De Hollandse Brigade was een eenheid van het leger van het Koninkrijk Holland onder bevel van generaal-majoor David Hendrik Chassé. De brigade werd in september 1808 door koning Lodewijk Bonaparte naar Spanje gestuurd, op verzoek van zijn broer, de Franse keizer Napoleon, om aan Franse zijde te vechten in de Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog.

De brigade nam deel aan een reeks belangrijke veldslagen, maar werd in een later stadium vooral ingezet tegen guerrillastrijders. Na de inlijving van het Koninkrijk Holland door het Franse keizerrijk in 1810 werd de brigade ontbonden en gingen de militairen van de brigade op in het Franse 123e linieregiment, dat niet alleen in Spanje vocht maar ook deelnam aan de veldtocht naar Rusland in 1812.

Geschiedenis Formatie van de brigade (augustus-september 1808) Op 17 augustus 1808 eiste keizer Napoleon van zijn broer, koning Lodewijk van Holland, dat hij een brigade zou leveren voor de veldtocht in Spanje. De brigade, die uit veteranen moest bestaan, moest binnen 10 dagen richting Spanje vertrekken. De brigade moest bestaan uit in totaal 3000 man: een regiment cavalerie van 600 man te paard een compagnie artillerie met drie stuks kanonnen en drie houwitsers drie bataljons infanterie met in totaal 2.200 man een genie-eenheid van mineurs en sappeurs.

Lodewijk, die over het algemeen de belangen van zijn koninkrijk voortrok boven die van Napoleon, gaf in dit geval onmiddellijk toe aan de eis van zijn broer, hoewel het relatief kleine Hollands leger (bestaande uit ongeveer 22.000 man) al zo'n 6.000 man naar Duitsland had gestuurd om aan Franse zijde te vechten. De Hollandse minister van Oorlog, Jan Willem Janssens, en de Hollandse opperbevelhebber Jean-Baptiste Dumonceau stelden voor om generaal-majoor David Hendrik Chassé het bevel te geven over de brigade. Zijn staf werd samengesteld uit:De Moor & Vogel, pp.33-46 luitenantkolonel Vermeulen als stafchef, geassisteerd door kapitein van de cavalerie Van Zuylen van Nijevelt. kolonel A. Lycklama à Nijeholt als bevelhebber van de infanterie majoor F.F.C. Steinmetz als bevelhebber van de artillerie en genie kolonel O.F. von Goes als bevelhebber van de cavalerie (later kolonel Van Merlen) kapitein H.R. Trip als bevelhebber van een compagnie rijdende artillerie chirurgijn G. Sebel als bevelhebber van een veldhospitaal

Het vinden van beschikbare troepen voor de brigade bleek moeilijker. Oorspronkelijk werd het eerste bataljon van het 3e regiment jagers, dat in Zeeland gelegerd was, uitgekozen. Deze eenheid bleek echter zo zwaar getroffen door Zeeuwse koorts (waarschijnlijk malariaDe Zeeuwse koorts zou ook in 1809 de Britse troepen zwaar treffen tijdens de Walcherenexpeditie) dat de meeste soldaten niet geschikt waren voor militaire dienst. De legerleiding was daarom gedwongen om een andere bataljon in te zetten voor Spanje, het 2e bataljon van het 4e linieregiment, onder bevel van luitenantkolonel C.L. von Pfaffenrath. Het tweede bataljon infanterie die aan de brigade werd toegekend was afkomstig van het 2e linieregiment in Groningen en stond onder bevel van kolonel A.W. Storm de Grave. De cavalerie bestond uit vier eskadrons van het 3e regiment huzaren.

Problemen met het vinden van uitrusting en voorraden voor de infanterie, waaronder schoenen, vertraagden ook het vertrek van de brigade. De cavalerie daarentegen was klaar voor vertrek. De beschikbare troepen, 2.200 van de 3.000 die gepland waren, verzamelden nabij Bergen op Zoom. De resterende 800 man zou later volgen. Op 1 september brak er opstand uit onder de infanterietroepen omdat er een achterstand was ontstaan in de uitbetaling van soldij. De regering wist een voorschot te regelen, waardoor de troepen weer tot bedaar kwamen. Een dag later, 2 september, vertrok de brigade richting Frankrijk.De Moor & Vogel, pp.44-53

De mars naar Spanje (september-oktober 1808) De brigade was gedwongen om zich over land naar Spanje te begeven. Transport per schip was onmogelijk omdat de Britse vloot volledige heerschappij had over de zee en de havens blokkeerde. De troepen marcheerden via Antwerpen, Gent, Luik en Amiens naar Parijs. Hoewel de Franse overheid had beloofd de brigade van voedsel en onderdak te voorzien, bleken de plaatselijke autoriteiten langs de route nergens van af te weten. De Hollandse kwartiermeester O.J. RomarRomar was eigenlijk een ambtenaar van het Ministerie van Oorlog maar zijn taken waren vergelijkbaar met die van een kwartiermeester; Cf. De Moor & Vogel, p.49. moest zelf voorraden regelen, wat zwaar op de beschikbare middelen inhakte. De soldaten moesten noodgedwongen zelf voedsel kopen van de plaatselijke bevolking met hun magere soldij (drie stuivers per dag), wat duidelijk niet genoeg was, waardoor ze getroffen werden door honger en uitputting. De jonge officieren, die overigens zelf genoeg te eten hadden en per koets reisden, begonnen openlijk kritiek te leveren op Chassé.De Moor & Vogel, pp.55-59

De brigade kwam op 19 september aan in Saint-Denis, nabij Parijs. Inmiddels was de brigade geslonken tot 2130 man en 846 paarden. Chassé klaagde onmiddellijk bij minister Janssens over het gebrek aan ondersteuning. Janssens gaf daarop instructie aan de Hollandse ambassadeur in Parijs, admiraal Verhuell, om de Franse autoriteiten onder de druk te zetten om alsnog de beloofde steun te geven en de voorschotten te betalen (met behulp van de bankiers Audenet and Slingeland).

Op 20 september trok de brigade in parade langs koningin Hortense de Beauharnais, de echtgenote van koning Lodewijk. De volgende dag inspecteerde keizer Napoleon de troepen in gezelschap van maarschalk Lefebvre. Dit maakte indruk op de soldaten. Napoleon gebruikte de gelegenheid om de infanteriebataljons te herorganiseren. Hij bracht het aantal compagnieën per bataljon terug van negen naar zes. Ook bracht hij de brigade onder bij de zogenaamde Duitse divisie die ook eenheden uit een reeks Franse vazalstaten in Duitsland omvatte, waaronder Nassau en Baden. De divisie, onder bevel van de Franse generaal Leval, zou deel uitmaken van het IV Korps van maarschalk Lefebvre. Daarnaast regelde Napoleon twee regimentele depot, een voor de infanterie in Saint-Denis en een voor de cavalerie in Versailles, waar de zieke en uitgeputte soldaten (208 man, waaronder majoor Steinmetz) verzameld konden worden om aan te sterken en uiteindelijk naar hun eenheden in Spanje gestuurd te worden.De Moor & Vogel, pp.60-63

De brigade vertrok uit Parijs op 22 september. Ze marcheerden via Chartres, Le Mans, Saumur, Niort en Bordeaux naar Bayonne aan de Frans-Spaanse grens. Deze keer kreeg de brigade een veel betere ontvangst van de plaatselijke bevolking. De troepen kregen eenzelfde behandeling als Franse troepen. Op 24 oktober kwam de brigade aan in Bayonne. De stad was het startpunt geweest van de Franse inval in Spanje en was nog steeds vol soldaten. De brigade wist zich in de chaos stand te houden, met dank aan kwartiermeester Romar, die de Fransen zelfs wist over te halen nieuwe uniformjassen en schoenen aan de brigade te verschaffen.

De sterkte van de brigade was inmiddels gedaald naar 1700 man.Dit aantal zou worden aangevuld met versterkingen van ongeveer 800 man onder bevel van kolonel Alberti en kapitein C. van Stapele die de Hollandse regering in november en december stuurde; cf. De Moor & Vogel, pp. 70–72 De overlevenden waren wel de sterksten; de zware mars had de zwaksten uitgeschakeld. Ook hadden de gedeelde ervaringen een sterk gevoel van kameraadschap gekweekt.

Toen de brigade Spanje binnenmarcheerde, bleek dat de eenheid zichzelf moest zien te redden, in concurrentie met de Franse troepen en andere geallieerde eenheden voor voedsel en onderdak. Een andere onverwachte tegenvaller waren de Spaanse guerrilla's (brigands genoemd door de Fransen) die een constante dreiging vormden voor de Franse bevoorradingslinies. De brigade marcheerde via Irun, Tolosa, Mondragón en Durango naar Bilbao, waar ze eind oktober aankwamen.De Moor & Vogel, pp.46-76

Durango (31 oktober 1808) Bijna onmiddellijk na aankomst in Spanje nam maarschalk Lefebvre de brigade de cavalerie, artillerie en genie af, ondanks protesten van Chassé en de opdracht van koning Lodewijk om de eenheid bij elkaar te houden. De genie verdween uit zicht en was, zo bleek later, naar Burgos gestuurd om de citadel daar te versterken. Ze zouden de citadel later vernietigen in een achterhoedegevecht op 10 mei 1811, kort voordat de Britten de citadel in zouden nemen.De Moor & Vogel, pp.76, 166-167 De huzaren werden opgenomen in een cavaleriebrigade van de divisie van generaal Sébastiani.Costa de Serda, p.17

De rest van de brigade, bestaande uit de infanteriebataljons, werd toegekend aan de divisie van Leval. Deze divisie omvatte, naast de Nederlandse troepen van het regiment uit Nassau, ook een regiment uit Baden, een regiment uit Hessen-Darmstadt, een bataljon uit Frankfurt, een bataljon van de Parijse militie (Garde municipale de Paris) en twee batterijen artillerie.Costa de Serda, p.15 Deze divisie-Leval maakte samen met de divisie-Sébastiani en de divisie-Villatte deel uit van het IV Korps van maarschalk Lefebvre. Het legerkorps was geconcentreerd rond Durango, met het doel Bilbao in te nemen en vervolgens naar Madrid op te trekken.De Moor & Vogel, pp.76-77 Om dit doel te bereiken, moest wel eerst het Spaanse leger van generaal Joaquín Blake verslagen worden.

De Spaanse en Franse legers troffen elkaar bij Durango op 31 oktober in wat bekend werd als de slag bij Pancorbo of slag bij Durango. Maarschalk Lefebvre had de Hollandse Brigade een dag eerder geïnspecteerd, waarbij hij de troepen motiverend toesprak. Onder tijdelijk bevel van generaal Villatte wisten de Hollandse soldaten de Spaanse van twee heuvels te verdrijven.Borreil, p.3 Boven op een van de heuvels gaven de Hollanders een vuursignaal aan het Franse midden (de divisie-Sébastiani) en de rechterflank (de divisie-Leval) om aan te geven dat ze hun aanval konden beginnen. Chassé leidde vervolgens de achtervolging van de vluchtende Spanjaarden. Hij ontving voor zijn optreden tijdens de veldslag het Legioen van Eer. Vijf andere officieren van de Hollandse Brigade kregen een medaille voor bonne conduite et bravoure (goed gedrag en heldhaftigheid).De Moor & Vogel, pp.80-83

Op 9 november bereikte de Hollandse brigade Valmaseda terwijl die plaats werd geplunderd door Franse troepen als vergelding voor de moord van drie Fransen. Aanvankelijk begonnen ook de Hollandse soldaten te plunderen, maar ze werden al snel weer onder controle gebracht door de officiers. Kapitein van Oudheusden wist met getrokken sabel te voorkomen dat enkele Spaanse vrouwen door Franse grenadiers verkracht zouden worden.De Moor & Vogel, p.84

Arenas de San Pedro (25 februari 1809) en Mesas de Ibor (17 maart) In de daaropvolgende maanden werd de brigade voornamelijk ingezet voor bewakings- en escortdienst. Chassé werd op 9 november benoemd tot militair gouverneur van Bilbao en de brigade werd ingezet als bezettingsmacht. Chassé leidde 500 man op een verkenningsmissie naar het kustgebied ten westen van Bilbao. Op 14 december werd hij teruggehaald om met de brigade naar Madrid te marcheren. De extreem koude, winterse mars door hooggelegen gebied bleek zeer moeizaam. Er was weinig voedsel en andere voorraden langs de route omdat de plaatselijke bevolking gevlucht was en voorgaande eenheden al alles van waarde hadden geplunderd. Madrid werd enkele weken later bereikt, op oudejaarsavond 1808.De Moor & Vogel, pp.84-90