Rhamphorhynchus is een geslacht van uitgestorven vliegende reptielen, een pterosauriër, behorend tot de groep van de Breviquartossa, dat tijdens het Laat-Jura in Europa leefde.
De eerste fossielen van Rhamphorhynchus werden in het begin van de negentiende eeuw ontdekt in Duitsland. In 1847 kreeg het dier zijn naam die 'snavelsnuit' betekent. Er zijn van Rhamphorhynchus meer volledige skeletten gevonden dan van enige andere pterosauriër. Omdat die van elkaar verschilden in grootte, zijn er wel eenentwintig soorten van het geslacht Rhamphorhynchus benoemd. Later bleek die variatie veroorzaakt te zijn door een verschil in leeftijd. Tegenwoordig denken de wetenschappers daarom dat er maar één echte soort is: Rhamphorhynchus muensteri. Rhamphorhynchus lijkt daarmee een monotypisch geslacht te zijn.
Doordat er zoveel fossielen gevonden zijn, is het skelet volledig bekend. De soort is zeer nauwkeurig bestudeerd. Rhamphorhynchus had een spitse kop met zeer lange vooruitstekende spitse tanden. Daarmee ving hij vis op zee. De fossielen zijn van zo'n hoge kwaliteit dat ze soms ook de afdrukken laten zien van de vlieghuid. Die had stijve ribbels waardoor hij op spanning kon worden gehouden en daartussen verbindende spiertjes om het vleugelprofiel aan te passen. Rhamphorhynchus had lange smalle vleugels, vergeleken met de korte nek en romp. Aan het uiteinde van de lange staart zat een ruitvormig vaantje dat als roer diende. De lange voeten hadden vliezen om mee te zwemmen.
Rhamphorhynchus bereikte in twee jaar zijn volwassen grootte met een vleugelspanwijdte van ongeveer een meter. Hij groeide dus niet heel snel en sommige geleerden denken daarom dat de soort niet echt warmbloedig was. Hij had in ieder geval wel een vacht en zeer goede longen zodat hij bij het vliegen een hoge stofwisseling en een groot uithoudingsvermogen had. Ook volwassen dieren bleven nog langzaam doorgroeien. Er zijn exemplaren gevonden met een spanwijdte van honderdtachtig centimeter.
Naamgeving In 1820 publiceerde Johann Baptist von Spix de vondst van een derde en vierde vingerkootje van de vleugelvinger van een pterosauriër. In 1937 werd begrepen dat deze vermoedelijk van Rhamphorhynchus afkomstig waren maar von Spix had ze per abuis toegewezen aan de vleermuis Pteropus vampyrus, de kalong, een huidige soort. left|thumb|Het holotype van Ornithocephalus muensteri Het eerste fossiel van Rhamphorhynchus dat een rol zou spelen in de naamgeving van het geslacht werd in 1825 gemeld door de verzamelaar Georg Graf zu Münster, toen die Samuel Thomas von Soemmerring naar diens mening vroeg over een fossiel, bestaande uit schedel en onderkaken op een steenplaat uit de Solnhofener kalksteen, daterend uit het vroege Tithonien, ongeveer 150 miljoen jaar geleden. Von Soemmerring meende dat het de zeer zeldzame resten van een versteende vogel betrof, een Ornitholith ('vogelsteen'), verwant aan de meeuwen. Toen verdere preparatie tanden aan het licht bracht, ontstond over deze identificatie twijfel bij Georg Graf zu Münster en in 1830 zond hij een afgietsel van de vondst naar professor Georg August Goldfuss. Die herkende het als het fossiel van een pterosauriër. Hij had daarbij het voordeel het nu te kunnen vergelijken met het fossiel van de pas ontdekte Scaphognathus. In 1831 benoemde Goldfuss het als Ornithocephalus Münsteri, een nieuwe soort van het geslacht Ornithocephalus. Ornithocephalus was een naam die door von Soemmerring gegeven was aan het oorspronkelijke exemplaar van Pterodactylus antiquus en die pas later begrepen zou worden als een jonger synoniem en dus een ongeldige naam. In het Grieks betekent deze 'vogelkop' en zou in dit geval dus wel mooi aangesloten hebben bij de vondstgeschiedenis. De soortaanduiding münsteri, toen nog met een hoofdletter gespeld, eert vanzelfsprekend Georg Graf zu Münster. Deze meldde al in 1830 fossiel en naam trots in zijn documentatie, maar meestal wordt als jaar van naamgeving 1831 beschouwd toen Goldfuss zelf in een boek over fossiele reptielen nog een beschrijving gaf, omdat de documenten van Georg Graf zu Münster pas later gepubliceerd zouden worden — hoewel zoiets lang niet altijd als beslissend wordt gezien.
In 1839 benoemde Georg Graf zu Münster een tweede fossiel als een nieuwe soort: Ornithocephalus longicaudus. De soortaanduiding betekent 'langstaart' in het Latijn, een verwijzing naar een opvallend verschil met de fossielen van Pterodactylus antiquus die juist een erg korte staart heeft. Dit specimen, holotype TM 6924, zou later aan het Teylers Museum in Haarlem verkocht worden. right|thumb|350px|TM 6922, Rhamphorhynchus gemmingi In 1845 hernoemde Christian Erich Hermann von Meyer Ornithocephalus münsteri tot Pterodactylus münsteri, aangezien hij de twee geslachten identiek achtte en die laatste en eerdere naam dan prioriteit heeft. Von Meyer ging er in 1846 toe over een ondergeslacht te benoemen: Pterodactylus (Rhamphorhynchus), afgeleid van het Klassiek Griekse rhamphos, 'bek' of 'snavel' en rhynchos, 'snuit', een verwijzing naar de karakteristieke kop van de vorm, die veel meer dan Pterodactylus een vogelachtige bek leek te hebben. Echter, deze naam was niet voor P. münsteri bedoeld maar voor alweer een derde soort: Pterodactylus (Rhamphorhynchus) Gemmingi. De soortaanduiding eert kapitein en fossielenverzamelaar Carl Eming von Gemming die in 1845 de vondst publiceerde van een fraai fossiel, dat hij later voor driehonderd gulden aan het Teylers Museum zou verkopen. In 1847 verhief von Meyer het taxon tot de rang van vol geslacht: Rhamphorhynchus. Dat omvatte toen alleen R. longicaudus en R. gemmingi; von Meyer zag toch vooral de lange staart als beslissend en het oorspronkelijke specimen miste de staart. Pas in 1861 zou Richard Owen P. münsteri hernoemen naar Rhamphorhynchus münsteri. Deze soort werd hierdoor nog niet de typesoort van het geslacht ondanks dat zij als soort eerder benoemd is; deze bleef R. longicaudus of strikt gesproken Ornithocephalus longicaudus. In 1888 emendeerde Richard Lydekker münsteri naar muensteri omdat het Latijn geen umlaut kent. Het holotype van de soort, het fossiel van Georg Graf zu Münster, is tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. Peter Wellnhofer heeft in 1975 afgezien van de aanwijzing van een neotype, vervangend specimen, omdat er goede afgietsels zijn van het holotype, onder andere BSP 1964.XXIV.121 en BMNH R.231. Zulke driedimensionale kopieën die van voldoende kwaliteit zijn dat van andere specimina ermee getoetst kan worden of die tot hetzelfde taxon behoren, heten plastotypen. left|thumb|Een tweede specimen van R. longicaudus, TM 6930 Het geslacht Rhamphorhynchus werd eerst niet aanvaard door Johann Andreas Wagner die een tijd Ornithocephalus bleef gebruiken, wat in 1851 een O. gemmingi, een O. grandis en een O. secundarius opleverde. De laatste twee namen waren gebaseerd op oudere vondsten van slechte kwaliteit, die respectievelijk in 1824 door Georges Cuvier en in 1843 door von Meyer als soorten van Pterodactylus waren beschreven. De naam van Cuvier wordt door de onmogelijkheid het fossiel goed te identificeren gemeenlijk als een nomen dubium beschouwd.
In de loop der tijd werden in Duitsland van Rhamphorhynchus vele fossielen gevonden, die sterk van elkaar verschilden in grootte, houding, compleetheid en kwaliteit. Het gevolg was dat veel vondsten als aparte taxa werden benoemd, soms als soorten maar ook als nieuwe geslachten. De soorten betroffen: R. suevicus, R. hirundinaceus, R. curtimanus, R. longimanus, R. meyeri, R. phyllurus, R. megadactylus, R. carnegiei, R. longiceps, R. kokeni en R. intermedius.
De geslachten waren: Ornithopterus, een naam in 1860 door von Meyer zelf aan een slecht exemplaar gegeven; en Pteromonodactylus, een door W.A. Teriaew in 1967 gegeven naam. Eigenaardig is het geval van Odontorhynchus aculeatus, in 1936 door Ernst Stolley aan een nu verloren gegaan fossiel gegeven; de naam was al in 1864 bezet door een winterkoning maar een vervangingsnaam is overbodig omdat het vermoedelijk een jonger synoniem is van Rhamphorhynchus. In 1956 werd nog eens exact dezelfde soortnaam gegeven aan een platworm!
Daarnaast werd soms materiaal aan Rhamphorhynchus toegewezen waarvan we nu weten dat het niets met dat geslacht van doen heeft. Dat resulteerde in een R. banthensis (in feite Dorygnathus), R. goldfussi (vermoedelijk Dorygnathus), R. ensirostris (eveneens Dorygnathus en daarbij een nomen oblitum), R. macronyx (idem) en een R. crassirostris (in feite Scaphognathus).
Ook fossiel materiaal van buiten Duitsland werd soms bij Rhamphorhynchus ondergebracht. Dat betreft om te beginnen de drie soorten die tegenwoordig Rhamphocephalus vormen. Verder is op basis van zeven wervels en wat elementen van het bekken en de achterpoten R. jessoni uit de Oxford Clay van Huntingdonshire benoemd en op basis van losse botten uit Tanzania R. tendagurensis. De laatste twee soorten worden tegenwoordig gezien als nomina dubia; het materiaal is op zich niet te onderscheiden van het Duitse maar te incompleet dat het toch niet om heel andere vormen zou kunnen gaan. Tanden en een vierde vleugelvingerkootje uit Portugal, gevonden bij Guimarota, zijn in 1973 beschreven als een verder niet te determineren Rhamphorhynchus sp.[ecies].
Door de overmaat aan soorten en de slechte onderbouwing ervan ontstond er behoefte om het kaf van het koren te scheiden en hun aantal terug te brengen tot die vormen die echt verschillend waren. Koh Ting-Pong meende in 1937 dat van de veertien Solnhofener soorten er maar twee valide waren: R. muensteri en R. gemmingi. Wellnhofer verwierp echter in 1975 zo'n radicale oplossing en erkende naast R. muensteri ook R. longicaudus, R. gemmingi, R. longiceps en R. intermedius. Deze onderscheidden zich vooral in hun grootte. Een studie van Christopher Bennett uit 1995 concludeerde dat dit alle slechts groeistadia waren van één enkele soort: Rhamphorhynchus muensteri. Bennett verwierp de mogelijkheid dat het gedeeltelijk om een evolutionaire reeks zou gaan, waarbij R. longicaudus de voorouder zou zijn van R. intermedius, omdat de stratificatie niet goed was vast te stellen en de gegevens elkaar tegenspraken. Hoewel de enige soort is R. muensteri ook daarmee niet de typesoort van het geslacht; dit blijft Ornithocephalus longicaudus ondanks dat het een jonger synoniem is gebleken te zijn.
In 2015 werden losse vleugelbotten uit de Kimmeridge Clay van Engeland, specimen IVPP V20796, benoemd als de soort Rhamphorhynchus etchesi. De soortaanduiding eert de verzamelaar Steve Etches. De soort onderscheidt zich door een nog iets langer eerste dan tweede kootje van de vierde vinger.
Lijst van benoemde soorten thumb|Een diagram van de schedel van Rhamphorhynchus muensteri Het resultaat van het naamgevingsproces kan weergegeven worden in een lijst. Objectieve synoniemen (namen die op hetzelfde type gebaseerd zijn): Ornithocephalus muensteri Goldfuss, 1831 emend. Lydekker, 1888 Pterodactylus muensteri Goldfuss, 1831 emend. Lydekker, 1888 Pterodactylus (Rhamphorhynchus) muensteri (Goldfuss, 1831)
Namen die tegenwoordig als jongere synoniemen van Rhamphorhynchus muensteri worden beschouwd zijn: R. longicaudus (Münster, 1839) von Meyer, 1846 Pterodactylus longicaudus Münster, 1839 Odontorhynchus longicaudus (Münster, 1839) Olshevsky, 1978 Ornithocephalus longicaudus (Münster, 1839) Wagner, 1851 Rhamphorhynchus (Odontorhynchus) longicaudus (Münster, 1839) Stolley, 1936 R. gemmingi (von Meyer, 1846) von Meyer, 1855 Pterodactylus gemmingi von Meyer, 1846 Pterodactylus (Rhamphorhynchus) gemmingi von Meyer, 1846 Ornithocephalus gemmingi (von Meyer, 1846) Wagner, 1851 Rhamphorhynchus (Pterodactylus) gemmingi (von Meyer, 1846) von Meyer, 1855 Pterodactylus lavateri von Meyer, 1838 Ornithopterus lavateri (von Meyer, 1838) von Meyer, 1860 Pterodactylus (Ornithopterus) lavateri (von Meyer, 1838) Owen, 1851 R. suevicus O. Fraas, 1855 Pterodactylus hirundinaceus Wagner, 1857