De geschiedenis van Zuid-Azië (een werelddeel dat tegenwoordig de staten India, Pakistan, Bangladesh, Nepal, Sri Lanka, Bhutan en de Maldiven beslaat) reikt terug tot het 3e millennium v.Chr. Het gebied zag de geboorte van een aantal grote religies waaronder het hindoeïsme, boeddhisme en het sikhisme. Al voor het begin van onze jaartelling dreven de Indiërs handel met andere delen van de wereld, tot in China aan toe. De Indiërs hebben onder andere invloed gehad in het begin van het Khmer-rijk, Java en ook in Funan en Champa. Ook in hedendaags Thailand zijn er verscheidene pre-Tai koninkrijken zoals Haripunchai, Dvaravati en Lopburi die door de Indiërs beïnvloed zijn.

Inleiding Geografie en klimaat miniatuur|links|Reliëfkaart van Zuid-Azië miniatuur|Klimaten van Zuid-Azië miniatuur|De moesson trekt eind mei van het zuidoosten naar het noordwesten half juni. Vanaf september trekt de moesson zich weer terug. Rond het einde van het jaar is de moesson ook in het zuiden verdwenen

Het Indisch subcontinent bestaat uit een eigen tektonische plaat, de Indische plaat. Deze botst in het noorden tegen de Euraziatische plaat, daarmee de Himalaya vormend. In het noordwesten grenst het subcontinent aan het Hoogland van Iran met de Hindoekoesj en in het noordoosten aan Myanmar met het Arakangebergte. In het zuidwesten wordt het begrensd door de Arabische Zee en in het zuidoosten door de Golf van Bengalen, beide deel uitmakend van de Indische Oceaan. Hierbij is de noordwestelijke kant de meest toegankelijke en dit is dan ook de gebruikelijke route geweest voor migraties en veroveringen uit Zuidwest-Azië. Met de ontwikkeling van de scheepvaart veranderde de Indische Oceaan van een grens in een middel tot uitwisseling met het Nabije Oosten en Oost-Afrika, de moessonuitwisseling. Ook Zuidoost-Azië kwam zo binnen bereik.

Het Himalayagebergte is het brongebied van vele rivieren, waaronder de Indus en de Ganges. Tezamen vormen deze een enorme vruchtbare laagvlakte, de Indus-Gangesvlakte. Deze vlakte wordt ten oosten van de Indus begrensd door de Tharwoestijn en ten zuiden door het Hoogland van Dekan. Het bergachtige karakter van het zuiden dat veel meer verschillende landschappen kent dan het noorden, maakte dat het politieke landschap hier ook lange tijd versplinterd was. De eerste rijken vormden zich dan ook in de laagvlaktes. Menselijk ingrijpen is al beschreven in de Satapatha-Brahmana tijdens wat de overgang van een semi-nomadische krijgerssamenleving naar een agrarische samenleving moet zijn geweest door middel van brandlandbouw.Mâthava, the Videgha, was at that time on the (river) Sarasvatî. He (Agni) thence went burning along this earth towards the east; and Gotama Râhûgana and the Videgha Mâthava followed after him as he was burning along. He burnt over (dried up) all these rivers. Now that (river), which is called 'Sadânîrâ,' flows from the northern (Himâlaya) mountain: that one he did not burn over. That one the Brâhmans did not cross in former times, thinking, 'it has not been burnt over by Agni Vaisvânara.'Now-a-days, however, there are many Brâhmans to the east of it. At that time it (the land east of the Sadânîrâ) was very uncultivated, very marshy, because it had not been tasted by Agni Vaisvânara. Satapatha-Brahmana (1:4:1:14-15)

Door de grootte van het subcontinent zijn er verschillende soorten klimaten: een woestijnklimaat in het westen en noordwesten. In het pleistoceen heerste hier een heel ander klimaat en was er altijd oppervlaktewater, afgezien van een periode tussen 25.000 en 13.000 BP. Ook halverwege het holoceen tussen 6000 en 4000 BP was er een toename van regenval, gepaard gaand met een toegenomen bevolking een steppeklimaat in het westen en noordwesten, en in delen van het zuiden een gematigd chinaklimaat in de berggebieden in het noorden en noordoosten een hooggebergteklimaat in de hoogste delen van de Himalaya een warm chinaklimaat of gematigd savanneklimaat in de vlaktes in het noorden en noordoosten. Aan het einde van het pleistoceen was het hier veel koeler en droger een tropisch savanneklimaat in grote delen van het zuiden en in het oosten een tropisch moessonklimaat aan de westkust in het zuiden, op de Laccadiven en op de Andamanen en Nicobaren

Veel gebieden hebben echter ook sterk verschillende plaatselijke klimaten.

Het klimaat wordt naast de geografie sterk bepaald door de moesson. Dit is een periodieke wind die in de zomer de noordoostelijke passaat verdringt en ongeveer 180° van richting verandert naar zuidwestelijk. Doordat de Himalaya het subcontinent afsluit van koude lucht uit het noorden en door de grote landmassa is dit het meest uitgesproken moessonsysteem op aarde. Vanaf april vormt zich hier een thermisch lagedrukgebied. Dit is de heetste tijd van het jaar. De moesson zet zich vanaf eind mei vrij plotseling in en brengt daarbij een andere luchtmassa die de nodige verkoeling brengt. Tussen juni en september gaat de moesson gepaard met moessondepressies die hevige regenval met zich meebrengen. Vanaf september trekt de moesson zich weer terug, beginnend in het noordwesten. Rond het einde van het jaar is de moesson ook in het zuiden verdwenen.

Geschriften Naast archeologische vondsten zijn oude geschriften van groot belang om een beeld te verkrijgen van de geschiedenis. Het oudste overgeleverde is het Harappaschrift dat echter nog niet ontcijferd is. Dit werd tussen circa 3500 en 1900 v.Chr. gebruikt. Het oudste ontcijferde is het Brahmischrift waarvan het oudst overgeleverde werk van rond de vierde eeuw v.Chr. is.

Deze geschriften zijn echter veelal niet geschreven om een historisch overzicht te geven, zodat het niet eenvoudig is om te bepalen in hoeverre teksten bruikbaar zijn. Daarnaast is datering van teksten moeizaam, ook omdat er een orale traditie bestond, zelfs nadat het schrift al lange tijd geïntroduceerd was. Veel oude teksten zijn niet geschreven door een enkele auteur, maar gevormd gedurende eeuwen met vele onbekende auteurs die regelmatig conflicterende inzichten toevoegden vanuit hun variërende geografische, religieuze en sociale achtergrond. Ook kent elke genre zijn eigen literaire conventies en kan een tekst een beschrijving van een gewenste situatie zijn en niet een beschrijving van een bestaande situatie. Zoals wel vaker, geldt ook hier dat geschiedenis wordt geschreven door overwinnaars en in dit geval zijn dat de brahmanen. De eerste die dit benadrukte, was Thomas William Rhys Davids die beargumenteerde dat het oude India beter door een boeddhistische dan een brahmaanse lens begrepen kan worden. (2019): The Snake and the Mongoose. The Emergence of Identity in Early Indian Religion, Oxford University Press, p. 11-13 Ook zijn veel oude verhalen mythes die wel historische details kunnen bevatten, maar niet met dat doel zijn geschreven.

De eerste historische biografie is de Harshacharita van Banabhatta die lovend de daden van keizer Harsha beschreef.

Schriftvormen miniatuur|De Susruta-Samhita als palmbladmanuscript De orale traditie werd in stand gehouden omdat de Veda's, de eerste en belangrijkste teksten, niet voor iedereen toegankelijk waren en daarom pas na lange tijd op schrift werden gesteld. Die traditie had tot gevolg dat bij vedische scholen (charana's) die hun aanhang verloren ook hun recensies (shakha's) verloren ging. Dit gold ook toen teksten op schrift werden gesteld, aangezien nog lang gebruik werd gemaakt van palmbladmanuscripten die vergankelijk van aard waren en afhankelijk waren van kopiisten.

thumb|left|De Grieks-Aramese inscriptie van Kandahar is de eerste en meest westelijke van de edicten van Ashoka. De tweetalige tekst is opgesteld in zowel Grieks als Aramees Inscripties hebben het voordeel dat ze bestendiger zijn, wat duidelijk wordt bij de inscripties van Girnar die een geschiedenis van acht eeuwen vertellen van een irrigatiereservoir bij Junagadh bekend als het Sudarshana-meer. Ook de locatie kan een indicatie geven, zolang ze niet verplaatst zijn. Zo geven de edicten van Ashoka een goed idee van de omvang van het Mauryarijk onder Ashoka en ook over de aard van het bestuur van deze boeddhistische keizer. Naast edicten zijn er onder meer ook een groot aantal heldenstenen die verhalen over heldendoden, en prashastis en meikeerthis, eulogieën van koningen en hun verdiensten. Daarbij moet uiteraard kritisch bekeken worden in hoeverre er sprake is van overdrijving. Dat geldt voor alle overleveringen, zoals blijkt uit een inscriptie van Vatsaraja van de Pratiharadynastie die stelt dat hij geheel Karnataka veroverd heeft, terwijl Dhruva van de Rashtrakutadynastie in een inscriptie juist stelde Vatsaraja verslagen te hebben.

thumb|Een loden munt van Vasishthiputra Pulumavi met de beeltenis van een schip, waarmee het belang van de maritieme handel duidelijk wordt Ook munten zijn bestendig en kunnen een bijdrage leveren aan de historiografie. Zo ook bij de Indiase munten waarvan gestempelde munten uit de periode van de zesde eeuw v.Chr. de vroegste teruggevonden zijn. Munten kunnen bij een archeologische opgraving bijdragen aan het dateren van de verschillende lagen. Ook geeft de hoeveelheid en kwaliteit een indicatie van de staat van de economie. Van de munten zelf kan informatie afgeleid worden en de meeste Indo-Griekse koningen zijn vrijwel alleen bekend via munten. Het enige wat specifiek bekend is van keizer Chandragupta I (ca. 320-335) is zijn huwelijk met Kumaradevi, een prinses uit de machtige Licchavidynastie, wat afgebeeld staat op een gouden munt. Ook religieuze praktijken zijn af te leiden uit munten. Daarnaast levert het gebruik om munten te herslaan bij wisseling van heerser – zoals bij Nahapana – informatie op over de chronologie van koningen, aangezien de hergeslagen munten altijd van latere heersers zijn.

Ook schrijvers van buiten India beschreven het subcontinent, waarbij niet elk werk even betrouwbaar was. Zo lijkt Indica van Ctesias uit de vierde eeuw v.Chr. vooral uit zijn fantasie voort te komen. Een vroeg werk met dezelfde titel is afkomstig van Megasthenes, maar is nog slechts in fragmenten bekend via latere schrijvers. Latere werken zijn van onder meer Arrianus en Strabo en Plinius de Oudere. Met de anonieme Periplus Maris Erythraei is dit vooral van belang om een beeld te geven van de handel via de Indische Oceaan. Het boeddhisme bracht de nodige Chinese monniken naar India, waarbij de bekendste reisbeschrijvingen die van Fa Xian en Xuanzang zijn, terwijl ook Yijing lange tijd in het land verbleef. Het in Bagdad gevestigde Huis der Wijsheid zette een vertalingsbeweging in gang waarbij ook teksten uit India werden vertaald. De Perzische geleerde Al-Biruni reisde naar India waarover hij uitgebreid schreef in Tahqiq ma li'l-Hind.

Talen Naast de verschillende schriftvormen, zijn er vele verschillende talen die gaandeweg evolueerden. De Veda's zijn overgeleverd in het vedisch Sanskriet. Dit ontwikkelde zich tot het klassieke Sanskriet van Panini in zijn Ashtadhyayi en Patanjali in zijn Mahabhasya en werd daarmee voor dagelijks gebruik een dode taal, maar als literaire en heilige taal de lingua franca van Zuid-, Zuidoost- en delen van Centraal-Azië. Veel van de hindoegeschriften zijn in dit Sanskriet geschreven. Als levende taal ontwikkelde het Sanskriet zich tot vele Middel-Indo-Arische talen. Van deze prakrits is Vararuchi de vroegst bekende grammaticus met zijn woordenboek of Prakrita-prakasa. Belangrijke prakrits waren Maharashtri, Shauraseni en Magadhi. Een vroege vorm van de laatste, het Ardhamagadhi, werd in veel jaïnische geschriften gebruikt. Een verwante prakrit was Pali dat gebruikt is in veel boeddhistische geschriften. Uit deze prakrits ontwikkelden zich tot Apabhramsa en uiteindelijk moderne Indo-Arische talen als Hindi, Punjabi, Marathi, Bengaals, Assamees, Gujarati, Sindhi, Odia, Nepalees en Kasjmiri.