Het Dominicanenklooster te Maastricht was een klooster van de predikheren (Ordo Praedicatorum), beter bekend als dominicanen. Het in de dertiende eeuw gestichte klooster werd in 1783 opgeheven. Van het eertijds imposante gebouwencomplex tussen Vrijthof en Markt resteren slechts de gotische kerk en een barokke gevel aan het Dominicanerkerkplein. Op het voormalige kloosterterrein bevindt zich thans het winkelcentrum Entre Deux.

Geschiedenis Stichting Het precieze jaar van vestiging in Maastricht van de in 1216 gestichte Orde der Dominicanen is niet bekend, maar ligt waarschijnlijk tussen 1231 en 1261. Ook het jaar 1254 wordt soms genoemd.Zie K. Schutgens, 'Het Maastrichtse Dominicanenklooster (dertiende eeuw-1796): Enige losse notities'. In: Mes/Jenniskens (2006), p. 33 e.v. Zeker is dat het generaal kapittel van de kloosterorde in Barcelona in 1261 een Maastrichtse vestiging toestond. Het klooster behoorde tot de provincie Teutonia (Duitse Rijk), die zich uitstrekte van de Alpen tot de Noordzee en van de Schelde tot de Oder. In 1515 ging het klooster behoren tot de nieuwe provincie Germania Inferior, waarbinnen het met de kloosters van Antwerpen, Leuven, Brussel en 's-Hertogenbosch de 'Brabantse natie' vormde.

thumb|left|160px|Grafzerk Heilige Winand (17e-eeuwse tekening) De eerste prior zou de heilige Winand (Guinandus) zijn geweest, die overleed in 1235 of 1236. Thomas van Cantimpré noemde hem in zijn werk Bonum universale de apibus, geschreven tussen 1253 en 1256. Hij beschreef daarin een wijnwonder waarbij Winand betrokken was. In 1677 schreef de Maastrichtse dominicaan Thomas de Heer in zijn kroniek dat in de kloostergang de grafzerk van prior Winand nog steeds te zien was, met daarop de inscriptie: hic iacet frater Gwinandus prior ordinis predicatorum ("Hier ligt broeder Winand, prior van de orde der predikheren"). Op de grafzerk stond de prior afgebeeld in het habijt van de orde uit de dertiende eeuw. De huidige plaats van de grafzerk is onbekend. Bij opgravingen in de kerk in 2005 werden diverse graven gevonden. Het oudste graf, in medio ecclesiae ("in het midden van de kerk"), is mogelijk de plaats geweest waar Winand na zijn heiligverklaring herbegraven werd.Zie E. Wetzels 'Entre-Deux-Places: Een verloren gewaande geschiedenis hervonden!'. In: Mes/Jenniskens (2006), pp. 201-202.

De Maastrichtse predikheren vestigden zich volgens de overlevering in de Poort van Haren, het poorthuis van de ridders van Haren aan de Spilstraat, dat hen omstreeks 1250 ter beschikking was gesteld. In 1294 werd de kloosterkerk ingewijd, niet zoals gewenst aan de Sint-Jorisstraat (Grote Staat), omdat het kapittel van Sint-Servaas weigerde de daar gelegen Sint-Joriskapel af te staan, maar op het binnenterrein. Bij het klooster te Maastricht hoorde ook een zogenaamd termijngebied (terminus), een gebied waarbinnen de Maastrichtse paters mochten preken en bedelen. Al in de twaalfde eeuw werden afspraken gemaakt met de kloosters te Leuven en Luik over de grenzen van dit gebied. Zo mochten de Maastrichtse dominicanen tot in Sint-Truiden preken, maar niet verder naar het westen en niet in Tongeren of in de dorpen ten zuiden van de Jeker (Luikse terminus). Waarschijnlijk was er met het in 1294 erkende klooster in Aken een soortgelijke regeling. Vanwege de soms grote afstanden beschikte het klooster over termijnhuizen in onder andere Sint-Truiden, Hasselt en Roermond.Mes/Jenniskens (2006), p. 37.

Bloeiperiode In 1330 werd het generaal kapittel van de orde gehouden in het predikherenklooster in Maastricht. Deze belangrijke bijeenkomst met afgevaardigden uit heel Europa zou in eerste instantie in Keulen plaatsvinden. Volgens de overlevering werd kort voor aanvang van de bijeenkomst in Keulen een priester door Sint-Servaas gewaarschuwd dat er een aanslag van Lodewijk IV van Beieren op het generaal kapittel dreigde. De beraamde aanslag hield verband met het feit dat Paus Johannes XXII niet Lodewijk maar Frederik I van Oostenrijk als keizer had erkend. Het kapittel verhuisde naar Maastricht en bepaalde uit dankbaarheid voor deze waarschuwing dat de gedenkdag van Sint-Servaas (13 mei) in alle kerken van de orde plechtig moest worden gevierd.Mes/Jenniskens (2006), p. 38. In 1312, 1330, 1345, 1383, 1418, 1461, 1533, 1584 en 1619 vonden provinciaal kapittels plaats in Maastricht.Mes/Jenniskens (2006), p. 34.

thumb|Het klooster begin 18e eeuw In 1494 sloot het klooster zich aan bij de hervormingsbeweging van de observanten binnen de orde der predikheren. De dominicanen stonden bekend als strenge vervolgers van ketterij ("Domini cani", ofwel "honden van de Heer"). Of ze ook in Maastricht als zodanig zijn opgetreden, bijvoorbeeld in 1535 bij de veroordeling en verbranding van 15 anabaptisten op het Vrijthof, is niet bekend. In november 1566 kon een beeldenstorm in de kerk worden voorkomen. In 1577 plunderden Duitse huurtroepen in dienst van het Staatse garnizoen de kerk en het klooster, waarbij een deel van het kloostercomplex in vlammen opging. Twee kloosterlingen vonden hierbij de dood. De dominicanen, felle tegenstanders van het protestantisme, moesten vervolgens de stad uit, maar konden twee jaar later alweer terugkeren toen de Spaanse troepen onder leiding van Alexander Farnese, prins en later hertog van Parma, Maastricht heroverde (Beleg van Maastricht, 1579). In 1589 was het kloostercomplex nog niet hersteld, al woonden er inmiddels alweer achttien religieuzen. Pas rond 1620 was het klooster weer in zijn geheel bewoonbaar, vooral dankzij de vrijgevigheid van het stadsbestuur en de prior Dominicus Nulens (1614-21), die zijn familiekapitaal inzette om de kloostergebouwen te herstellen en ontvreemde kloostergoederen terug te kopen.Ubachs/Evers (2005), p. 378. In 1635 werd de Poort van Haren, de eerste vestiging van de paters, afgebroken.

In de zestiende en zeventiende eeuw werden veel kloosters in de Nederlanden ten gevolge van de reformatie opgeheven. In Maastricht konden de meeste kloosters blijven voortbestaan, ook na de overname van de stad door de protestantse Republiek der Verenigde Nederlanden (Beleg van Maastricht, 1632). Zo ook het Dominicanenklooster. Het klooster maakte in de zeventiende en achttiende eeuw een nieuwe bloeitijd door. Bekende Maastrichtse dominicanen in deze periode waren: de kroniekschrijver Thomas de Heer ( -1685), de architect Franciscus Romanus (1647-1735), de prediker Mattheüs Dolmans (1673-1729) en de broers Franciscus Huntjens (1737-1807) en Jan-Willem Huntjens (1757-1813), beiden hoogleraren in de theologie en filosofie.

Priors De priors werden in principe voor een periode van drie jaar verkozen, maar konden zich later opnieuw verkiesbaar stellen.

Opheffing klooster, herbestemming tot lyceum (1783-1968)

Op 4 november 1794 werd Maastricht, na een belegering met zware bombardementen waarbij het kloostercomplex werd beschadigd, ingenomen door de troepen van de Franse Nationale Conventie. In 1796 werden alle geestelijke instellingen door de Franse revolutionairen opgeheven. Op 5 december van dat jaar werd de gemeenschap der predikheren in Maastricht, bestaande uit 22 paters en 9 lekenbroeders onder leiding van prior Franciscus Huntjens, na meer dan vijf eeuwen ontbonden. Tot een herstichting van het klooster, zoals in de loop van de negentiende eeuw bij de Maastrichtse franciscanen en jezuïeten, kwam het bij de dominicanen niet meer.

thumb|Het kloostercomplex ten tijde van het Koninklijk Atheneum (Philippe van Gulpen, ca. 1850) thumb|Detail luchtfoto (1937) met kloosterkerk, restant klooster en Stedelijk Gymnasium en HBS De gebouwen van het opgeheven klooster werden door de Franse overheid genaast en deden dienst als opslagplaats voor het leger, later als school. In 1797 ging in Maastricht de du Département de la Meuse-Inférieure van start, een para-universitair opleidingsinstituut dat in alle 95 Franse departementshoofdsteden werd opgericht. Het instituut was aanvankelijk gevestigd in het Tweede Minderbroedersklooster, vanaf 1800 in het Dominicanenklooster. Een van de acht hoogleraren was Jan Pieter Minckeleers (natuur- en scheikunde). Al in 1804 werd de École centrale gedegradeerd tot École secondaire, in feite een gewone middelbare school.

Later waren hier achtereenvolgens gevestigd: het Collège Maastricht (1810-17), het Koninklijk Atheneum (1817-64; tot 1838 tweetalig), de Industrieschool (1846), het Stedelijk Gymnasium (1864-1960), de Gemeentelijke HBS (1864-1960), en na fusie van de laatste twee, het Stedelijk Lyceum (1960-1968). De school was ruim anderhalve eeuw op deze locatie gevestigd, aanvankelijk in de oude kloostervleugels, later ook in de nieuwbouw in neorenaissancestijl van stadsbouwmeester W.J. Brender à Brandis. In de nieuwbouw was de in 1887 gereedgekomen zuidelijke vleugel gereserveerd voor de gymnasiumleerlingen; de noordelijke vleugel die voor de HBS-scholieren was bestemd werd eerst in 1902 in gebruik genomen. Aan de kant van de Spilstraat werd in 1882 een lagere school gebouwd met een gymnastiekzaal die ook voor de oudere leerlingen bedoeld was. Voor al deze bouwprojecten moesten delen van het oude preekherenklooster worden gesloopt.Ubachs/Evers (2005), pp. 127, 159-160, 231-232, 244, 289.

In tegenstelling tot veel andere kerken in Maastricht, werd de kloosterkerk in 1797 aangewezen als parochiekerk voor de Sint-Jansparochie, een functie die ze slechts enkele jaren - tot 1805 - zou uitoefenen. In dat jaar kreeg de parochie, die vanaf 1632 zwervende was, toen ze de Sint-Janskerk had moeten opgeven aan de protestanten, de beschikking over de Sint-Servaaskerk. Op 6 januari 1805 kreeg de kerk de functie van stadsmagazijn, waarbij een deel, de voormalige Onze-Lieve-Vrouwekapel, in gebruik was als drukkerij. Rond 1900 deed de kerk dienst als repetitieruimte en concertzaal van het Maastrichts Stedelijk Orkest en werden er enkele tentoonstellingen gehouden. In de eeuw daarna fungeerde de kerk opnieuw korte tijd als parochiekerk, daarna onder andere als expositieruimte, culturele ontmoetingsplaats, feestlocatie, bibliotheekdepot en ten slotte zelfs enige tijd als fietsenstalling.

Sloop en bouw winkelcentrum (1969-nu)

In 1968 verhuisde het Stedelijk Lyceum naar nieuwbouw in de buurt Brusselsepoort. Wat er nog over was van het oorspronkelijke kloostercomplex werd in 1969 gesloopt, op één stuk kloostervleugel met een fraaie krulgevel na. Ook de negentiende-eeuwse schoolgebouwen werden afgebroken. Hierbij vond geen enkele vorm van archeologisch onderzoek plaats. Op het terrein werd in opdracht van de Belgische warenhuisketen Grand Bazar een groot winkelcomplex met een ondergrondse parkeergarage gerealiseerd naar ontwerp van Van den Broek en Bakema. Na het faillissement van Grand Bazar, nog tijdens de bouw, stond het kolossale, betonnen gebouw in de stijl van het Brutalisme, enige tijd leeg. Daarna werd er het winkelcentrum Entre Deux in gevestigd en van 1979 tot 1994 tevens het Bonnefantenmuseum. In 2005 viel het door velen verfoeide Entre Deux-complex onder de slopershamer en verrees er op het voormalige kloosterterrein een nieuw winkelcentrum met dezelfde naam, ontworpen door de Maastrichtse architect Arno Meijs in historiserende stijl. In 2005-06 vonden archeologische opgravingen plaats op een aantal locaties, waar het bodemarchief in 1969 niet was vernietigd, onder andere in de kerk. Bij deze gelegenheid werd de kloosterkerk opnieuw gerestaureerd en daarna ingericht tot boekhandel.

Erfgoed Kloosterkerk

De Dominicanenkerk is een goedbewaard voorbeeld van een eenvoudige kloosterkerk van een bedelorde in de stijl van de vroege Maasgotiek. Het gebouw werd in de periode 1912-17 gerestaureerd, waarbij toevoegingen uit de baroktijd werden verwijderd. In 2005-06 vond opnieuw een grootscheepse restauratie plaats, waarbij de veertiende-eeuwse wandschildering met voorstellingen uit het leven van Thomas van Aquino en de zeventiende-eeuwse gewelfdecoraties werden hersteld. De kerk werd bij die gelegenheid ingericht als boekhandel.