Peugeot is een Frans automerk van PSA Peugeot Citroën, maar ook een bromfietsmerk en een historisch merk van motorfietsen.
Bedrijfsnamen De bedrijfsnamen van de motorfietstak van Peugeot waren: les fils de Peugeot frères, Cycles Peugeot S.A, Valentigney, (Doubs), later Motorcycles Peugeot, Paris, Neuilly-sur-Seine en Montbéliard.
Geschiedenis Negentiende eeuw In 1810 verbond Jean-Pierre Peugeot, een wever uit Hérimoncourt, zich met zijn beide zoons Jean-Pierre II en Jean-Frédéric met hun schoonbroer Jacques Maillard-Salin, die in Sous-Cratet een gieterij had waar gelamineerd staal voor gereedschappen en horlogeveren geproduceerd werd. In 1819, na een kapitaalinjectie, kreeg dit bedrijf de naam "Peugeot frères et Cie". Binnen korte tijd waren er al 70 werknemers in dienst. In 1825 groeide het bedrijf al sterk en veranderde de naam in "Société Peugeot Frères Aînés, Calame et Jacques Maillard-Salins". In 1832 scheidde Jean-Pierre II zich af en begon de firma "Peugeot Frères Aînés". Hij gaf echter de leiding in handen van zijn zoon Jules en zijn neef Emile.
Les fils de Peugeot frères In 1871 werd deze firma geherstructureerd en kwam de leiding in handen van twee neven: Eugène, de zoon van Jules, en Armand, de zoon van Emile. In 1878 veranderden zij de naam in "Les fils de Peugeot frères" (de zonen van de gebroeders Peugeot). Tot 1885 kende het bedrijf een grote ontwikkeling en maakte een naam als fabrikant van allerlei gereedschappen op diverse Europese markten, maar ook in de VS, Turkije en Egypte.
In 1882 maakte Peugeot zijn entree op de vervoermiddelenmarkt: Armand Peugeot nam het initiatief rijwielen te gaan bouwen. In de fabriek van Beaulieu werd de "Grand bi" (de Franse naam voor de Hoge bi) gemaakt. In 1889 toonde Armand Peugeot vier driewielers met een stoommachine van Léon Serpollet op de wereldtentoonstelling van Parijs, de Peugeot Type 1. Deze driewieler was geschikt voor het vervoer van twee personen. Armand had vlak vóór de tentoonstelling echter al bezoek gehad van Gottlieb Daimler en Émile Levassor. Zij zochten, na het overlijden van Edouard Sarazin, de Franse licentiehouder van de Daimler motoren nieuwe afnemers en overtuigden Armand ervan dan niet stoom, maar de atmosferische verbrandingsmotor de toekomst had. Panhard, mede opgericht door Levassor, zou de chassis gaan leveren. De eerste Peugeot auto werd in 1890 gebouwd, met een Peugeot carrosserie, gemonteerd op een Panhard chassis en met een Daimler motor. In 1891 kwam de productie van Peugeot auto's op gang en het aantal modellen werd uitgebreid.
S.A. des Automobiles Peugeot De familie Peugeot zag echter niets in gemotoriseerde voertuigen, de autoproductie leidde zelfs tot een twist tussen Eugène en Armand. Besloten werd dat Armand zijn eigen bedrijf zou oprichten: de "Société Anonyme des Automobiles Peugeot". Dat gebeurde op 2 april 1896. Bovendien werd afgesproken dat "les fils de Peugeot frères" zich niet zou inlaten met de productie van motorrijtuigen, terwijl "Automobiles Peugeot" geen fietsen zou produceren. Deze afspraak hield echter niet lang stand: al op het Salon du Cycles van 1898 presenteerde "les fils" naast fietsen ook tricycles en quadricycles met De Dion-Bouton- en eigen motorblokken van 3, 3½, 4½ en 5 pk.
Jaren nul Griffon De Zwitserse "Fabrique de Moteurs Zürcher, Lühti et Cie", die clip-on motoren onder de merknaam Z.L. produceerde, was rond 1901 op zoek naar een fietsenfabrikant die stevige frames voor deze motorblokjes kon maken, en kwam uitgerekend uit bij les fils de Peugeot frères. De concurrentie op de rijwielmarkt werd steeds groter, waardoor de verleiding om op het verzoek van Z.L. in te gaan nog groter werd. De motorblokjes van Z.L. waren al erg populair: ze konden op elk stevig fietsframe gemonteerd worden en werden al gebruikt door Brion in Antwerpen, Frera in Milaan, NSU in Neckarsulm en Pécourt in Parijs. Bovendien werden ze door andere fabrikanten gekopieerd. Ze werden in eerste instantie gemonteerd vóór de trapperas. De tegenwoordig gebruikelijke plaats voor het motorblok, onder in het frame, was toen nog gepatenteerd door de gebroeders Werner (zie: Nieuwe Wernermethode). De Franse markt was zeer belangrijk voor Zürcher en Lühti, zó belangrijk dat ze de merknaam Z.L., die voor de Fransen "te Duits" was, veranderden in "Zedel". Om problemen met het bedrijf van Armand te voorkomen deponeerde les fils de Peugeot frères de merknaam Griffon. Vanaf dat moment werden motorfietsen onder de namen Peugeot en Griffon geproduceerd. De Griffon fabriek stond echter in Courbevoie en kreeg al snel een dependance in Londen. Door de samenwerking van Eugène Peugeot met Zürcher en Lühti ontstond in 1902 de eerste gemotoriseerde Peugeot fiets: de "Motobicyclette", die ook wel "Moto-Vélo" genoemd werd. Bij dit model zat het clip-on motortje nog vóór de trapperas, aan de voorste framebuis, terwijl in die tijd de onder in het frame gemonteerde motor al modern was. Daarom was de Motobicyclette bij haar presentatie al verouderd er werd ze slecht verkocht. In hetzelfde jaar volgde een model met de zogenaamde “Nieuwe Wernermethode”, dus met het blok onder in het frame. Peugeot bestelde hiervoor bij Zedel de laatste 2 pk versie van de clip-on motor en noemde het model "Peugeot Type B". In 1903 presenteerde Peugeot "eigen" motorblokken. Dit waren echter weer Zedel motoren waarvoor Peugeot de exclusiviteit had gekocht. De letters "PF" (Peugeot Frères) stonden in het carter gegoten, maar deze carters waren in juli 1903 door Zedel besteld bij de gieterij Gautschi & Jequier S. Graf. Vanaf oktober 1903 bestelde Peugeot deze carters rechtstreeks. Het nieuwe Type C kreeg hetzelfde frame als het Type B, maar met dit nieuwe "Peugeot" 2½ pk motorblok. De samenwerking tussen Zedel en Peugeot zou tot 1914 duren.
Lion-Peugeot Vanaf 1905 ging les fils de Peugeot frères ook automobielen produceren. Dat was op basis van de afspraken uit 1896 verboden, maar ook hiervoor werd een oplossing gevonden: de merknaam werd Lion-Peugeot en S.A. des Automobiles Peugeot ontving jaarlijks 1 miljoen frank. Waarschijnlijk waren de zoons van Eugène Peugeot, Pierre, Robert en Jules, de initiatiefnemers voor het project. Er werden ook motorfietsen voorzien van deze merknaam, maar die zijn uiterst zeldzaam.
Griffon en Lion-Peugeot Het Zedel blokje voldeed in de "normale" motorfietsen uitstekend, maar toen Peugeot zich met wegraces wilde gaan bezighouden, was het geen partij voor de concurrentie. Emile Amstoutz, die al sinds 1897 de leiding over de fietsenfabriek had, ontwikkelde vanaf 1900 een kleine 1½ pk motor onder de naam "A.Z.". Om problemen met Armand Peugeot te voorkomen zette hij dit blokje in races in onder de merknaam "Griffon". De machine was succesvol in Parijs-Berlijn (1901) en Parijs-Wenen (1902). Edmond Gentil kreeg opdracht de machines voor Parijs-Madrid in 1903 te maken. Deze race werd echter door de vele ongelukken stopgezet. Het besluit was toen al gevallen dat het merk Griffon een eigen fabriek in Courbevoie zou krijgen. Gentil wilde er directeur worden, maar toen dit niet gebeurde zette hij zijn eigen merk Alcyon op. Intussen had hij de wedstrijdmotoren uiteraard ontwikkeld: de 3½ pk "Paris-Madrid" modellen.
Type D, L, S, Y, Moto Légère MB en Moto Légère MD2 In 1904 kwamen twee nieuwe Peugeot motorfietsen op de markt: het Type D met een 300 cc 2½ pk motor dat echter al snel op 333 cc en 2¾ pk werd gebracht, het Type E met een 352 cc motor en het 3½ pk Type H. Zedel presenteerde in 1904 zijn eerste 45° V-twin in 3½-, 4- en 5½ pk uitvoering. Al op 5 november zette Dominique Lamberjack in Dourdan een zeer snelle tijd van 34,2 seconden over de vliegende kilometer met een dergelijk blok. Dat kwam neer op 105,3 km/h. Fabrieksrijder Momo reed met een A.Z. motor in zijn Griffon Deauville 102,3 km/h. Op 3 oktober haalde Vincenzo Lanfranchi al 123,3 km/h. In 1905 bracht Peugeot de eerste straatmodellen met eigen V-twins uit: het 500 cc 3½ pk Type L, een 663 cc 5 pk en het 1.000 cc 7 pk Type S. In 1906 verschenen de Typen Z en Y. De "Z" was eigenlijk de 333 cc motor van het jaar ervoor, de "Y" was de opvolger van het Type S, dat slechts één jaar geproduceerd was. Het Type Y was echter bijzonder zwaar en degelijk gebouwd en werd ook als gangmaakmotor geleverd. Beide modellen bleven tot in 1914 leverbaar. Sporadisch werden Peugeot motorfietsen ook van het Lion-Peugeot merk voorzien, soms alleen in de carters gegoten, maar soms ook op de tank. Sportsuccessen waren er sporadisch, wellicht was het grootste wel de overwinning van Rem Fowler in de tweecilinderklasse van de eerste TT van Man in 1907, weliswaar met een Norton, maar die werd aangedreven door een Peugeot V-twin. In 1909 besloot men naast de inmiddels als sportief bekendstaande Peugeot motorfietsen ook een goedkope straatmotorfiets te maken. Peugeot zelf had geen geschikte motor en greep terug op een 218 cc Zedel motor die slechts 1¼ pk leverde en bovendien karig was uitgerust. Deze Moto Légère MB werd dan ook geen verkoophit. De Moto Légère MD uit 1910 kreeg dan ook de 333 cc V-twin van Peugeot zelf. Vanaf 1912 zou deze motorfiets Moto Légère MD2 gaan heten.
Jaren tien S.A. des Automobiles et Cycles Peugeot In 1910 overleed Eugène Peugeot, die de leiding over de fietsen- en motorfietsen fabriek "les fils de Peugeot frères" had, terwijl Armand Peugeot de leiding van "S.A. des Automobiles Peugeot" over deed aan zijn neven Pierre, Robert en Jules. Daarmee werden de familie én de bedrijven eigenlijk weer herenigd, want zij waren de zoons van Eugène. Peugeot kwam weer onder één vlag, die van de "Société Anonyme des Automobiles et Cycles Peugeot". Pierre, Robert en Jules hadden inmiddels met het automerk Lion-Peugeot al enig succes. De firma Peugeot had nu diverse fabrieken in het departement Doubs (Audincourt, Beaulieu-Valentigney, Mandeure en Montbéliard), maar ook in Rijsel (Noorderdepartement), Issy-les-Moulineaux (departement Hauts-de-Seine) en later ook nog in La Garenne-Colombes (departement Hauts-de-Seine). Het was een slechte tijd voor de motorfietsverkopen en pas in 1913 bereikten de verkoopcijfers weer het niveau van 1906. Tot in 1913 hadden alle Peugeot en Zedel motorfietsblokken kop/zijklepmotoren gehad, waarbij de inlaatklep zoals gebruikelijk als snuffelklep was uitgevoerd. In 1913 verscheen een prototype van de MD2 met een 45° V-twin met mechanisch bediende zijkleppen. De machine werd ingezet in de race Parijs-Nice en coureur Desvaux won er de 350 cc klasse mee. Daarmee werd de basis gelegd voor de Peugeot MC, die de bijnaam "Paris-Nice" kreeg. In de korte periode tot de Eerste Wereldoorlog werden hier 5.000 exemplaren van verkocht.
500 M Tot 1911 bemoeide Peugeot zich niet met snelheidswedstrijden voor motorfietsen, maar in dat jaar haalde Robert Peugeot ingenieur Ernest Henry weg bij het merk Labor. Daar had hij voornamelijk vliegtuigmotoren ontworpen. Henry ging eerst aan de slag bij de autotak van Peugeot, waar hij een DOHC viercilinderlijnmotor met vier kleppen per cilinder en desmodromische klepbediening maakte. Deze was voor de raceauto's (de L3 en de L76) bestemd. Zijn eerste Peugeot motorfiets was de 500 M, een staande twin met vier kleppen per cilinder en dubbele bovenliggende nokkenassen. De eerste wedstrijd van deze machine, in april 1914 in Parijs, werd gewonnen door fabrieksrijder Desvaux. In juni vestigde Paul Péan op de Route Nationale 152 twee wereldsnelheidsrecords: 122,4 km/h op de kilometer en 121,2 km/h op de mijl. In 1919 verbeterde ingenieur Marcel Grémillon de 500 M. Hij bouwde een drieversnellingsbak in en verving de riemaandrijving door kettingaandrijving. Péan won er in augustus 1919 het Circuit de l'Eure mee.
Eerste Wereldoorlog