Georges Eugène Benjamin Clemenceau (Mouilleron-en-Pareds (Vendée), 28 september 1841 – Parijs, 24 november 1929) was een Frans staatsman en tevens arts en journalist. Als een van de heftigste radicale politici tijdens de eerste decennia van de Derde Franse Republiek kreeg hij de bijnaam "De Tijger". Hij is vooral bekend als de premier die Frankrijk krachtig en efficiënt leidde op het einde van de Eerste Wereldoorlog en die de onderhandelingen voerde die tot het Verdrag van Versailles leidden.

Achtergrond en opleiding Georges Clemenceau werd op 28 september 1841 geboren in een klein dorpje in een van de uithoeken van de Vendée. De Vendée stond bekend een van de meest katholieke en royalistische streken van Frankrijk, maar de familie Clemenceau bestond al generaties lang uit republikeinen en vrijdenkers. Georges werd volledig buiten elke godsdienst opgevoed.

Georges Clemenceau groeide op in een kasteel dat eigendom van de familie was. Zijn vader Benjamin Clemenceau was arts, net als de generaties Clemenceaus voor hem, maar haalde vooral inkomsten uit landeigendommen. Als overtuigd republikein had hij meegedaan aan de Julirevolutie van 1830. Nadat hij al korte tijd had gevangengezeten na de staatsgreep van 1851, was hij in 1858 gearresteerd en bijna gedeporteerd door het regime van Napoleon III. Zijn zoon zou een grote afkeer van dat regime krijgen.

Georges Clemenceau studeerde net als zijn vader medicijnen in Nantes en later in Parijs. Als student was hij medestichter van een tijdschrift dat het niet lang uithield omdat de meeste redacteuren, Clemenceau incluis, in de gevangenis belandden nadat ze hadden deelgenomen aan republikeinse betogingen. In 1865 promoveerde hij op een proefschrift waarin hij een materialistische visie van het leven verdedigde en zich kantte tegen de bevindingen van Louis Pasteur (veel later zou Clemenceau toegeven dat Pasteur gelijk had).

thumb|left|200px|Georges Clemenceau door Édouard Manet Reizen Na zijn promotie reisde Clemenceau naar Engeland waar hij de denkers Herbert Spencer en John Stuart Mill ontmoette. Clemenceau heeft een werk van Mill in het Frans vertaald. Vervolgens ging hij naar de Verenigde Staten, waar hij vier jaar verbleef. Hij verkoos de vrije en democratische samenleving van Amerika boven het door hem verfoeide Tweede Franse Keizerrijk. Hij was er correspondent voor de krant Le Temps maar om voldoende inkomen te hebben gaf Clemenceau Franse les aan een meisjesschool in Stamford (Connecticut). Hij trouwde (burgerlijk) op 20 juni 1869 met een van zijn studenten, Mary Plummer, vlak voordat hij naar Frankrijk terugkeerde. Door zijn verblijf in Amerika kende hij perfect Engels, wat toen uitzonderlijk was voor een Frans politicus. Na zijn politieke carrière in 1920 ondernam Clemenceau een reis naar Afrika en Azië.

De Frans-Duitse Oorlog en de Commune Terug in Frankrijk verbleef hij eerst met zijn vrouw in de Vendée, waar zijn eerste kind werd geboren. Toen in augustus 1870 de Frans-Duitse oorlog uitbrak, begaf hij zich naar Parijs, waar hij republikeinse geestesgenoten opzocht.

De nederlaag van Napoleon III in de slag bij Sedan op 2 september betekende het einde van het keizerrijk. Twee dagen nadien werd in Parijs de republiek uitgeroepen en een regering gevormd onder leiding van generaal Louis Trochu. Als overtuigd republikein werd Clemenceau benoemd tot waarnemend burgemeester van het 18e arrondissement van Parijs (Montmartre), kort voordat de Duitsers Parijs begonnen te belegeren. Clemenceau hielp bij de organisatie van de Nationale Garde en benoemde de zeer linkse revolutionair Auguste Blanqui tot chef van een bataljon. In die tijd leerde hij ook de anarchiste Louise Michel kennen.

Na een mislukte opstand van een deel van de Nationale Garde tegen de regering moest Clemenceau aftreden als burgemeester, maar in november werd hij verkozen burgemeester van het 18de arrondissement.

Zoals de meeste radicale republikeinen was Clemenceau tegen de wapenstilstand die op 26 januari 1871 – na vier maanden belegering – werd gesloten. Op 8 februari daarop werd hij voor het departement Seine verkozen in de nieuwe Nationale Vergadering. Hij verzette zich tegen de vredesvoorwaarden met Duitsland die de conservatieve meerderheid in de Vergadering aanvaardde.

Op 15 maart 1871 brak in Montmartre een opstand los toen de generaals Lecomte en Thomas probeerden de Nationale Garde te ontwapenen. Clemenceau trachtte tevergeefs te voorkomen dat de generaals door de menigte werden gedood. De opstand vormde het begin van de Commune van Parijs.

Clemenceau, die weigerde uit de legaliteit te treden, probeerde te bemiddelen tussen de Commune en de regering, die in Versailles zetelde. Het gevolg was dat hij van beide kanten werd gewantrouwd. Op 22 maart werd hij door de Commune als burgemeester afgezet en bij nieuwe verkiezingen in het 18de arrondissement, vier dagen later, slaagde hij er niet in herkozen te worden.

Clemenceau verliet kort daarop Parijs en nam ontslag uit de Nationale Vergadering. Hij leefde een tijd ondergedoken omdat hij als een aanhanger van de Commune werd beschouwd. Hoewel hij nooit partij koos voor de Commune, veroordeelde hij de wrede onderdrukking ervan. Later zou hij met succes ijveren voor amnestie voor de communards.

Radicaal Kamerlid thumb|upright=2.5|Karikatuur verschenen in 1888 in het boulangistische La Diane. In het kamp van de boulangisten: Georges Laguerre, Henri Rochefort, Alfred Naquet, Paul Déroulède, Georges de Labruyère, Alfred Le Petit en Antonin Louis.

Nadat hij bij tussentijdse verkiezingen voor de Nationale Vergadering niet was herkozen, slaagde Clemenceau er op 23 juli 1871 wel in een zetel in de gemeenteraad van Parijs te veroveren. Hij had zich gevestigd als arts in de Parijse wijk Clignancourt (18de arrondissement) en leidde in de buurt een dispensarium, waar hij zich ontfermde over de gezondheid van de gewone mensen.

In 1875 werd hij voorzitter van de Parijse gemeenteraad (de titel van burgemeester van Parijs was afgeschaft). Het jaar nadien nam hij uit die functie ontslag nadat hij met grote meerderheid werd verkozen in de nieuwe Kamer van afgevaardigden. Hij bleef afgevaardigde van het 18de arrondissement van Parijs tot in 1882, toen hij verkozen werd voor het (toen zeer linkse) departement Var.

Clemenceau werd toen een van de tenoren van de radicale republikeinen, die zich afzetten tegen de meer gematigde of "opportunistische" republikeinen.

Hij kantte zich tegen de grondwet van de Derde Republiek, die het werk van monarchisten was geweest en geïnspireerd was op de parlementaire monarchie, waarbij de monarch vervangen was door een verkozen president. Clemenceau ijverde voor een republiek met een meer revolutionair karakter, met één verkozen vergadering die rechtstreeks de macht zou uitoefenen, zonder staatshoofd en zonder senaat. Daarnaast was hij een uitgesproken antiklerikaal, die ijverde voor de scheiding van kerk en staat, de herinvoering van de echtscheiding en de afschaffing van het godsdienstonderwijs op openbare scholen.

Op sociaal vlak verdedigde hij een zeer progressief programma met onder meer het verbod op kinderarbeid, beperking van de arbeidsduur, het recht op vakvereniging, pensioenen voor werknemers en de invoering van een inkomstenbelasting. Hij was wel tegen "collectivisme" en verdedigde het vrije ondernemerschap tegenover de socialisten, hoewel hij voorstander was van het onteigenen van grote spoorwegmaatschappijen.

In 1880 startte Clemenceau met zijn geestesgenoot Stephen Pichon de krant La Justice, het leidende orgaan van de Parijse radicalen. Een echte georganiseerde radicale partijorganisatie kwam er voorlopig niet. Clemenceau was tegen geïnstitutionaliseerde partijen, omdat die de macht van individuele volksvertegenwoordigers beperken. Hijzelf zou nooit tot een partijorganisatie toetreden.

Tombeur des ministères Al gauw kreeg Clemenceau als redenaar en debater een geduchte reputatie. Zijn felle stijl bezorgde Clemenceau de bijnaam Le Tigre (de tijger), waarvan hij niet hield. ("Een tijger heeft veel kaak en weinig hersens. Daar lijk ik niet op."). Een andere bijnaam was tombeur des ministères ("kabinettendoder") omdat hij verscheidene regeringen ten val wist brengen. Zelf zei hij daarover ooit: "Ik heb nochtans nooit één ministerie vernietigd, want het was altijd hetzelfde (dat terugkwam)".

In 1881 veroorzaakte hij de val van het eerste kabinet van Jules Ferry, nadat die een Frans protectoraat over Tunesië had ingesteld. Clemenceau suggereerde toen dat de regering hierbij vooral de belangen van de zakenwereld diende. Het werd zijn eerste grote uitval tegen het kolonialisme. Het jaar daarop kwamen zowel het ministerie van Léon Gambetta als de tweede regering van Charles de Freycinet ten val, mede door Clemenceaus toedoen.

In 1885 kwam het tweede kabinet-Ferry in botsing met Clemenceau, toen Tonkin door Franse troepen werd bezet. Opnieuw kwam de regering ten val, omdat de radicalen en de rechterzijde in de Kamer weigerden dit koloniaal avontuur te steunen. Bij die gelegenheid bekritiseerde de Tijger hevig de kolonialistische opvattingen van Ferry en vooral diens uitspraak dat "superieure rassen" het recht hadden om "inferieure rassen" te overheersen.

In 1886 werd generaal Georges Boulanger, die Clemenceau nog van zijn schooljaren in Nantes kende, met zijn steun minister van Oorlog in het derde kabinet-Freycinet. Toen Boulanger steeds meer het idool werd van rechtse nationalisten en revanchisten, en daarmee de democratie en de vrede leek te bedreigen, keerde Clemenceau zich van hem af. In 1887 stichtte hij zelfs een vereniging van anti-boulangisten.

Het Panamaschandaal Clemenceaus parlementaire loopbaan kwam in moeilijkheden nadat in 1891 onthuld werd dat de Franse maatschappij voor de bouw van het Panamakanaal steekpenningen aan talrijke politici en kranten had betaald (het "Panamaschandaal"). Vanwege zijn relaties met de betrokkenen in de affaire, in de eerste plaats de omstreden joodse zakenman Cornelius Herz, werd hij aangevallen door nationalisten en antisemieten. Het leidde tot een duel tussen hem en de boulangist Paul Déroulède, die hem in volle Kamer van corruptie had beschuldigd. Het duel eindigde onbeslist. Twee jaar later zou Clemenceau om dezelfde reden duelleren met de latere president Paul Deschanel, waarbij hij hem met de degen aan het ooglid verwondde.

Hoewel nooit kon worden aangetoond dat Clemenceau of zijn krant La Justice geld in die affaire ontvangen hadden, bleef het schandaal hem achtervolgen. De vele vijanden die hij had gemaakt, herhaalden de verdachtmakingen. Als gevolg daarvan raakte hij bij de Kamerverkiezingen van 1893 zijn zetel kwijt.

Journalistiek en Dreyfusaffaire Nu hij geen parlementslid meer was, leefde Clemenceau van zijn pen. Hij werd hoofdredacteur van zijn eigen krant La justice en schreef ook voor andere bladen, zoals de in 1897 gestichte krant L'Aurore. Behalve politieke standpunten en analyses gaf hij ook literaire bijdragen. Hij schreef enkele boeken en zelfs een toneelstuk.

Tijdens de Dreyfus-affaire (1898-1906) aarzelde hij aanvankelijk partij te kiezen, maar later raakte hij overtuigd van Dreyfus' onschuld en werd hij een van de leidende Dreyfusards. Op 13 januari 1898 liet hij de provocerende open brief van Emile Zola op de voorpagina van L'Aurore zetten met de door hem bedachte titel J'accuse...!.

Hij stelde zich in de hele affaire bijzonder hard op en had meer oog had voor het principe van de zaak dan voor de persoon van Dreyfus. Zo verzette hij zich tegen gratie voor Dreyfus (Dreyfus was onschuldig, dus kon hij alleen maar met vrijspraak genoegen nemen). Later wilde hij niet weten van een amnestiewet ten gunste van zowel veroordeelde Dreyfusards als Antidreyfusards.

Hij zou in totaal meer dan 700 artikelen ten gunste van Dreyfus schrijven, teksten die hij later gebundeld liet uitgeven in zeven boekdelen en die veel succes hadden.