De prehistorie van de Lage Landen beschrijft de periode vanaf ca. 250.000 v.Chr. tot het ogenblik dat de eerste geschriften opduiken in het gebied dat algemeen als de Lage Landen wordt aangeduid.

Het gebied van deze Lage Landen ten zuiden van de Nederrijn en Benedenmaas gelegen was cultureel verwant met West- en Zuid-Europa, het gedeelte noord daarvan behoorde meer tot een Midden- en Noord-Europese cultuurzone. In de hele regio ontwikkelden zich van elkaar onderscheiden cultuurvormen die worden getypeerd aan de hand van onder andere hun keramiek, siervoorwerpen, werktuigen en wapentuig. Ze situeren zich verspreid in de tijd ook in verschillende gebieden, zoals de streek rond Maastricht en de Belgisch-Nederlandse grens, waar de oudste vuurstenen werktuigen zijn gevonden na die van het gebied rond Bergen.

miniatuur|Schrabber van vuursteen Tussen 100.000 en 10.000 v.Chr. leefden in heel Europa en dus ook in de Lage Landen neanderthalers, opgevolgd en gedeeltelijk gesecondeerd door de vroege moderne mens. In de Ardennen werd een vuursteengroeve voor Moustérienvoorwerpen gevonden, die voornamelijk door de neanderthalers werden gemaakt en gebruikt, daterend van ca. 80.000 jaar geleden. Zo'n 18.000 jaar terug werd daar de Magdaléniencultuur gesitueerd, grenzend aan een groot onbewoond gebied tot 13.000 jaar geleden.

miniatuur|Het Magdalénienvolk woonde niet alleen in grotten maar ook in tenten zoals deze uit Pincevent (Frankrijk) Vanaf het mesolithicum (10.000 jaar geleden) onderscheidde zich een noordelijke en zuidelijke cultuursfeer met de grote rivieren als scheidslijn.

De eerste neolithische landbouwnederzettingen dateren vanaf 6.500 jaar terug. De daarop volgende culturen onderscheidden zich door een transformatie van hun materiële cultuur. Contacten met mesolithische jagers-verzamelaars zorgden voor gemengde of semi-landbouwgemeenschappen. Uit het laat-neolithicum dateren de hunebedden.

De overgang naar de bronstijd gebeurde rond 2000 voor onze jaartelling. Er zijn in de midden-bronstijd aanwijzingen voor gemengde landbouw, waar veeteelt overwegend is. Dit in contrast met het neolithicum, waar landbouwactiviteiten als minder met elkaar verbonden worden beschouwd. Bij de ontwikkeling van de nederzettingentraditie veranderden ook de begrafenisgewoonten.

In de ijzertijd werden de Lage Landen overheerst door Keltische, resp. Germaanse culturen.

Midden-Paleolithicum (−250.000-35.000) Tussen 100.000 en 10.000 v.Chr. leefden in Europa en ook in de Lage Landen neanderthalers. In de Ardeense grot van Spy bij Namen zijn restanten ontdekt. De neanderthalers maakten vuur en sloten zich in groepen aaneen om te jagen op mammoeten, oerossen en rendieren. Voor de jacht en de bereiding van het voedsel gebruikten zij vuistbijlen en stootsperen met stenen punten. Ze gaven grafgiften mee met hun overledenen.

Jong-Paleolithicum (−35.000-10.000) Dit is het tijdvak waarin de cro-magnonmens naast de neanderthaler opduikt. Zij leefden eveneens in groepen en voerden drijfjachten uit op dezelfde prooien. Ook van deze mensen zijn sporen gevonden in Ardeense grotten, zij het zonder wandschilderingen zoals in Lascaux.

Tussen 26.000 en 15.000 v. Chr. is er in de Lage Landen een koudepiek van de laatste ijstijd. Het landschap is dan een vlak en desolaat nat toendralandschap.

Mesolithicum (−10.000-4500) De temperatuur steeg in de Lage Landen rond 10.000 v.Chr. en daar door trokken veel prooidieren noordwaarts, gevolgd door de mens. De achterblijvers leerden van inwijkelingen uit het zuiden microlieten maken, waarmee de jacht op kleinere prooidieren in het bos verbeterde. Men trok nu niet meer in grote groepen op jacht, maar joeg met kleinere gezelschappen op herten, vossen, everzwijnen, wolven of zelfs beren, die nu in de zich uitbreidende eiken- en elzenbossen steeds meer voorkwamen.

Neolithicum (−4500 - 2900)

Nadat het Neolithicum, een cultureel erfgoed van landbouw, kleinveeteelt, gepolijste stenen bijlen, houten langhuizen en pottenbakken dat reeds tussen 9.000 en 7.000 in het Midden-Oosten begon, zich over Europa verspreidde, zette zich rond 5300 v.Chr. in de Lage Landen het neolithiseringsproces in op de lössgronden van Zuid-Limburg. Daarmee geraakte de Mesolithische levenswijze geleidelijk in onbruik. Kenmerkend zijn nu behalve de nederzettingen, de opkomst van grotere stammen en het gebruik van plantaardig voedsel.T.Douglas Price, (2000): Europe's first farmers, Cambridge University Press, p. 5

De subneolithische Swifterbantcultuur van jager-verzamelaars wordt gesitueerd in het gebied tussen de Schelde en de Elbe in een tijdspanne van 5000-3400 v. Chr.

Op de hoger gelegen vruchtbare lössgronden van onder andere het Zuid-Limburgse Haspengouw heeft zich rond 4500 v.Chr. de Bandkeramische cultuur (ook Omalien) gevestigd. Deze meest noordwestelijke tak van cultuur gold de eersten die als landbouwers in de Lage Landen de Neolithische manier van leven aanbrachten, al kenden zij nog geen ploeg. In typische met banden versierde potten bewaarde men voedsel en zaaigranen. Er waren contacten met leden van de aan de cardiaal-impressocultuur verwante Hoguette-groep, waarvan echter weinig is teruggevonden. Wel onderhielden al deze gemeenschappen onderlinge contacten, zoals blijkt uit de vondsten van gepolijste stenen bijlen, waarvan het materiaal van vreemde origine was. Ze onderhielden eveneens contacten met Mesolithische groepen in het noorden, vooral langs de Maas. Na zo'n 700 jaar is deze cultuur om nog onbekende redenen uitgestorven. miniatuur|Tulpbeker van de Michelsbergcultuur Boven de rivieren bleef het nog een cultuur van jager-verzamelaars, die zich tot de Swifterbantcultuur had ontwikkeld en rond 4800-4500 v.Chr. geleidelijk overschakelde op veeteelt. Naar uit onderzoek, (2004): Swifterbant-aardewerk : een analyse van de neolithische nederzettingen bij Swifterbant, 5e millennium voor Christus, Groningen. Online blijkt hebben deze twee culturen een duizendtal jaren naast elkaar bestaan, waarbij de bewoners van de uitgestrekte moerassen in de Rijndelta langzamerhand sommige gewoonten van de landbouwers in het zuiden zijn gaan overnemen. In toenemende mate treft men er tussen resten van wild ook resten van gedomesticeerde dieren aan, waarbij een duidelijke progressie valt waar te nemen.

Rond 4250 tot 3500 v. Chr. ontwikkelde zich in het zuidwesten van Duitsland, het zuiden van Nederland en het oosten van België de Michelsbergcultuur. Schaarse archeologische vondsten wijzen op een gemengde landbouwcultuur. De typische keramiek is de tulpvormige beker. Maar hun belangrijkste erflating zijn de diepe vuursteenmijnen van Spiennes in Henegouwen en die van Rijckholt in Nederlands Limburg.

Relicten uit omstreeks 4000 v.Chr. die in de Nederlandse delta bij Swifterbant in Flevoland en in het Zuid-Hollandse Hazendonk en Bergschenhoek zijn teruggevonden duiden op contacten van de Michelsbergcultuur met laat-Mesolithische jagers-verzamelaars benoorden de lösszone. Uit deze contacten vloeiden semi-landbouwgemeenschappen voort die zich daar plaatselijk vestigden.

Onder andere in de Kempen, de Leemstreek en de Maasvallei verbouwde men in het Midden-Neolithicum eenkoorn en emmertarwe op de kleine akkers rond het huis. Voor het zware werk werden trekossen gebruikt. De veestapel bestond uit runderen, schapen, varkens en geiten, die graasden in een afgebakend stuk grond rond de woning.

Rond 3.500 v.Chr. hebben landbouwers in Haspengouw verbleven. Ze hadden lammeren en schapen gedomesticeerd, evenals runderen en varkens. Deze boeren leefden op de lichte kleigronden die ze met een hark bewerkten en woonden in langhuizen. miniatuur|Het leefgebied van het trechterbekervolk (TRB in het groen) in Europa miniatuur|Nagebouwd huis uit de Trechterbekertijd Tijdens het Laat-Neolithicum (ca. 3300-2900 v.Chr.) bestond de trechterbekercultuur in Friesland en in Drenthe waar zij hunebedden bouwde en deze vestigde zich ook in Noord-Holland. Deze monumenten markeren begraafplaatsen. Ze bestaan uit megalieten, sommige tot wel 50 meter lang, die door het zich terugtrekkend ijs waren achtergelaten.

In de duinstreek van het Rijnmondgebied van de Lage Landen onderscheidde zich de Vlaardingencultuur als een tussenvorm van Mesolithische cultuur en landbouw met zowel volledige als semi agrarische landbouwnederzettingen.

Het zuiden van België werd in deze periode door de Franse Seine-Oise-Marnecultuur (SOM) bereikt, die eveneens hunebedden bouwde.

De leden van de standvoetbekercultuur (ca. 2900–2450), ontstaan uit de Trechterbekercultuur, maakten gebruik van karren. Een grote groep landbouwende inwijkelingen vestigde zich in Brabant rond Bosvoorde en het Henegouwense Spiennes. In de moerassige streken van Vlaanderen werden de eerste paaldorpen gebouwd (vooral Dentergem aan de Mandel). Men deed overwegend aan veeteelt, en mijngroeven werden aangelegd tot 16 meter diep om vuursteen te delven voor gereedschap.

miniatuur|De Brunhildesteen, de grootste menhir van België, staat nabij Doornik.

miniatuur|Wapens uit de urnenveldencultuur De kopertijd wordt gekenmerkt door de klokbekercultuur (2700 - 2100 v. Chr.) die naast en uit de standvoetbekercultuur ontstond. De typerende eigen keramiek van bekers in klokvorm heeft ze haar naam gegeven. De klokbekercultuur wordt verder door een aantal technische innovaties gekenmerkt, zoals de ploeg, het wiel en karren. Dit wijst op een aanzienlijke hervorming van het landbouwsysteem, maar ook op de mogelijkheid van beter transport. Deze groep verspreidde zich over heel West-Europa. Met deze cultuur begon een tijd van intensieve overzeese contacten, wat de overeenkomst tussen de prehistorische culturen aan weerszijden van de Noordzee verklaart. Ze zouden daarbij zelfs Noord-Afrika hebben bereikt. Ze gebruikten strijdhamers, handbogen, dolken en speren met koperen kop als wapens. Onderzoekers menen dat hun behoefte aan koper (en goud) in grote mate tot de ontwikkeling van de metaalbewerking in Europa heeft bijgedragen. Opvallende verandering is verder het begraven in individuele graven, bedekt door grafheuvels, en het meegeven van grafgiften zoals hakbijlen, bekers en messen. Het lichaam van de overledene was in opgevouwen foetushouding oost-west georiënteerd. In het zuiden van de Lage Landen werden megalietgraven opgericht en menhirs, waarvan de juiste betekenis nog steeds niet achterhaald is. Zo zouden de twee dolmens bij Wéris (Dolmen van Wéris en Dolmen van Oppagne) gebouwd zijn door de Seine-Oise-Marnecultuur in het laat-neolithicum.Culturen uit het laat-Neolithicum Gezien de gevonden beenderresten zouden ze, mogelijk in een latere periode, zijn gebruikt als begraafplaatsen. Dolmens, menhirs en natuurlijke stenen rond Wéris zijn op lijnen geplaatst over de betekenis waarvan druk gespeculeerd wordt. Michel Toussaint, Les mégalithes en Wallonie, Carnets du patrimoine nr. 23, p. 11, NRW, 1997

Bronstijd (−2.000-700)

De wikkeldraadbekercultuur zette zich in de vroege bronstijd door in de regio, en er duiken bronzen voorwerpen op. Deze zijn aanvankelijk afkomstig geweest uit Centraal-Europa, waar de Úněticecultuur voor dergelijke artefacten zorgde. Maar er ontstond nu ook een - bescheiden - eigen productie van bronzen voorwerpen (de Hunze-Eems industrie in het noorden, en een andere langs de Maas in Limburg).

miniatuur|Het hypothetische Noordwestblok tussen 1800 en 800 v.Chr., de Elp- en de Hilversumcultuur. In het noordoosten van de Lage Landen onderscheidde zich vanaf 1.800 v.Chr. de Elpcultuur, bekend om haar gebruik van het langhuis, dat mensen en dieren in hetzelfde gebouw huisvestte. Vanaf 1.200 verandert hun grafcultuur in crematie.