Quetzalcoatlus is een geslacht van uitgestorven pterosauriërs, behorend tot de groep van de Pterodactyloidea, dat tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika. De typesoort is Quetzalcoatlus northropi.
De soort is met een vleugelspanwijdte van tien meter het grootste vliegende dier uit de wereldgeschiedenis waarvan goede resten verzameld zijn. Het eerste en tot nog toe grootste exemplaar werd in 1971 gevonden in Texas. Latere vondsten waren veel kleiner en behoren misschien toe aan een aparte soort Quetzalcoatlus lawsoni. Gezien de omvang van het dier is het lang een twistpunt gebleven hoe goed het kon vliegen. Tegenwoordig wordt aangenomen dat Quetzalcoatlus zwaar gespierd was en snel kon opstijgen door zich in één beweging met de vleugels tegen de grond af te zetten. De spieren waren ook sterk genoeg om een korte tijd met de vlieghuid op en neer slaand rond te vliegen. Langere vluchten konden zwevend worden afgelegd. Geen overeenstemming is er over de levenswijze van het dier. Misschien ving het met zijn lange en spitse tandeloze bek vissen uit zee, maar de vindplaats lag ver van enig groot water. Daarom is ook wel gedacht dat het een aaseter zou kunnen zijn geweest of op de grond en in ondiep water prooien zocht. Het kon zich daar op vier poten goed voortbewegen. Quetzalcoatlus was een van de laatste pterosauriërs en is vermoedelijk 66 miljoen jaar geleden door dezelfde meteorietinslag uitgeroeid die ook een einde maakte aan de laatste grote dinosauriërs, die zijn tijdgenoten waren.
Vondst en naamgeving
Lawson ontdekt Quetzalcoatlus De eerste fossielen werden door Douglas A. Lawson, een geologiestudent aan de University of Texas, ontdekt in het Big Bend National Park in Brewster County in het westen van Texas. In de Javelinaformatie op zoek naar de beenderen van titanosauriërs voor zijn doctoraalscriptie over het lokale ecosysteem ten tijde van het Laat-Krijt, zag hij op een middag in het voorjaar van 1971 in een droog ravijn bij de Dawson Creek, ten westen van het Maverick Ranger Station, wat botfragmenten op de bodem liggen, die kennelijk door de regen uit een hoger gelegen rotswand waren gespoeld. Boven hem zag hij een groot stuk bot uit de rotsen steken, dat hij niet herkende. Hij groef een derde deel daarvan onmiddellijk uit, maar wist het ook op de universiteit niet te determineren, totdat hij een plotse ingeving kreeg dat het bot als geheel een oorspronkelijk 122 centimeter lang vierde middenhandsbeen van een pterosauriër moest zijn. Hierop nam hij contact op met professor Wann Langston jr. van het Texas Memorial Museum met wie hij al in 1970 en januari 1971 opgravingen in het gebied verricht had. Januari 1971 had Lawson al twee botten gevonden, de specimina TMM 41398-3 en TMM 41398-4, die het eerste pterosauriërmateriaal uit de Big Bend vertegenwoordigden, doch die pas later met Quetzalcoatlus in verband werden gebracht. Beiden bezochten op 22 november 1971 de vindplaats en Langston bevestigde met grote aarzeling dat het een zeldzaam grote pterosauriër moest betreffen. Gezien het belang van de vondst werd in 1972 een kleine expeditie op touw gezet, die honderden kleine fragmenten van een gedeeltelijke vleugel wist te bergen. Deze omvatte een linkerspaakbeen, een linkerellepijp, het proximale syncarpale, dus het vergroeide blok polsbeenderen aan de zijde van de onderarm, het distale syncarpale aan de zijde van de hand, en het proximale deel van het vierde middenhandsbeen. Deze vleugel is het holotype van het geslacht, TMM 41450-3 (eerder onjuist vermeld als TMM 41451). TMM betekent weliswaar Texas Memorial Museum, maar officieel maken de fossielen deel uit van de Texas Vertebrate Paleontology Collections van The University of Texas. De vleugel is een van de geologisch jongste vondsten die van Quetzalcoatlus gedaan zijn.
In februari 1973 lukte het de student William Amaral veertig kilometer verderop, in noordoostelijke richting, een tweede vindplaats te ontdekken, de Amaral Quarry ofwel Pterosaur Site I ofwel de Pterodactyl/Pterosaur Ridge, die gelijkende botten opleverde, zij het van veel kleiner formaat. Deze lag op 29.4° noorderbreedte, 103.2° westerlengte, in het Opper-Krijt op 36.0° noorderbreedte, 82.5° westerlengte. Maart 1973 volgde nog een bezoek aan deze locatie waarbij meer botten gevonden werden. April 1974 bezochten Langston, Lawson, die nu een doctoral student was aan de University of California, en Marc Gallup opnieuw de oorspronkelijke vindplaats. Daarbij borgen ze een enorm opperarmbeen. Op 6 april verhuisden ze naar de Amaral site waar een halswervel en een paar onderkaken (TMM 41544-22) werd opgegraven. Dezelfde dag ontdekte Langston in de nabijheid een derde pterosauriërvindplaats.
In 1975 had Lawson te Berkeley de resten van drie individuen verzameld: delen van vier vleugels werden opgegraven, een gedeeltelijke nek, achterpoten en een mandibula (samengegroeide linker- en rechteronderkaken). De lagen stamden uit het Maastrichtien en waren gevormd door afzettingen van riviersedimenten. Anders dan de fossielen van de meeste bekende pterosauriërs zijn die van Quetzalcoatlus dus niet in mariene lagen aangetroffen: ook al in het late Opper-Krijt lag de locatie vierhonderd kilometer van de kustlijn verwijderd. Lawson verklaarde het verschil in grootte tussen de fossielen door aan te nemen dat de tweede vindplaats de resten van onvolwassen dieren bevatte. Opvallend is dat de grote fossielen allemaal in zandlagen van meerafzettingen gevonden zijn en de kleinere fossielen in oude stroomgeulen. Die laatste fossielen zijn ook van wat grotere ouderdom.
Lawson vermeldde de vondst voor het eerst in zijn scriptie uit 1972. Daarin benoemde hij de soort als Pteranodon gigas, de 'reusachtige'. De scriptie werd echter niet gepubliceerd en de naam bleef aldus een ongeldige nomen ex dissertatione. Afgezien daarvan had er hoe dan ook een aparte geslachtsnaam verzonnen moeten worden want het taxon is duidelijk niet aan Pteranodon identiek.
De typesoort Quetzalcoatlus northropi werd in maart 1975 voorlopig beschreven door Douglas Lawson in een artikel in Science en mei datzelfde jaar door deze auteur in een ingezonden brief naar hetzelfde blad benoemd. Douglas vermeldde geen etymologie. De geslachtsnaam Quetzalcoatlus is echter volgens persberichten die Lawson citeerden afgeleid van Quetzalcoatl, de gevederde god van de Azteken en Tolteken, wiens naam een verwijzing naar een vliegend reptiel bevat: in Nahuatl betekent quetzalli 'lange veer' en coatl 'slang'. De soortaanduiding verwijst naar de Northrop-vliegtuigfabriek die het opgravingsonderzoek financierde en eert speciaal de oprichter van dat bedrijf John Knudsen Northrop, die overigens een voorliefde had voor staartloze vliegtuigontwerpen die in vorm wel iets van Quetzalcoatlus weg hadden. Behalve TMM 41450-3 werden in deze publicaties ook de specimina TMM 41544 en TMM 41546 besproken, hoewel niet als zodanig aangeduid, dus fossielen van kleinere exemplaren. Na 1975 zou Lawson niet meer over de vondsten publiceren. In maart 1976 verrichtte hij zijn laatste opgravingen.
Het benoemende artikel bevatte geen beschrijving. Die was weliswaar aanwezig in het eerdere artikel uit 1975, maar Lawson maakte de fout dat artikel niet expliciet te citeren. Volgens artikel 13.1.2 ICZN maakt dat de naam een ongeldige nomen nudum. Lew Nesow publiceerde in 1991 weliswaar een korte beschrijving, maar Brian Andres meende dat volgens artikel 67.2.1 ICZN deze niet als de auteur kon gelden omdat Nesow niet expliciet de naam als nieuw benoemd had. Zelf de nieuwe auteur worden leek hem ook niet gepast. Hij diende een petitie in om Q. northropi Lawson 1975 als naam te fixeren. In 2019 besliste de ICZN overeenkomstig in Opinio 2440.
Onderzoek door Langston
In de jaren tachtig erkende Langston, die het onderzoek voortzette terwijl Lawson een loopbaan in de olie-industrie aanving, de mogelijkheid dat het om twee verschillende soorten ging; de kleine soort duidde hij in 1981 aan als Quetzalcoatlus sp.[ecies]. Sinds die tijd is uit de tweede locatie nog een groot aantal specimina opgegraven, in 1996 waren het er al zo'n tweehonderd, later werd een aantal van 235 vermeld.
Langston of zijn medewerkers bezochten de locatie in mei 1977, maart 1979, mei 1980, maart 1981, mei 1982, november 1982, januari 1983, mei 1985, maart 1986, maart 1987, maart 1989, april 1991, mei 1992 en mei 1996. Daarbij werden de opbrengsten steeds minder. Het zou gaan om resten van minstens negen, achteraf door Langston als volwassen herkende, individuen die vermoedelijk gelijktijdig waren omgekomen, een voor pterosauriërs zeldzame aanwijzing voor een leven in groepen. Thomas Lehman vond tussen 1993 en 2002 nog wat door erosie losgewerkte resten aan het oppervlak. Heel langzaam kon men zich een wat completer beeld van het dier vormen, hoewel nog veel onderdelen van het skelet onbekend zijn. De belangrijkste specimina zijn: TMM 41961-1: een schedel met onderkaken en postcraniaal skelet; TMM 41954-62: een snuit met onderkaken en postcraniaal skelet; TMM 42161-1: een snuit met onderkaken en wat halswervels; TMM 42422-30: een rechterquadratum, een rechterjukbeen, de verhemeltebeenderen en een fragmentarisch postcraniaal skelet; TMM 41544-14/22: onderkaken en wat postcrania; TMM 41954-5: een schedel met onderkaken en postcrania; en TMM 42161-2: een snuit, onderkaken en wat halswervels.
De beschrijving door Langston werd vele decennia gerekt. Hij maakte wel aantekeningen, maar schreef geen samenhangend manuscript, laat staan dat het tot een uitgebreide publicatie kwam. Pas na zijn dood in 2013 zou Brian Andres deze opgave kunnen voltooien, waarvan de resultaten in 2021 gepubliceerd werden. Hij concludeerde dat er inderdaad twee soorten waren. Met Q. northropi kon wat meer materiaal in verband gebracht worden dan het holotype alleen, in totaal vijf specimina. Specimen TMM 44036-1, een linkerellepijp met ongeveer driekwart van de lengte van die van het holotype en wellicht van een jong dier, werd aan Q. northropi toegewezen. Vier reusachtige specimina, namelijk TMM 41047-1, TMM 41398-3, TMM 41398-4, en TMM 42889-1, konden niet met zekerheid toegewezen worden en werden daarom geclassificeerd als een Quetzalcoatlus cf. northropi. Quetzalcoatlus sp. werd door Andres benoemd als de tweede soort Quetzalcoatlus lawsoni. Langston had voor zijn dood te kennen gegeven dat het zijn wens was dat deze soort naar de oorspronkelijke ontdekker vernoemd zou worden. Het holotype van deze tweede soort is specimen TMM 41961-1, waarvan de schedel met een zuurbad beter vrijgelegd werd. Talrijk materiaal van kleinere individuen werd aan deze soort toegewezen.
Vondsten buiten Texas Een halswervel die aan Quetzalcoatlus werd toegeschreven, specimen TMP 1992.83, is in 1995 beschreven uit Alberta in Canada; deze vondst stamt echter uit het veel eerdere Campanien en de identificatie wordt tegenwoordig algemeen betwijfeld, hoewel het wel om een verwante vorm kan gaan. In 2019 werd die benoemd als het aparte geslacht Cryodrakon. In 2002 werd een 369 millimeter lange halswervel, BMR P2002.2, beschreven uit Montana, daterend uit het Maastrichtien. Hoewel die erg leek op een ander exemplaar uit dezelfde Hell Creek-formatie dat door zijn smalle vorm vermoedelijk niet tot Quetzalcoatlus behoorde, werd het toch aan dit geslacht toegewezen.
Beschrijving Onderscheidende kenmerken van het geslacht Quetzalcoatlus
Andres gaf in 2021 een reeks onderscheidende kenmerken van het geslacht als zodanig. Het zijn autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen — of, zo men wil synapomorfieën, gedeelde nieuwe eigenschappen, van een clade Quetzalcoatlus. Andres definieerde Quetzalcoatlus expliciet als een clade, monofyletische afstammingsgroep, als de groep omvattende Q. northropi en Q. lawsoni en alle soorten die nauwer verwant zijn aan de een dan aan de ander. Zulke soorten waren in 2021 overigens nog niet benoemd.