De Honda 250 cc viertaktracers vormen een serie motorfietsen die door het merk Honda werd ingezet in de 250cc-klasse in 1959 en de jaren zestig.
Voorgeschiedenis
Al in 1954 was Soichiro Honda in Europa zijn licht gaan opsteken als het om wegraces met motorfietsen ging. Hij bezocht de Isle of Man TT en enkele Italiaanse fabrieken, zodat hij het wedstrijdverloop en de gebruikte machines kon bestuderen. Er werd in dat jaar al een 220cc eencilinder prototype ontwikkeld. Enkele jaren later werden ook 250- en 305cc tweecilinders met een enkele bovenliggende nokkenas voor nationale wedstrijden ontwikkeld. Die werden zonder uitzondering op onverharde wegen gereden en een van de belangrijkste was de heuvelklim op de vulkaan Asama. In 1958 kreeg Kiyoshi Kawashima de opdracht voor de TT van 1959 125cc-racers te ontwikkelen en een raceteam samen te stellen. Dat resulteerde in een 6e, 7e, 8e en 11e plaats in de 125cc Ultra-Lightweight TT op de Clypse Course op Man. In hetzelfde jaar begon de ontwikkeling van de eerste 250cc viercilinder. 1958: Honda RC 71 In 1958 ontwikkelde Honda een tamelijk eenvoudige 250cc-racer, gebaseerd op de CS 71 Dream, maar met een buisframe van het brugtype. Die machine had nog steeds een geduwde schommelvork, maar de trommelremmen waren geventileerd, er was een eenpersoons racezitje gemonteerd en opmerkelijk genoeg was de tank beschermd tegen de knieën van de rijder, maar niet met rubbers. In plaats daarvan zaten doorboorde aluminium platen.
1959: Honda RC 160 De RC 160 volgde technisch deels dezelfde lijnen als de 125cc tweecilinder RC 142. De boring/slagverhouding was identiek: 44 x 41 mm, maar de cilinders stonden rechtop. De dubbele bovenliggende nokkenassen werden door een koningsas aangedreven en er waren vier kleppen per cilinder aan boord. De motor leverde 35 pk bij 14.000 tpm, er was een vijfversnellingsbak gebruikt en in tegenstelling tot vrijwel alle Europese racers hadden de Honda's een ruggengraat frame van buizen en plaatstaal. De voorvork was een ouderwetse schommelvoorvork en voor en achter waren trommelremmen gebruikt, maar de voorste was een duplexrem en de achterste een simplexrem. Omdat de machine alleen werd ingezet op de Mount Asama tijdens de "All Japan Motorcycle Endurance Race" was er geen stroomlijn nodig, hoewel er wel foto's bestaan waar een dolfijnkuip gebruikt is. Meestal had de machine semi-terreinbanden en een vliegenscherm op het vrij hoge stuur. Op de Mount Asama verpletterde Shadao Shimazaki de concurrentie met deze machine.
1960: Honda RC 161 De ervaringen van het 125cc-team op het Eiland Man werden gebruikt om nieuwe racers te ontwikkelen en de RC 161 uit 1960 leek helemaal niet meer op zijn voorganger. Deze motorfiets was helemaal voor verharde circuits gemaakt. Alles was veranderd: De lichtmetalen cilinders waren uit één stuk gegoten met het verticaal deelbare carter en helden nu 35° voorover. De vier cilinders hadden een gezamenlijke cilinderkop en alle carterdeksels waren uit elektron (een aluminium-magnesium-legering) gegoten. De kleppen maakten een onderlinge hoek van 76° (inlaat 36° en uitlaat 40°). Om de breedte te beperken was de koningsas vervangen door een tandwieltrein tussen de middelste cilinders die gedeeltelijk achter de cilinders zat. Daar werd de ontstekingsmagneet aangedreven. De boring/slagverhouding bleef gelijk, maar er waren nu vier Keihin-carburateurs met losse vlotterkamers toegepast. Deze werden later vervangen door concentrische carburateurs met kortere spruitstukken. De machine werd opgegeven voor 38 pk bij 14.000 tpm. Er was nu een telescoopvork gebruikt en een zesversnellingsbak. Het frame - hoewel nog steeds een ruggengraattype - werd gewijzigd en het drooggwicht bedroeg nu 128 kg.
Honda begon het seizoen 1960 met een aantal Japanse coureurs, Moto Kitano, Yukio Satoh, Kunimitsu Takahashi, Kenjiro Tanaka en Naomi Taniguchi. Het team werd aangevuld met rijders die de Europese circuits beter kenden: Tom Phillis en Bob Brown en toen sommige Japanners met blessures kampten bood ook Jim Redman zijn diensten bij het team aan. Gilberto MilaniMilani had de Honda RC 161 waarschijnlijk ter beschikking gekregen vanwege zijn circuitkennis op Monza en om het verlies van de inmiddels overleden Bob Brown op te vangen. kwam alleen in Monza met een Honda RC 161 aan de start. Phillis startte alleen in de Lightweight TT, waar hij uitviel, en in de Ulster Grand Prix, waar hij tweede werd. Redman werd de beste Honda-coureur, met podiumplaatsen in Ulster en Monza. Hij eindigde als vierde in het kampioenschap en was daarmee de beste niet-MV Agusta coureur, want dat Italiaanse merk was toen nog onverslaanbaar in alle soloklassen. Tijdens de training van de Duitse Grand Prix op de Solitudering verongelukte Bob Brown met een RC 161.
1961: Honda RC 162 Ook in 1961 waren de wijzigingen in de 125- en de 250cc-klasse bij Honda vrijwel dezelfde. Net als de 125 cc 2RC 143 kreeg de nieuwe RC 162 een open brugframe, waarbij de motor als dragend element bleef fungeren. De framebuizen werden voor de stevigheid bij het balhoofd dikker. De motor was doorontwikkeld maar de compressieverhouding, de klephoeken en de boring/slagverhouding bleven ongewijzigd. Wel schakelde men over op een dry-sumpsysteem voor de smering. Honda claimde 40 pk bij 14.000 tpm, maar veel bronnen hielden het op minstens 45 pk, afgaand op de veel hogere topsnelheid ten opzichte van de RC 161. De cilinders helden nu nog maar 30° voorover en het motorblok was 80 mm smaller.
Gary Hocking won de eerste Grand Prix (de Spaanse GP) met een MV Agusta, maar toen waren de RC 162's nog niet raceklaar en werd gereden met hybride-motorenDe hybrides met RC 161 motoren in nieuwe frames werden naar de Europese voorjaarsraces in Italië en Spanje gestuurd om de coureurs te laten wennen aan het weggedrag. Toen de RC 162's klaar waren werden de hybrides ter beschikking gesteld van een aantal importeurs om door veelbelovende talenten te worden ingezet in nationale wedstrijden. Een van de gelukkigen was Kel Carruthers.: RC 161 blokken in de nieuwe frames. Het Honda-team kende geen teamorders, en dat kostte het fabrieksteam de titel. Kunimitsu Takahashi won de GP van Duitsland, Tom Phillis won de GP van Frankrijk en de GP van Argentinië, Jim Redman won de GP des Nations en Bob McIntyre won de Ulster Grand Prix. Mike Hailwood had de eerste GP met een 125cc EMC gereden, maar toen huurde zijn vader Stan, een rijke motordealer, 250cc Honda's voor hem. De fabrieksrijders keken vanaf dat moment voornamelijk in de uitlaten van Hailwood's RC 162. Hij won de Lightweight TT, de TT van Assen, de GP van Oost-Duitsland en de GP van Zweden, werd tweede in de GP van Frankrijk, de Ulster Grand Prix en de GP des Nations en derde in de Belgische Grand Prix en pakte de wereldtitel vóór Tom Phillis en Jim Redman. Honda kon het niet waarderen: het stuurde alleen een rekening van 200 pond voor het verschepen van de motoren… Toch had Honda zijn snelheid en betrouwbaarheid bewezen: tien van de elf wedstrijden gewonnen en de eerste vijf plaatsen in het wereldkampioenschap bezet.
1962: Honda RC 163 en CR 72 Door de overmacht die Honda in 1961 had getoond was er geen behoefte aan grote wijzigingen. Integendeel: de RC 162 was snel én heel betrouwbaar gebleken en zijn opvolger RC 163 kreeg alleen iets grotere koelribben om de betrouwbaarheid nog te verhogen. Het vermogen steeg licht, naar 46 pk bij 14.000 tpm.
In dit jaar bracht Honda een drietal productieracers uit: de 50 cc CR 110, de 125 cc CR 93, de 305 cc CR 77 en de 250 cc CR 72. De machines waren gebaseerd op normale productiemodellen, want ze hadden een afgedekte opening voor de plaatsing van een kickstarter, die bij racers vanwege de duwstart natuurlijk niet nodig was. De CR 72 was een tweecilinder met een boring/slagverhouding van 54 x 54 mm en een cilinderinhoud van 247,3 cc. De compressieverhouding was dezelfde als van de fabrieksracers, 10,5:1. De magneetontsteking werd door de krukas aangedreven en de onderbreker zat achter het linker krukasdeksel. De machine had een wet-sumpsysteem voor de smering en zes versnellingen. Honda claimde 41 pk bij 12.000 tpm.
Mike Hailwood tekende een contract met MV Agusta en zou daarmee Honda in de 350cc-klasse nog dwarszitten, maar in de 250cc-klasse kwam hij twee keer met een Benelli aan de start, maar hij haalde daarmee nooit de eindstreep. In de DDR-Grand Prix kreeg hij een MZ ter beschikking, waarmee hij tweede werd. Voor Honda kwamen Jim Redman, Tom Phillis en Bob McIntyre aan de start met de RC 163, terwijl Derek Minter van de Britse importeur een RC 162 kreeg. Minter versloeg in de Lightweight TT de fabrieksrijders, maar haalde er verder geen punten mee. McIntyre won in België en haalde nog enkele tweede plaatsen, maar hij verongelukte in een nationale race na de Grand Prix van Duitsland. Tom Phillis haalde drie derde plaatsen, zelfs in de Lightweight TT, maar tijdens de Junior TT verongelukte hij in de 350cc-klasse met een Honda RC 170. Tommy Robb won de Ulster Grand Prix. Jim Redman won in Spanje, Frankrijk, Nederland, Duitsland, de DDR en Italië en werd overtuigend wereldkampioen. McIntyre werd postuum tweede en Phillis werd postuum vierde. De veteraan Arthur Wheeler had met een Moto Guzzi veel punten bij elkaar gereden en de Grand Prix van Argentinië (bij afwezigheid van Honda) gewonnen en werd daardoor derde in het kampioenschap.
1963