thumb|West-Duitse kruidenier rond 1955 miniatuur|Kruidenier in Turkije De kruidenier (in Nederland vroeger ook wel grutter genoemd) is een detailhandelaar in 'droge' levensmiddelen. Onder de kruiden verstond men met name gedroogde keukenkruiden van inlandse of buitenlandse herkomst. Ook verkocht men comestibles (fijne eetwaren) en de zogenoemde koloniale waren zoals specerijen, koffie, thee, cacao en tabak. Verder werden ook andere artikelen dan voedingsmiddelen verkocht, zoals kaarsen, blauwsel, stijfsel, zeep en potas, dit alles voor huishoudelijk gebruik. De kruidenier is te onderscheiden van de slager, de bakker en de groenteboer, die verse levensmiddelen verkopen. Door de opkomst van de supermarkten in de jaren 1970 is de kruidenierszaak nagenoeg verdwenen.
Situatie in Nederland Geschiedenis Voor de 19e eeuw In de middeleeuwen waren er al "crudeners". Zij waren dankzij hun kruiden vaak ook een soort drogist en apotheker. Zij verkochten inheemse geneeskundige kruiden, keukenkruiden, zuidvruchten en specerijen. Het aantal kruidenierswinkels nam een hoge vlucht toen na de reis van Cornelis Houtman in 1595 de route naar Nederlands-Indië bekend werd en de handel in specerijen uit verre streken opkwam.
In de Statenbijbel, de Bijbelvertaling die in 1637 gereedkwam, wordt op een aantal plaatsen de kruidenier genoemd: 1 Koningen 10:15 "... en van den handel der kruideniers ..." Hooglied 3:6: "Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook, en met allerlei poeder des kruideniers?" In de kanttekeningen van de vertalers wordt in beide gevallen verwezen naar de kruidenier in de betekenis van drogist of apotheker.
Vanaf de 17e eeuw werd wettelijk vastgelegd dat kruideniers, die zich vanaf de 14e eeuw verenigden in het Sint-Nicolaasgilde, geen geneeskundige artikelen mochten verkopen.
19e eeuw De kruidenier is in de 19e eeuw nog een kleine zelfstandige ondernemer. Aan het einde van de 19e eeuw tekenden zich de voorboden af van de strijd om de klant, die in de 20e eeuw in volle hevigheid werd gevoerd en die voor het kruideniersberoep zeer ingrijpend is geweest: In 1893 kwam de merkenwet tot stand. Fabrikanten waren daardoor in staat consumentenartikelen onder een eigen merknaam te registreren Vanaf 1865 ontstonden verbruikscoöperaties van consumenten. In de laatste jaren van de 19e eeuw ontstonden de eerste grootwinkelbedrijven.
20e eeuw thumb|left|Kruidenier in Boskoop (Spaarnestad Photo, 1961)
De 20e eeuw werd beheerst door een welhaast 80-jarige oorlog tussen alle partijen in de levensmiddelendistributieketen. Inzet is wie de laatste schakel naar de consument, de detailhandel, beheerst. Fabrikanten, grossiers, detailhandelaars en consumenten hebben allen grote inspanningen geleverd om ten koste van de andere partijen marktaandeel te verwerven. Achteraf kan worden vastgesteld dat die strijd is gewonnen door de bedrijven die de groothandelsfunctie vervullen, de grossiers en de grootwinkelbedrijven. Hun marktinvloed is nu zo groot dat zij nagenoeg met uitsluiting van fabrikant, zelfstandige detailhandelaar en consument in staat zijn te bepalen welke producten in de winkels worden aangeboden. Fusies en overnames in de Nederlandse levensmiddelengroothandel worden thans door de Nederlandse Mededingingsautoriteit nauwlettend getoetst.
Fabrikant In 1893 kwam de Merkenwet tot stand. Voor fabrikanten was het nu mogelijk om een merk te registreren. Door referentie aan het merk kon aan de consument een vaste samenstelling en kwaliteit worden gegarandeerd. Door verbeterde Levensmiddelentechnologie werd het voor de fabrikanten met name na de Eerste Wereldoorlog meer en meer mogelijk de merkartikelen in consumentenverpakking te leveren. Met op de consument gerichte reclame (pull-marketing) creëerden zij vraag bij de kruideniers. Niet de kruidenier of de groothandel bepaalde daardoor of het artikel in het schap kwam te liggen, maar de fabrikant. Het nadeel voor de kruidenier was dat hij niet meer in staat is voor het door de klant gevraagde een substituut-artikel te leveren.
Het merkartikel maakte voor de fabrikant ook de verticale prijsbinding mogelijk. Door een verplichte consumentenprijs werd de detaillist een vaste winstmarge gegarandeerd, en werd een prijzenoorlog onder kruideniers voorkomen. De bedoeling daarvan was zo veel mogelijk verkooppunten in stand te houden. Daartoe werd in 1928 de Fiva opgericht door een aantal fabrikanten van merkartikelen. Bekende leden van de Fiva waren onder andere Honig, Heineken, Douwe Egberts, Maggi, Persil. Afwijken van de vastgestelde verkoopprijs leidde tot uitsluiting van levering door alle Fiva-leden. Met name de grootwinkelbedrijven waren sterk gekant tegen verticale prijsbinding, omdat hierdoor prijsconcurrentie onmogelijk werd gemaakt.
Naast het merkartikel en de verticale prijsbinding trachtten fabrikanten hun afzet ook veilig te stellen door zelf deel te nemen in de detailhandel. Zo had margarinefabrikant Van den Bergh (een voorganger van Unilever) sinds 1912 de N.V. Unie-Winkel-Maatschappij en sinds 1918 ook de N.V. Albino Maatschappij met haar kruidenierswinkelketen. Concurrent-margarinefabrikant Jurgens (ook een voorganger van Unilever) kocht in 1917 een 50% aandeel in De Gruyter en in 1920 50% van de gewone aandelen van Albert Heijn. Het aandeel in Albert Heijn werd 7 jaar later weer terugverkocht aan Albert Heijn, maar de ruim 200 Albinowinkels en Uniewinkels werden eerst in 1948 weer van de hand gedaan door Unilever, die het aandeel De Gruyter tot 1970 aanhield.
Het vierde middel om de eigen afzet te garanderen was de rechtstreekse verkoop aan de individuele kruideniers, eventueel met uitschakeling van de grossier. Daartoe werden de kruideniers regelmatig door vertegenwoordigers van de fabrikant bezocht, waarbij een order werd genoteerd voor latere levering, dan wel rechtstreekse levering uit de (bestel)auto. Levering en facturatie kon zowel rechtstreeks vanaf de fabrikant plaatsvinden als via de vaste grossier. Dat laatste bijvoorbeeld als binnen het vrijwillig filiaalbedrijf met grossiers daartoe afspraken waren gemaakt.
Grossier In de jaren dertig van de twintigste eeuw ontwikkelden grossiers de formule van het vrijwillig filiaalbedrijf, een vorm van franchise. Winkeliers en grossiers presenteerden zich onder gezamenlijke naam en voerden eigenmerkartikelen. Winkeliers verplichtten zich daarbij een zeker minimum van hun omzet bij de grossier in te kopen. Grossiers verzorgden in ruil daarvoor bepaalde diensten, zoals verzorging van de boekhouding, reclamemateriaal, etalageverzorging en dergelijke tegen kostprijs. Zo ontstond in 1932 de organisatie De Spar waarin zich meerdere grossiers en winkeliers verenigden. In 1934 richtte grossier Schuitema de Centra-organisatie op, waarbij één grossier de winkeliers aan zich bond. Het voordeel voor de grossiersvereniging was de grotere inkoopkracht bij de fabrikant, daarnaast zorgden de aangesloten winkeliers voor afnamezekerheid. Bovendien kon de consument met het eigen merk worden benaderd, zoals het grootwinkelbedrijf dat ook deed.
In het laatste kwart van de 20e eeuw vervaagden de grenzen tussen grootwinkelbedrijf en vrijwillig filiaalbedrijf. Door fusies ontstonden grote grossiers die ook zelf supermarkten in exploitatie namen, dan wel verhuurden aan zelfstandige ondernemers. Grossiers en grootwinkelbedrijven namen over en weer een aandeel in elkaar. Zo waren er eind jaren tachtig nog twee grossiers die Sparwinkeliers beleverden, Unigro en Schuitema. Na een poging tot een vijandige overname van Schuitema door Unigro kwam uiteindelijk Ahold (Albert Heijn) in het bezit van de meerderheid van de aandelen van Schuitema. Vervolgens fuseerde Unigro met De Boer Supermarkten. Twee gevallen van vermenging van VFB-grossiers met grootwinkelbedrijven. De Spar-formule leed daaronder, omdat de grossier de grootste vestigingen in hun eigen formules onderbrachten.
Grootwinkelbedrijf Eind van de 19e eeuw ontstonden de grootwinkelbedrijven. Bekende voorbeelden daarvan zijn in de eerste helft van de 20e eeuw P. de Gruijter en Zn., Simon de Wit en Albert Heijn. Het lijkt aannemelijk dat het grootwinkelbedrijf kon ontstaan door de betere logistieke mogelijkheden, als gevolg van de uitvinding van de auto, en de verharding van wegen die rond de wisseling van de 19e naar de 20e eeuw op grote schaal plaatsvond.
De kracht van het grootwinkelbedrijf is dat het door zijn omvang in staat is grotere kortingen te bedingen bij grossier en fabrikant dan de kleine zelfstandige kruideniers. Het grootwinkelbedrijf schakelt door zijn omvang met name de grossier uit, en waar mogelijk ook de fabrikant. Heel bekend voorbeeld is Albert Heijn, die tussen 1920 en 1940 omvangrijke fabricage-capaciteit in Zaandam inrichtte. De Gruijter heeft zeer lang uitsluitend eigen merk verkocht en de A-merken van de fabrikanten genegeerd.
Uit de aard van het bedrijf is de prijs het belangrijkste concurrentie-wapen van het grootwinkelbedrijf. Door het grotere inkoopvolume is het grootwinkelbedrijf in staat lagere inkoopprijzen te bedingen. Omdat het grootwinkelbedrijf vaak meerdere schakels in de distributieketen omvat, kan het de winstmarges van die verschillende schakels gelijktijdig aanwenden in de prijsconcurrentie. Het grootwinkelbedrijf had dan ook last van de verticale prijsbinding, die de fabrikanten via de Fiva afdwongen. Om ten opzichte van de fabrikant een nog krachtiger positie te krijgen richtten een aantal grootwinkelbedrijven in de jaren vijftig de inkoopvereniging Superunie op.
Naast de tendens het assortiment in de supermarkt steeds meer te verbreden is er de formule van de harde discounter ontstaan. De concurrentie om de consument wordt gevoerd met een beperkte dienstverlening en een beperkt assortiment tegen de laagste prijzen. De ketens Aldi en Lidl staan hierom bekend.
In 2000 was 39% van de supermarkten in handen van grootwinkelbedrijven. Daarmee werd een marktaandeel van 63% van de geldomzet gehaald. Door de schaalvergroting van de levensmiddelenwinkels zijn er steeds meer inwoners nodig om voldoende draagvlak voor de winkel te hebben. In de doorsnee woonwijk is slechts draagvlak voor één of twee supermarkten. Daardoor is schaarste aan vestigingsplekken voor supermarkten ontstaan. Een aantal grootwinkelbedrijven is begonnen de formule ook in franchise te geven aan zelfstandige ondernemers. Daardoor wordt in wijken of dorpen waar de keten geen eigen filiaal heeft toch de groothandelsomzet gehaald.
Detailhandelaar Fabrikanten en grossiers waren gebaat bij een zo groot mogelijk aantal vestigingspunten. Bij het begin van de grote economische crisis in 1929 schatte het Ministerie van Arbeid, Handel en Nijverheid het aantal kruideniers op ca. 29.000, waarvan meer dan de helft zeer klein en verliesgevend waren. Er waren in die tijd nagenoeg geen sociale voorzieningen. Tot 1937 waren er geen vestigingseisen voor kruideniers. Het is aannemelijk dat in de jaren dertig het aantal kruideniers nog fors is gestegen.
De kleine zelfstandige kruideniers werden sterk bedreigd door de sterke opkomst van het grootwinkelbedrijf en de enorme toename van het aantal nieuw gevestigde kruideniers. Evenals dat in andere landen gebeurde verlangden zij van de overheid maatregelen tegen het grootwinkelbedrijf en inperking van de vestigingsmogelijkheden. Pas in 1937 kwam er een vestigingswet, waarmee een einde kwam aan de onbeperkte vrije vestiging.