaseerd op normale productiemodellen, want ze hadden een afgedekte opening voor de plaatsing van een kickstarter, die bij racers vanwege de duwstart natuurlijk niet nodig was.

De CR 77 was feitelijk een opgeboorde CR 72, wat de (te) kleine cilinderinhoud verklaart. De CR 77 had een boring van 60 mm waardoor hij op 305 cc kwam. Er waren echter, zowel voor de CR 72 als de CR 77, minstens twee verschillende soorten motorblokken. Eén blok was glad afgewerkt, met aluminium afdekplaten, het andere was grover, met afdekplaten van magnesium. Van dit tweede type waren er met uitwendige olieterugvoerleidingen vanaf de uitlaatnokkenas en bevestigingsgaten voor een voorste framebuis, die er echter niet was. Dat zou verklaarbaar geweest zijn als het blok was afgeleid van een normale productiemotor, maar dat was - in tegenstelling tot de CR 93 en de CR 110 - niet het geval. Bovendien was er een prototype met kettingaandrijving voor de nokkenassen, maar dat ging niet in productie.

1963: Honda RC 171 en CR 77 Honda deed in 1963 een flinke stap terug in. De motorsport was ook voor Honda erg duur en bovendien werkte men aan een eerste Formule 1-auto, de Honda RA271. De 50 cc-klasse werd losgelaten en in de andere klassen moesten de coureurs het met de machines van 1962 doen. Na de Isle of Man TT stuurde men zelfs de monteurs terug naar Japan, waardoor de fabriekscoureurs het seizoen feitelijk als privérijders moesten afmaken.

De 350 cc-klasse van 1963 maakte duidelijk dat de Britse motorfietsen absoluut niet meer mee konden komen. Mike Duff gebruikte een AJS Boy Racer, maar werd slechts tiende in de eindstand, nog achter John Hartle, die met de Gilera 350 4C slechts een wedstrijd had gereden en de Bianchi tweecilinder van Remo Venturi en de CKEB van Nikolaj Sevast'ânov. De 350 cc-klasse was een beetje het stiefkindje van het wereldkampioenschap, alleen serieus genomen door Honda. MV Agusta stuurde Mike Hailwood niet eens naar de eerste race in Duitsland. In Man viel Hailwood uit. Die beide wedstrijden werden gewonnen door Jim Redman met de Honda RC 171-viercilinder. Redman won ook in Assen en Ulster, waardoor zijn wereldtitel feitelijk al zeker was, want de vier beste resultaten telden. Toch wist Hailwood te winnen in de DDR en Finland, maar de GP van Monza ging weer naar Jim Redman. Die werd dan ook wereldkampioen vóór Hailwood en Luigi Taveri (Honda). Taveri had zich moeten behelpen met een 305 cc-Honda CR 77-productieracer.

1964: Honda RC 172 en CR 77 In 1964 ontwikkelde Honda nieuwe machines voor de 250- en de 350 cc-klassen, maar de verschillen ten opzichte van hun voorgangers waren minimaal. De RC 172 kreeg een andere boring/slagverhouding (50 x 44,5 mm) waardoor de cilinderinhoud op 349,3 cc kwam en daardoor steeg het vermogen ook licht.

De overmacht van Honda in de 350 cc-klasse van 1964 was zó groot, dat de Rhodesiër Bruce Beale, landgenoot en protegé van Jim Redman, met een Honda CR 77-productieracer tweede kon worden in het wereldkampioenschap. Redman zelf won met de Honda RC 172 alle wedstrijden.

1965: Honda RC 172, 2RC 172 en CR 77 Ook in 1965 bleef de drang tot vernieuwing in de 350 cc klasse bij Honda nog beperkt, maar er werd wel indruk gemaakt met uitzonderlijk vooruitstrevende machines in de andere klassen: de 125 cc-vijfcilinder RC 148 en de 250 cc-zescilinders 3RC 164 en RC 165. Voor de 350 cc-klasse verbeterde men de RC 172 opnieuw, maar er waren slechts enkele detailverschillen. Deze 2RC 172 werd alleen ter beschikking gesteld aan Jim Redman. Bruce Beale kreeg nu de "oude" RC 172.

Honda maakte het zichzelf in 1965 moeilijk: de race-afdeling bestond weliswaar uit 400 mensen, maar die werkten voornamelijk aan de projecten voor de Formule 1. Honda kreeg dan ook grote tegenstand: in de 50-en de 125 cc-klasse van Suzuki, in de 250 cc-klasse van Yamaha en in de 350 cc-klasse van MV Agusta. De bedrijfsleiding van Honda nam zelf ook enkele opmerkelijke beslissingen en maakte een grote fout: halverwege het seizoen werd het fabrieksteam weer (net als in 1963) teruggetrokken en de zorg voor de motorfietsen van Jim Redman werd overgedragen aan zijn monteur Nobby Clarke. Toen Redman genezen was van zijn tweede sleutelbeenbreuk belde en telegrafeerde hij naar Japan om dat te melden en te vragen of men een motorfiets naar Monza wilde sturen. Dat zou de fabriek niet doen, en Redman bleef thuis in Rhodesië, om later te horen dat er toch een machine in Italië klaar had gestaan. De beide sleutelbeenbreuken van Redman schakelden hem ook voor een aantal wedstrijden uit. Alan Shepherd werd ook door Honda aangetrokken als fabrieksrijder. Shepherd was echter in oktober 1964 flink geblesseerd geraakt en testte in februari 1965 voor het eerst, samen met Derek Woodman, zijn Honda's op Oulton Park. Shepherd zou echter nooit meer aan de start van een Grand Prix komen, hij beëindigde zijn carrière voorlopig nadat hij opnieuw was gevallen tijdens het testen van de Honda in Japan.

In 1965 werd de 350 cc-klasse beheerst door de Honda. MV Agusta zette weliswaar de nieuwe 350-driecilinder in, maar die moest nog betrouwbaarder worden en bovendien had men twee topcoureurs: Mike Hailwood en Giacomo Agostini. Die snoepten ook punten van elkaar af, terwijl Honda alles op Jim Redman zette. Zijn "tweede man" Bruce Beale moest het in het algemeen met de RC 172 uit 1964 doen.

Bij de eerste 350 cc-race van 1965 op de Nürburgring sloeg Agostini met zijn nieuwe driecilinder MV Agusta meteen toe: Hij won vóór zijn teamgenoot Hailwood en Gustav Havel met een Jawa, terwijl Redman (Honda) bij zijn achtervolging in de regen onderuit ging en een sleutelbeen brak.

Tijdens de Junior TT was Redman uit op zijn derde TT-overwinning op rij, maar Hailwood wist in de openingsronde met de nieuwe MV-driecilinder een gat van 20 seconden te slaan. Daarna maakte hij een lange pitstop, waardoor Redman de leiding kon overnemen. De MV Agusta van Hailwood stopte er bij Sarah's Cottage mee in de vierde ronde, waardoor Redman onbedreigd won. Phil Read werd met de 250 cc-Yamaha tweede en Agostini pakte de derde plaats nadat ook Derek Woodman met de MZ in de laatste ronde was uitgevallen.

In Assen won Redman opnieuw, met Hailwood op de tweede en Agostini op de derde plaats.

In Oost-Duitsland vielen zowel Hailwood als Agostini uit. Redman won de wedstrijd, Woodman (MZ) werd tweede en Havel werd met een Jawa derde.

In Tsjechoslowakije vielen de beide MV Agusta's weer uit. Redman won dus weer vóór Woodman, maar dit keer werd Nikolaj Sevast'ânov met een viercilinder Vostok derde.

Na twee wedstrijden zonder punten liet MV Agusta de 350 cc-race in de Ulster Grand Prix schieten. Achteraf bleek dit een grote fout te zijn geweest. Honda kwam namelijk ook niet waardoor František Šťastný met zijn Jawa de volle acht punten pakte. Die punten kwam Agostini aan het einde van het seizoen tekort.

MV Agusta was helemaal niet van plan naar de Finse Grand Prix af te reizen, maar toen Redman in Ulster zijn sleutelbeen opnieuw had gebroken keerden de kansen en namen de Italianen toch deel. Agostini won de 350 cc-race vóór Honda’s tweede man Bruce Beale en František Boček (Jawa).

Honda blunderde enorm door Redman te laten weten dat er geen motorfietsen op Monza zouden zijn, waardoor hij in Rhodesië bleef. Zijn sleutelbeenbreuk was waarschijnlijk sneller hersteld dan verwacht. Uiteindelijk bleek er wel degelijk een 350 cc-Honda voor Redman klaar te staan in Monza, maar die bleef dus aan de kant staan. Agostini won de race, die droog begon. In de laatste ronden ging het regenen, waardoor Hailwood viel. Silvio Grassetti werd met een Bianchi tweecilinder tweede. Tarquinio Provini reed met een opgeboorde Benelli viercilinder en hij moest tot tweemaal toe de pit in om bougies te wisselen. Daarna begon hij aan een enorme inhaalrace en hij werd toch nog derde.

Net als in de 125 cc-klasse stonden voor de start van de 350 cc-race in Suzuka twee coureurs op 32 punten: Jim Redman en Giacomo Agostini. Met verwachtte dus een spannende race om de wereldtitel, maar die bleef uit omdat de motor van Agostini niet goed liep door een gebroken veer van de onderbreker. Hailwood had eigenlijk als taak Redman uit de buurt van Agostini te houden, maar pakte nu de leiding en Redman beperkte zich tot volgen, ook wel een beetje gedwongen doordat hij vlak voor de start door een bij boven zijn oog gestoken was waardoor dit vrijwel dicht zat. Bovendien reed Redman niet op een volwaardige 350 cc-motor, maar op een tot 256 cc opgeboorde RC 165-zescilinder. Hij had aan de tweede plaats voldoende voor de wereldtitel en hij liet Hailwood zelfs nog een stuk uitlopen. Agostini moest intussen toezien hoe nog twee Japanners hem passeerden; Isamu Kasuya en Gosuke Yamashita, beiden met een Honda.

1966: Honda RC 173 en CR 77