De Geschiedenis van de opkomst van steden en vorstendommen in de Lage Landen beschrijft de stedelijke en territoriale ontwikkelingen vanaf de 10e eeuw tot aan de consolidatie van de territoriale staten in de 15e eeuw. Voor de Lage Landen was de vroege opkomst van steden met relatief hoge bevolkingsconcentratie kenmerkend. Daar ontwikkelden zich ook de kernen van handel en nijverheid die tot het ontstaan van een nieuwe categorie van 'vrijen' leidde. Die organiseerden zich in gilden en ambachten en namen daarmee een groeiende machtspositie in, zowel binnen de steden als daar rond.

Gelijklopend aan de stedelijke evolutie liep de ontwikkeling van seculiere en religieuze landsheerlijkheden tot territoriale hoofdgebieden, waarvan steeds machtiger vorsten het bestuur op zich namen. Het graafschap Vlaanderen was in deze hele ontwikkeling toonaangevend. Daar kwam ook voor het eerst het groeiend machtsconflict tot uiting tussen de door gilden geleide steden en de vorsten, dat in 1302 in de zogenaamde Guldensporenslag tegen de machtsdrang van de Franse koning een open conflict op het terrein werd.

De opkomst van de steden zorgde voor toename in rijkdom, maar ook voor verschuiving van de macht en versplintering. Pogingen tot centralisatie wisselden af in een evenwichtsspel met de lokale tendensen tot autonomie. De culturele en materiële rijkdom, die reeds vroeg in de geschiedenis van Europa van de Lage Landen over het hele continent werd uitgedragen, droeg ertoe bij dat deze contreien als een samenhangende entiteit werden beschouwd, maar wekte tegelijk de politieke drang naar bezit en controle van deze gewesten, met regelmatig opstanden en oorlogen als gevolg.

Ontwikkeling van territoriale hoofdgebieden en opkomst van de steden (10de-14de eeuw) Opkomst van seculiere landsheerlijkheden miniatuur|Graafschap Vlaanderen. Eind de negende eeuw viel het Karolingische rijk uiteen, het begin van de IJzeren eeuw. De politieke versnippering werd dermate groot dat de inwoners onvoldoende bescherming werd geboden, vooral tegen invallen van Vikingen en Magyaren. Ze zochten hun heil bij plaatselijke krijgsheren, met als gevolg dat het koninklijk gezag werd ondermijnd. De plaatselijke graven waren de beschermheren van kerk en volk. Daartoe hadden zij verdedigingswerken laten optrekken als burchten en wallen, en ridders opgeleid en ingehuurd. Hun band met het rijk werd losser en ze voegden een aantal pagi tezamen tot een territorium dat door de burchten verdedigd werd. Zo hadden de graven van Vlaanderen de pagi Flandrensis, Rodanensis, Gandensis, Curtracensis, Iserae, en Mempiscus onder de noemer van 'de Vlaanders' weten te verenigen. Het hele gebied werd door hen versterkt met nieuwe citadels en restauratie van oude Romeinse kampplaatsen. Vaak waren dat hoger gelegen ommuurde ruimten, waarbinnen zich de versterkte burcht, de kerk en het verblijf van de adellijke familie met eventueel nog wat dienstbaarheden bevond. Aan de voet van de citadel lag de plaatselijke nederzetting van waaruit de bevolking in geval van grote dreiging zich binnen de muren kon verschansen. Daar ontstonden de steden. Het hele landschap werd door hen aangepast. Venen en moerassen werden drooggelegd, bossen gerooid en woeste gronden ontgonnen, stukken van de zee werden ingepolderd. Er werden burchten en wallen gebouwd.

De daarop volgende stabiliteit had een neiging tot expansie en groei tot gevolg. Het land was toen nog overdekt met dichte groepen vrijgoederen, die de hoge adel toebehoorden, en leengoederen, waar deze de opbrengst van genoot. Tussen de 10de en de 14de eeuw had een territorialisering van wereldlijke en geestelijke landsheerlijkheden uit die onoverzichtelijke lappendeken van kleine Graafschappen plaats, hetgeen erop neerkwam dat een aantal feodale heren zijn gebied en gezag ten koste van dat van de buren wist uit te breiden. Overal bemachtigden de graven tevens voogdij over kerkgoederen en clerici.

Begin de 10e eeuw hadden de invasies van Europa door Vikingen, Moren en Magyaren geleid tot territoriale veroveringen. De Noormannen hadden het Hertogdom Normandië afgedwongen, de Fatimiden hadden Sicilië veroverd en de Hongaren hadden een eigen vorstendom in Oost-Europa.

Na de dood van Lodewijk IV van Frankrijk (954) en de overwinning op de Magyaren (955) was Otto de Grote de machtigste heerser in West- en Centraal-Europa. Hij schafte het erfopvolgingsprincipe van de Salische wet af en voerde het rijkskerkenstelsel in. Dit voorkwam de verdere opsplitsing van Europa en de terugkeer naar de centrale macht. Op 2 februari 962 liet hij zich in Rome, naar voorbeeld van Karel de Grote, door de paus tot keizer kronen, het begin van het Heilige Roomse Rijk.

Neder-Lotharingen In de regio ten oosten van de Schelde, waaronder Brabant en Gelderland, werd de ontwikkeling van ‘domini terrae’ (letterlijk: 'landsheren') of ‘principes’ iets later ingezet, maar ze week er niet echt af van die in Vlaanderen en Holland. Wel poogden de Duitse koningen van de Saksische en Salische dynastie de ook daar alsmaar sterker wordende seculiere landsheerlijkheden hun gezag op te leggen door het benoemen van hertogen. In Lotharingen kreeg Bruno, aartsbisschop van Keulen en broer van Otto I (936–973), de titel van hertog. Hij splitste het gebied toen op in Opper- en Neder-Lotharingen. De graven van Leuven en van Limburg werden vervolgens hertogen van Neder-Lotharingen, dat door de eersten Brabant werd genoemd, terwijl de laatsten zich hertogen van Limburg noemden. In Lotharingen was de Duitse keizer een stuk machtiger doordat hij met het rijkskerkenstelsel bisschoppen met wereldlijke macht bedeelde en daarmee dynastievorming tegenging.

Graafschap Vlaanderen

In de Vlaamse gouwen speelden al vroeg een aantal factoren die er samen toe hadden geleid dat het graafschap toonaangevend werd op staatkundig, economisch en uiteindelijk ook artistiek gebied, zoals de Vlaamse en later Brabantse en flamboyante gotiek. Op kunstgebied zijn werken uit deze perioden als de legende van Sint Servaes van Hendrik van Veldeken, Reinaert de Vos, Beatrijs, Halewyn, mijlpalen in de literaire geschiedenis van de Lage Landen.

Op geopolitiek vlak hadden de graven met de aanvankelijke aanwinst van land door drooglegging van moerassen, ontginning van woest gebied, en toevoeging van land vanuit zee in de kuststreek door inpoldering, hun grondbezit en hun inkomen aanzienlijk vermeerderd. Spoedig had het graafschap zich ook naar het zuiden uitgebreid over Artesië, toen in de 10e en 11e eeuw de graven van Vlaanderen van de nog eerder zwakke aandacht van de koningen van de Capetingense dynastie, die in feite hun opperleenheer waren, gebruik maakten.

miniatuur|Het kasselrijgebouw van Ieper. Ze voerden een nieuwe gerationaliseerde bestuursvorm in, de curia comitis (grafelijke raad), gebaseerd op centraliserende beambten, burggraven of castellani genoemd die het beheer, inclusief de militaire macht, over hele districten genaamd kasselrijen mochten voeren. Wel betekende de adel nog een geduchte macht waar voortdurend rekening mee moest worden gehouden, maar graven als Robert I en zijn opvolgers wisten deze handig tegen die van de opkomende steden (Brugge, Gent, Ieper, Kortrijk en Kassel) uit te spelen.

miniatuur|Lakenhal in Ieper, een halve ha groot, een van Europa's grootste burgerlijke gebouwen in gotische stijl (foto 11 okt 2004) waar de producten te koop werden aangeboden

Met de inpoldering van nieuw land vermeerderde het aantal kudden, vooral van schapen en geiten. Dit leverde wol in overvloed en door de aanwas van de bevolking in deze gunstige tijd zochten velen noodgedwongen een bestaan in de wolweverij. Behalve zoutwinning en visserij beschikte het graafschap nu ook over een belangrijke nijverheidstak, de lakenindustrie. Deze was in de 11e eeuw al zo bloeiend dat grooteigenaars van omliggende streken wolvachten naar de jaarmarkten stuurden, bestemd voor Vlaanderen. Spoedig zouden ook de vissersboten wol uit koninkrijk Engeland aanvoeren. Daaruit werd het vermaarde en overal in Europa begeerde Vlaamse laken geweven, dat tot in Italië een ruime afzet vond, maar ook aan de kust van West-Francië, in de noordelijke Lage Landen en het Rijngebied, en rond de Oostzee. Door als eerste over deze grote exportindustrie te kunnen beschikken had Vlaanderen een hoge graad van verfijning en diversificatie in de lakenindustrie bereikt, met als hoofdcentra Gent en Ieper, waar het ganse productieproces tot het eindproduct van verschillende geweven en gekleurde stoffen werd doorlopen. De belforten en lakenhallen die in de opkomende steden werden gebouwd getuigen van omvang en belang van deze industrie. En toen zij voor een groot deel van de Engelse wolleveringen ging afhangen, kon een baisse in deze toevoer ernstige sociale en politieke onrust veroorzaken.

350px|miniatuur|Hanzesteden en handelsroutes Voor het nodige transport maakte de regio van Vlaanderen en Artesië gebruik van de nabije Noordzee en het Scheldebekken. Het Maasbekken gaf hierop verdere aansluiting voor vervoer van en naar het oosten. Naast lakens behoorden ook wijn en specerijen tot de voornaamste handelswaren. Steden als Atrecht, Sint-Omaars, Dowaai, Rijsel, Doornik, Ieper, Gent en Brugge groeiden snel en richtten jaarmarkten in, waar vanuit gans Europa kopers op afkwamen. Van daar was er aansluiting op de jaarmarkten in het graafschap Champagne, die naar Italië doorleverden. Uit notariële registers van Milaan en Genua (bijgehouden vanaf ca. 1200) blijken transacties van Vlaamse kooplieden omtrent verschillende soorten Vlaamse weefstoffen. In Denemarken, Pruisen en Rusland aangetroffen munten van Arnold II en van Boudewijn IV tonen aan dat Vlaanderen aan het eind van de 10e eeuw met de Arabische kooplieden van de Oostzee in betrekking stond.Pirenne p. 167 Ook wollen Vlaamse wandtapijten van soms kolossale afmetingen waren internationaal zeer in trek voor aankleding van de kille muren in kastelen. De afgebeelde taferelen, gebaseerd op mythologie, de religie, landschappen en historische gebeurtenissen, bereikten een hoge graad van kunstzinnigheid, die in de schilderkunst zou worden voortgezet.

miniatuur|Willem I afgebeeld op het tapijt van Bayeux De politieke invloed van Vlaanderen op de buurlanden en op Europa was groot. Graafschap Vlaanderen was op zijn hoogtepunt groter in omvang dan het privébezit van de Franse koning en speelde een belangrijke rol bij de politieke strijd rond de Franse kroon. In 1066 was het ook graaf Boudewijn V van Vlaanderen die bij machte bleek de hertog van Normandië, zijn schoonzoon Willem de Veroveraar, een expeditie naar Engeland te laten uitvoeren. En toen de machtige gerespecteerde graaf Karel de Goede (r. 1119-1127) in Brugge vermoord werd zonder kinderen na te laten, veroorzaakte dat in Vlaanderen een crisis, waar niet alleen de adel en de steden in betrokken raakten, maar ook de Franse koning.

Dirk van den Elzas en zijn opvolgers waren ook in zowat alle gebeurtenissen op de rechteroever van de Schelde betrokken. De Vlaamse graven lieten zich niet alleen met Brabant en graafschap Henegouwen in, maar ook met Holland. In de 13e eeuw reikte hun invloed tot Gelre, het Naamse en vorstendom Luik. Als rijksvorsten en tegelijk vazallen van de koning van Frankrijk, namen de Vlaamse graven een bevoorrechte positie in en langzamerhand zorgde hun politiek voor nauwere en sterkere banden tussen de oostelijke en westelijke statendelen, die sedert het verdrag van Verdun de Lage Landen hadden verdeeld. Door hun toedoen waren aldus Pirenne de gouwen toen ze aan weerskanten van de Schelde door eenzelfde economische bedrijvigheid verenigd waren, ook staatkundig niet meer vreemd voor elkaar. De kleine leenroerige staten van het gebied dat zich van de Ardennen tot de Noordzee uitstrekte, kregen daardoor een gemeenschappelijke geschiedenis.