De Marollen (Frans: Les Marolles) is een wijk in de Belgische stad Brussel. Het is de oudste volksbuurt van Brussel, gelegen tussen het Justitiepaleis en het Zuidstation. In het hart van de Marollen bevinden zich de Miniemenkerk, de Kapellekerk en het Vossenplein, bekend van de rommel- en brocantemarkt die er dagelijks plaatsvindt. De grote verkeersaders door de Marollen zijn de Hoogstraat, de Blaesstraat en de Huidevetterstraat. Inwoners van de Marollen worden, op zijn Frans, Marolliens genoemd.
Ongeveer sinds de overgang van de 20ste naar de 21ste eeuw zijn de Marollen aan een opmars begonnen en klimt de buurt uit een dal. Vroeger was het straatbeeld vol met zwervers en drugsdealers, maar tegenwoordig vestigen zich er steeds meer hippe winkels en spreekt men zelfs over verzaveling.
thumb|Een apostolline of marollezuster (tekening 1811) miniatuur|Reuzen van het Bruegelcomité, Marollen thumb|Een aanrijding bij de Hallepoort, 1823 thumb|Volksvermaak in de Marollen (1876) thumb|Gendarmen chargeren betogers in de Marollen (1902) thumb|De Marollen aan de voet van het Justitiepaleis (1910) thumb|Kapucijnenstraat thumb|Oude huizen in de Hoogstraat thumb|Een verdwenen stuk Miniemenstraat op een aquarel van Jacques Carabain (1897)
Etymologie De wijknaam heeft een mogelijk religieuze oorsprong. Volgens de traditie kwamen in 1691 de zusters apostolinnen naar wat toen Bovendaal heette en nu de Montserratstraat.Constant Van De Wiel, "Drie eeuwen apostolinnen. Archiefstukken", in: Ons Geestelijk Erf, 1979, nr. 53, p. 305 In deze prostitutiewijk wilden ze 'gevallen meisjes' verbeteren. Blijkbaar gingen ze door voor marollen, een volkse naam die het eerst gebruikt werd om de maricolenzusters aan te duiden, Mariavereerders waarmee de apostolinnen verwant waren. Al spoedig stond de straat bekend als op de Marollen. De zusterlijke aanwezigheid was van korte duur, want al in 1715 verhuisden ze naar de Hooikaai. In 2018 werd betoogd dat de apostolinnen zelfs nooit in de bovenstad hebben verbleven.Luc Surdiacourt, De Marollen. Een eeuwenoud misverstand, 2018
Een alternatieve verklaring brengt de naam meer rechtstreeks in verband met het prostitutieverleden van Bovendaal. Marolle zou een aanduiding zijn geweest voor meisje van lichte zeden, slet. Dit ging terug op de losbandige praktijken waarvoor rond die tijd de abdij van Marolles in opspraak was gekomen. In het Frans ging men zelfs ironisch spreken van pucelle des Marolles ('Marollenmaagd') als men een meisje van lichte zeden bedoelde. Het soms aangehaalde verhaal dat de wijknaam teruggaat op de Henegouwse arbeiders die hun (stink)kaas Maroilles meebrachten, verwijst trouwens naar de kaas van diezelfde abdij (waarvan de naam etymologisch een identieke oorsprong heeft als Maricolen: Mariavereerders).
Geografie De Marollen bevinden zich ten zuiden van het centrum van Brussel, in de onderste punt van de vijfhoek. De wijk heeft een oppervlakte van 52 hectare. Het Poelaertplein, de Zuidlaan, de Noord-Zuidverbinding, het Kapelleplein en de Miniemenstraat vormen de grenzen van de Marollen. Twee bijna evenwijdige assen, de Hoogstraat en de Blaesstraat, doorkruisen de wijk.
Historisch lagen de Marollen hoger dan nu en beperkten ze zich tot de Montserratstraat en enkele kwalijk gereputeerde straten errond (Miniemenstraat, Voorzorgsstraat, Valkstraat, Waaierstraat, Onze-Lieve-Vrouw-van-Gratiestraat).Jean d'Osta, Dictionnaire historique et anecdotique des rues de Bruxelles, 1986, p. 224 Vlak ernaast heeft de bouw van het Justitiepaleis de buurt geamputeerd van dichtbevolkte stegen en honderden huizen.
Geschiedenis Middeleeuwen Het gebied waar nu de Marollen liggen, groeide rond de Kapellekerk, zo genoemd omdat men er in 1134 een kapel bouwde gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. Vlug kwamen daar wat woningen van ambachtslui rond. Nog een kilometer verder, langs de oude Romeinse heirweg, kwam een leprozerie (melaatsen werden toen uit de stad gebannen). Dat zijn de twee plaatsen waartussen de Marollen zouden groeien: de Kapellekerk enerzijds en anderzijds het Sint-Pietershospitaal. Daartussen loopt de Hoogstraat.
In de 13e eeuw werd Brussel omringd door de eerste omwalling. De Marollen vielen daarbuiten, want die omwalling diende minder om de stad te beschermen tegen de vijanden van buiten de stad, dan om de armen (nogal opstandig grauw) op afstand te houden. 's Avonds werden bij het sluiten van de stadspoorten de klokken geluid en moesten de arbeiders, bedelaars en ander plebs dat elders hoorde de stad verlaten.
De eerste vermelding van een Walsche Plaetse (1328) wijst wellicht op een vroege aanwezigheid van Franstalige handelaars en ambachtslui in de wijk.Bram Vannieuwenhuyze, Brussel, de ontwikkeling van een middeleeuwse stedelijke ruimte , Proefschrift Geschiedenis, Universiteit Gent, 2008, nr. 1.1.693. Gearchiveerd op 28 augustus 2021. De wijk was een logische aankomstplaats voor migranten uit het zuiden.
De handwerkers veroorzaakten vanaf de 14e eeuw voortdurend onlusten. De Marolliens, wevers en anderen, eisten hun rechten op. De heetste episode vond plaats in 1360: in een gecoördineerde opstand (meutemaquerie) vielen arbeiders de Steenpoort aan, maar de patriciërs stichtten brand in hun wijk en hakten hen dan in de pan.
Een tweede omwalling bracht de Marollen in 1383 volledig binnen de stadsmuren. In de wijk vestigden zich veel kleine ambachtslui. Deze beroepen vindt men terug in de straatnamen: de huidevetters (leerlooiers), goudsmeden, stoelenmakers, borduurders, timmerlieden. De bevolking groeide maar aan, met als gevolg dat de spanning ook steeg.
In 1405 woedde er brand in de wijk en werden vooral scaerlaekenmaekers getroffen. Eigentijdse kronieken schatten de verwoesting op meer dan duizend vernielde huizen en weefgetouwen.Alexandre Henne en Alphonse Wauters, Histoire de la ville de Bruxelles, 1845, vol. I, p. 181
16e eeuw Als eersten vestigden de kapucijnen in 1587 een klooster met 70 cellen in de wijk. Hun strenge maar contemplatieve leven maakte dat keizer Jozef II hen in 1783 indeelde bij de onnutte kloosters en afschafte.
17e eeuw Nogal wat kloosterorden zagen de grote armoede in de Marollen en kwamen zich hier vestigen: o.a. de miniemen (1616), de brigittinnen (1623), de visitandinnen (1660) en de apostolinnen (1691). De kloosters zelf zijn niet bewaard, wel een tweetal kerken (Sint-Jans en Sint-Stevenskerk der Miniemen en Brigittinnenkapel).
19e eeuw De industrialisering van de 19e eeuw bracht verpaupering in de Marollen, door Adolphe Quételet in kaart gebracht met de nieuwste statistische methodes. De mensen leefden opeengepakt in krotwoningen zonder hygiëne. Langzaam en tegen de repressie in groeide hier de arbeidersbeweging, die sociale en ook politieke eisen begon te stellen. In het café De Blauwe Lemmen (toen nog aan de Brigittinen, nu op het Vossenplein) werd in 1848 de Belgische Liga voor het Algemeen Stemrecht opgericht, onder impuls van Jacob Kats.
De 19e eeuw bracht ook grote stedenbouwkundige ingrepen in de Marollen. De overheid, die de veiligheid als reden opgaf, liet een tweede verkeersader door de buurt trekken: de Blaesstraat (1858). Langs die straat kwamen de brandweerkazerne (1863) en het Vossenplein (1854) als nieuwe bakens in de buurt. Maar vooral de bouw van het Justitiepaleis op de Galgenberg is markant. Niet omdat dit werk van Joseph Poelaert toen het grootste gebouw van Europa was, maar omdat de eerste onteigeningen in de Marollen plaats hadden. "De gebouwen waren van een dusdanige slechte kwaliteit, dat de vergoeding voor onteigening te verwaarlozen is", was de verantwoording van de overheid. De gigantische werf sleepte aan van 1866 tot 1883. Niet te verwonderen dat een scheldnaam als "schieve, rotte, vuile architect" in de Marollen ontstond. Tijdens de inauguratie drong een bende het paleis binnen en sloegen ze alles wat ze konden kort en klein.
Ondertussen waren de religieuzen teruggekeerd in de wijk: kapucijnen, Zwarte Zusters, Kleine Zusters van de Armen en Dochters van Liefde. Die laatsten vestigden zich op nr. 150 van de Hoogstraat. Hun klooster werd later een weeshuis, dan een school en eindelijk, in dezelfde geest, huisvesting voor kansarme gezinnen: "Le Nouveau 150".
20e eeuw De eeuwwisseling was woelig in de Marollen. De sociale strijd bereikte een kookpunt. Op Rode Pasen van 1899 was vlak bij het Volkshuis van Horta geopend, maar de aspiraties reikten verder. Demonstraties en stakingen vonden plaats in de Hoogstraat en op het Kapelleplein om het enkelvoudig stemrecht te bekomen. Marollenzoon Jean Volders had het vuur aan de lont gestoken maar was voortijdig overleden. Een en ander culmineerde in de gewelddadig neergeslagen staking van 1902.
De repressie haalde voorlopig de bovenhand, maar de autoriteiten beseften dat ze de leefomstandigheden in de Marollen moesten verbeteren. De armoede werd steeds maar groter, de bevolking groeide aan, maar het sanitair was beperkt aanwezig. In sommige cafés bleven de minstbedeelden slapen "op de koord". Ze sliepen op hun stoel, met hun armen op een koord dat de bazin had gespannen. Eind 19e en begin 20e eeuw werden sociale woningen gebouwd zoals de Cité Hellemans (1915).
Gedurende de Eerste Wereldoorlog stond op de esplanade van het Justitiepaleis een kanon, gericht op de Montserratstraat.
Kort voor de Tweede Wereldoorlog arriveerden nieuwe groepen migranten in de Marollen: Spaanse republikeinen en Poolse Joden. Ondanks de overbevolking in de impasses was er een zekere samenhorigheid. Tijdens de oorlog was er in de Radijzenstraat een zwarte markt, maar tevens spanden de Marolliens samen om Joden stiekem te herbergen. Op 3 september 1942 hield het Duitse leger met groot machtsvertoon een pogrom in de Marollen.Grote pogrom in Marollen herdacht, BRUZZ, 3 september 2017 Veel Joden hadden wijselijk geen Jodenster afgehaald, maar werden nu opgespoord op basis van de Jodenregisters. Die dag werden er 718 van hen opgepakt en per vrachtwagen afgevoerd naar de Dossinkazerne, eindbestemming Auschwitz. Wie naar de grond kijkt, komt in de Marollen regelmatig een Stolperstein tegen.
Na de oorlog werden goedkope sociale woonblokken gebouwd, zoals de Nieuwe Blokken in de Hoogstraat (1952-65) en andere projecten in de Miniemenstraat, de Radijzenstraat, de Brigittinen en de Krakeelbuurt. Ook de uitbreiding van het Sint-Pietershospitaal in de jaren 60 bracht grote onteigeningen teweeg. Georganiseerd protest brak los in 1969, toen uitbreidingsplannen voor het Justitiepaleis slechte herinneringen losmaakten. De Montserratstraat, Priesterstraat, Voorzienigheidsstraat en Wolstraat waren bedreigd, maar ditmaal waren de Marolliens vastberaden. Ze vormden een comité dat bij de verschillende ministeries ageerde. Die periode is bekend onder de naam "Bataille de la Marolle". In september was de strijd gewonnen. Een gedenkplaat stelt opgelucht: Hier ligt de promotor en zijn trouwe echtgenote de bureaucratie. Eeuwige concessie. Als gevolg daarvan werd een pilootproject (OPRM) voor de renovatie van de Marollen gepland. Het werd goedgekeurd in 1974 en vanaf 1977 stilaan uitgevoerd.
Twintig jaar na de Strijd om de Marol, werden de bewoners van de Samaritanessenbuurt massaal uit hun woning gezet (1989). Zogenaamd omdat het er ongezond was, maar de echte reden was de uitbreiding van de handelszaken rond de Zavel en de Miniemenstraat. De politie zette iedereen op straat, maar in herhuisvesting was niet voorzien. Daarom werd besloten uit protest op straat te slapen. De "Operatie Matras" duurde twee maanden. Nadien kregen de meeste daklozen vervangende woonruimte. Er werd ook een wijkcontract uitgewerkt. Niet alleen de straatbewoners protesteerden, maar ook vakbondsleden en priesters.