250px|thumb|Bioscoopjournaal uit 1924 over werkzaamheden in het kader van de Zuiderzeewerken te Wieringen. De Zuiderzeewerken omvatten het geheel van de projecten waarmee de Zuiderzee werd afgesloten, in het IJsselmeer veranderde en gedeeltelijk werd ingepolderd. Ze behoren tot de grootste waterbouwkundige projecten die ooit zijn uitgevoerd. De belangrijkste zichtbare resultaten zijn de Afsluitdijk en de IJsselmeerpolders. Vanaf de publicatie van het plan van Cornelis Lely in 1891 tot aan de voltooiing van de dijk Enkhuizen – Lelystad in 1975 hebben de werken meer dan driekwart eeuw in beslag genomen. Niet uit te sluiten valt dat ze in de toekomst nog een vervolg krijgen.
Redenen voor het droogleggen Ongeveer 10 000 jaar geleden eindigde de laatste grote ijstijd. Grote hoeveelheden landijs smolten af. Hierdoor steeg de zeespiegel tientallen meters en ontstond de Noordzee. De zee steeg verder waarbij zij landinwaarts kroop en de latere Zuiderzee werd gevormd. Dit begon met het ontstaan van meren. Rond het begin van de christelijke jaartelling hadden deze zich aaneengesloten. De Romeinen noemden dit merenstelsel "Flevo". In de komende eeuwen zou dit merengebied eerst uitgroeien tot het Almere en vervolgens tot een binnenzee, waarbij de oude Nederlanders regelmatig met watersnood te maken kregen. In de middeleeuwen kreeg de Zuiderzee haar uiteindelijke omvang. Met de aanleg van dijken kon verdere uitbreiding van het wateroppervlak worden verhinderd.
Na de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) bloeiden de Noordelijke Nederlanden op en werden windmolens verder ontwikkeld. Met deze techniek werd het mogelijk land droog te leggen. Naarmate de techniek vorderde, werd het mogelijk steeds grotere gebieden droog te leggen. Langzaamaan werd het ene na het andere water drooggelegd en ontstond het Nederlandse landschap van droogmakerijen, met de Beemster als beroemdste voorbeeld.
Het idee kwam op om de almaar oprukkende Zuiderzee in te dammen. De druk nam in de loop der tijd toe door een aantal overstromingen in de omgeving van Amsterdam. Het eerste concrete plan kwam in 1667 van Hendrik Stevin, zoon van de beroemde wiskundige Simon Stevin. Hij stelde in het twaalfde boek van zijn Wisconstich Filosofisch Bedrijf voor om "het gewelt en vergif der Noortzee uytter Verenigt Nederlant te verdrijven". Stevins belangrijkste doel was de Zuiderzee te temmen, door deze door middel van dijken van de Noordzee af te sluiten. Stevin plande een ring van dijken van de kop van (het huidige) Noord-Holland via de Waddeneilanden tot aan Friesland. Hiermee zou het gevaar van overstromingen weggenomen worden en zouden mogelijkheden ontstaan om land in te polderen. Het plan van Stevin bleek echter onuitvoerbaar: de techniek om dijken te bouwen was nog niet ver genoeg gevorderd.
Twee eeuwen later, halverwege de negentiende eeuw, werd het motief van landaanwinning bepalend. Vooral het plan van Lely uit 1891 had als belangrijkste motief het droogleggen van goede kleigronden; de zandgronden (globaal het midden van de Zuiderzee) werden ontzien. De polders die Lely tekende, vallen vrijwel samen met de kleigronden. Het motief van bescherming en kustlijnverkorting werd wel genoemd in het plan, maar de voordelen vielen bij lokale besturen, zonder dat deze om geld kon worden gevraagd. Wel heeft de watersnood van 1916 uiteindelijk de doorslag gegeven om de wet aan te nemen.
Eerdere plannen 120px|thumb|Kloppenburg en Faddegon (1848) thumb|120px|Van Diggelen (1849) thumb|120px|Beijerinck (1866) thumb|120px|Stieltjes (1873)
Verschillende waterbouwkundigen hebben plannen opgesteld voor de Zuiderzee.
Plan-Kloppenburg en Faddegon In 1848 lanceerden Jacob Kloppenburg en Pieter Faddegon het eerste in de reeks plannen die zouden leiden tot de uiteindelijke Zuiderzeewerken. Beide heren hadden echter geen verstand van water, Kloppenburg was zeepfabrikant en Faddegon was werktuigbouwkundige. Ze gingen in hun plannen dan ook niet in op de techniek van het droogleggen van de gebieden. Het plan omvatte het droogleggen van het IJ en het grootste deel van de Zuiderzee. Deze zou afgesloten worden door een dijk van Enkhuizen naar Stavoren. In het drooggevallen gebied diende een nieuw kanaal aangelegd te worden om Amsterdam met de zee te verbinden. In het plan was geen rekening gehouden met de waterafvoer van de IJssel en was daardoor onhaalbaar.
Plan-Van Diggelen Een jaar later, in 1849, stelde ir. B.P.G. van Diggelen een nog ambitieuzer plan voor. Niet alleen zou het zuiden van de Zuiderzee ingepolderd worden, maar ook flinke delen van het noordelijke deel (de huidige Waddenzee), waarnaar hij in 1845 en 1846 op verzoek van de Friese Commissaris van de Koning onderzoek had gedaan. Van Diggelen, een praktisch man met grote aandacht voor de sociale noden van zijn tijd, had wel rekening gehouden met de afwatering van de IJssel. Hij had zich namelijk al eerder, in zijn woonplaats Zwolle, ingespannen voor verbetering van de Overijsselse en Drentse scheepvaartverbindingen met de Zuiderzee. Dit had ten slotte geleid tot de aanleg van beschermende strekdammen nabij het huidige Keteldiep (zie Kraggenburg). Het leidde door na-ijver van anderen ook tot zijn politiek echec, en tot de Tweede Parlementaire Enquête (1855). Het plan-Van Diggelen stond ten gevolge daarvan lange tijd niet in de belangstelling, tot in de jaren 60 van de 19e eeuw de waterkering problematisch werd en door stijging van de grondprijzen de interesse in landaanwinning toenam.
De ingenieurs T.J. Stieltjes en J.A. Beijerinck bekeken het plan en kwamen tot de conclusie dat het technisch en financieel onhaalbaar was.
Plan-Beijerinck Inpoldering van het ondiepe zuidelijke deel van de Zuiderzee werd wel haalbaar geacht. Beijerinck stelde daartoe in 1866 een eigen plan op. Hij projecteerde een afsluitdam van Enkhuizen via Urk naar de vaste wal ten zuiden van de monding van de IJssel. Daarmee zou het zuidelijk deel van de Zuiderzee afgesloten worden en vervolgens kon het met stoommachines drooggelegd worden. Het Plan-Beijerinck werd uiteindelijk afgekeurd omdat de Raad van Waterstaat tot de conclusie kwam dat dit project financieel te weinig opbrachtPlan-Beijerinck op de website Nieuwland Erfgoed nieuwlanderfgoed.nl
Plan-Stieltjes De raad liet echter de mogelijkheid open dat een beter opgesteld plan wel een concessie zou krijgen. Stieltjes probeerde het plan Beijerinck te verbeteren en stelde bredere boezemkanalen voor de afwatering voor. Verder voorzag zijn plan in een kanaal van het IJ naar de Ketel, de Zuidelijke IJsselmonding.
Plan-Leemans Het eerste plan waarvan uitvoering serieus overwogen werd, kwam van ingenieur Wilhelmus François Leemans. Leemans kreeg direct van de regering opdracht een plan op te stellen om de Zuiderzee droog te leggen. Het plan van Leemans was beperkter dan dat van Stieltjes, Urk zou een eiland blijven. De Zuiderzee zou afgesloten worden met een dijk van Blokkershoek naar de Ketel. In 1877 werd een wetsvoorstel ingediend om het plan Leemans uit te voeren, maar een volgende regering trok het weer in.
Plan-Lely
thumb|Plan Lely met de Afsluitdijk en de twee als eerste geprojecteerde droogmakerijen thumb|Gewijzigde versie van het plan-Lely (1924), met meer naar het noordoosten verlegde Afsluitdijk, en met vergrote Markerwaard (aangegeven als 'Z.W.Polder'), voorzien van randmeren Oprichting Zuiderzeevereniging In 1883 diende Tweede Kamerlid Age Buma een wetsvoorstel in om te onderzoeken of het mogelijk was de hele Zuiderzee droog te leggen. In de noordelijke provincies was men tegen het droogleggen van alleen het zuidelijk deel, omdat dat geen bescherming bood aan de noordelijke provincies.
Verzet leidde ertoe dat Buma zijn wetsvoorstel introk. Niet bij de pakken neerzittende zocht hij contact met P.J.G. van Diggelen, zoon van de opsteller van het ambitieuze plan Van Diggelen. Zij richtten op 4 januari 1886 de Zuiderzeevereniging op, die moest gaan onderzoeken of het droogleggen van de hele Zuiderzee haalbaar was. Hoofdingenieur Jacob van der Toorn leidde het onderzoek.Woud, Auke van der (2020) Het landschap. De mensen. Nederland 1859-1940, p. 273 Hij was hiervoor uitgeleend door Rijkswaterstaat. Als zijn assistent werd Cornelis Lely aangesteld. Na de presentatie van het eerste onderzoeksrapport in februari 1887 vertrok Van der Toorn weer naar Rijkswaterstaat. Op zijn voorspraak werd Lely bij de Zuiderzeevereniging bevorderd tot "chef van het technische onderzoek". Van der Toorn stierf al snel daarna, waarna Lely tot dé voorman van de inpolderingsplannen van de Zuiderzee uitgroeide.
Onderzoeksvragen De Zuiderzeevereniging had de volgende onderzoeksvragen opgesteld: Welke gedeelten van Zuiderzee en Wadden komen voor drooglegging in aanmerking? Is het doelmatig een afsluitdam aan te leggen? Zo ja, op welke plaats kan die afsluitdam komen, en vooral: waar moet de IJssel uitmonden, binnen of buiten het meer? Wat zijn de voor- en nadelen?
De vragen geven aan dat het hier om de landaanwinning ging, en niet zozeer om bescherming. Immers, voor bescherming alleen had men zich tot een afsluitdam kunnen beperken. Bovendien was daar voor een particulier initiatief weinig aan te verdienen. Voorts blijkt dat de aanwezigheid van de IJssel een nog onopgelost probleem was. Wanneer de IJssel verlengd zou worden om veel noordelijker uit te stromen, dan zou het nieuwe stuk (zeg Zwolle – Wadden) een zo ongunstig verval hebben, dat de IJssel binnen korte tijd zou verzanden. Om deze reden hadden enkele eerdere plannen dan ook een afsluitdam bezuiden de IJsselmonding gelegd, globaal van Enkhuizen naar Kampen.
Onderzoeksvragen opgelost door Lely (Plan Lely)
Voor het beantwoorden van de vragen moest Lely een aantal expedities uitvoeren om de bodemgesteldheid, diepte en zeestromingen te bepalen. Dit duurde enkele zomers, terwijl hij ondertussen eerst andere technische rapporten indiende. Opvallend genoeg bleken uiteindelijk de bodemuitkomsten goed samen te vallen met argumenten die hij eerder al had beschreven, deels niet toevallig: de diepere stroomgeul waarlangs het IJsselwater naar de Wadden stroomt, is ook het deel waar geen klei afgezet is; de klei bevindt zich langs de ondiepere, stroomarmere randen van de Zuiderzee. Diezelfde dieptes wilde Lely ontzien om dijkhoogte te beperken, een voordelige samenval. Een tweede, veel belangrijker, planonderdeel werd hiermee ook opgelost: Lely had berekend dat de IJsselmonding wel binnen het meer kon liggen, maar dat het verdere verloop geen verlengde riviergeul moest zijn, maar een voldoende groot meer. Daarmee zou het verzanden worden beperkt. Uiteindelijk bleek het vereiste meeroppervlak (om verzanding te voorkomen) overeen te komen met het diepe, zanderige gedeelte, dat onvoordelig in te polderen was.
De Zuiderzeevereniging publiceerde deze resultaten in acht technische nota's tussen 1887 en 1892. Dit plan van Lely is in grote lijnen en in hoofdzaken vrijwel integraal uitgevoerd; elke beslissing is nu nog zichtbaar op de kaart.
De Zuiderzeevereniging had bevonden dat het goedkoper was de Zuiderzee door middel van een afsluitdam volledig af te sluiten, waarbij de afwatering van de IJssel door sluizen in de dam geregeld kon worden, dan om de Zuiderzeedijken langs de kust te versterken ten zuiden van de voorgestelde afsluitdam.
Afsluitdijk Lely berekende dat de Afsluitdijk weliswaar veertig miljoen gulden zou kosten (het hele plan: tweehonderd miljoen gulden, zoveel als de Staatsbegroting toen van een jaar), maar dat het voordeel zich zou uitbetalen in goedkopere, lagere dijken van de polders en zeedijken door verkorting van de zeekust.
De plaats van de Afsluitdijk werd bepaald door de volgende overwegingen: De wens ook Wieringermeer beschermd aan te leggen, waardoor deze polder een kleinere dijk nodig had; Hoewel Enkhuizen – Stavoren de kortste dijk zou opleveren, waren daar de stroomgeulen dieper (meer dan 5 m, tegen 2 tot 4 meter op de gekozen plaats);