Marcus Livius Drusus minor (volledige naam: M. M. f. C. n. ) (ca. 124 v.Chr. - 91 v.Chr.), zoon van Marcus Livius Drusus maior, was tribunus plebis in 91 v.Chr.. Hij was ambitieus en won door inzet van zijn fortuin alsmaar aan macht. Uiteindelijk werd hij vermoord.
Familiebanden Volgens CiceroBrutus 62, Pro Milone 7. was Drusus de oom van Marcus Porcius Cato Uticensis minor en een oudoom van Marcus Junius Brutus. Die familiebanden waren het gevolg van de opeenvolgende huwelijken van zijn zuster Livia Drusilla I. Paulus Manutiusad Cic. de Fin. III 2. stelt, dat zij eerst was getrouwd met Quintus Servilius Caepio minor, wiens dochter de moeder van Brutus was, vervolgens van hem scheidde om Marcus Porcius Cato te huwen, bij wie ze Marcus Porcius Cato Uticensis minor kreeg. Cato werd volgens PlutarchusCato minor 1. grootgebracht in het huis van zijn oom Drusus samen met de kinderen van Livia en Caepio, die Drusus zou overlevenLivius, Periochae LXXIII.. Cato Uticensis was geboren in 95 v.Chr.Plutarchus, Cato minor 2, 3, 73; Livius, Periochae 114; Sallustius, De Catilinae coniuratione 54.. Drusus stierf in 91 v.Chr. maar overleefde zijn zus. Als haar eerste huwelijk niet met Caepio was, betekent dit een buitengewone samenloop van omstandigheden tussen 95 en 91 v.Chr.: de geboorte van Cato de dood van zijn vader het tweede huwelijk van Livia de geboorte van minstens drie kinderen bij haar tweede echtgenoot haar dood het grootbrengen van haar kinderen in het huis van Drusus de dood van Drusus.
In een tijdspanne van vier jaar zou Livia minstens vier keer zijn bevallen en tweemaal zijn gehuwd. Dit is zo onwaarschijnlijk, dat haar eerste huwelijk met Caepio moet zijn geweest.
Ambitie thumb|400px|Inscriptie uit Rome met de cursus honorum van Marcus Livius Drusus minor: M(arcus) Livius M(arci) f(ilius) C(ai) n(epos) Drusus / pontifex tr(ibunus) mil(itum) Xvir stlit(ibus) iudic(andis) / tr(ibunus) pl(ebi) Xvir a(gris) d(andis) a(dsignandis) lege sua / et eodem anno Vvir a(gris) d(andis) a(dsignandis) lege Saufeia / in magistratu occisus est. Marcus Livius Drusus minor werd kort na 124 v.Chr. geboren. Van in zijn jeugd toonde hij ambitie.Dit blijkt uit zijn cursus honorum: CIL VI 1312 (p. 3134, 3799, 4678) = CIL I, p. 199 = InscrIt-13-3, 74 = ILS 49. Van jongs af aan stond hij zichzelf nooit vakantie toe, maar frequenteerde hij het forum nog vóór hij zelfs de leeftijd had om de toga virilis te dragen. Hij hield zich bezig met processen en wist zijn invloed soms zo aan te wenden dat de iudices (rechters) naar zijn inzicht oordeelden.Seneca minor, De brevitate vitae 6. Zijn karakter en moraal waren in zijn jeugd puur en streng volgens de klassieke Romeinse normen.Cicero, De officia Oratoris I 30. Toen hij quaestor was in de provincia Asia, weigerde hij de tekens van zijn ambt te dragen: ne quid ipso esset insignius.(pseudo-)Aurelius Victor, De viris illustribus Urbis Romae 66. Toen hij een huis op de Palatijn liet bouwen, stelde de architect voor om het zo te bouwen dat zijn privacy werd beschermd:
Drusus erfde een fortuin van zijn vader, die consul was geweest, maar om politieke invloed te krijgen was hij kwistig in zijn uitgaven. Aurelius Victor, aan wie De Viris Illustribus gewoonlijk wordt toegeschreven, zegt dat hij soms uit geldnood zijn toevlucht zocht tot onwaardige gebruiken. Magulsa, een prins van Mauretania, had zijn toevlucht gezocht in Rome omdat hij door de Mauretanische koning Bocchus werd gehaat; maar Drusus werd omgekocht om hem te verraden aan Bocchus, die de beklagenswaardige prins van een olifant wierp. Toen Adherbal van Numidië, zoon van Micipsa, de koning van Numidië, naar Rome vluchtte, hield Drusus hem gevangen in zijn huis, in de hoop dat Micipsa losgeld zou betalen. Deze twee verhalen komen niet bij andere auteurs voor en het laatste is geheel in tegenspraak met het verslag van Sallustius. Aurelius Victor stelt ook, dat Drusus aedilis was en prachtige spelen gaf.(pseudo-)Aurelius Victor, De viris illustribus Urbis Romae 66. Zie ook , The Orators in Cicero's Brutus: Prosopography and Chronology, Toronto, 1973, p. 111. En toen Remmius, zijn collega-aedilis, bepaalde maatregelen voorstelde ten voordele van de respublica, vroeg hij sarcastisch: "Wat betekent onze republiek nu voor jou?". Maar volgens PighiusAnnales III p. 82. en andere auteurs heeft Aurelius Victor enkele gebeurtenissen uit het leven van diens vader met zijn zoon verward: Drusus stierf tijdens zijn tribunaat en is waarschijnlijk nooit aedilis geweest.
Rivaliteit Quintus Servilius Caepio was in geboorte, fortuin en invloed de rivaal van DrususFlorus, Epitome III 17.. Oorspronkelijk waren zij goede vrienden. Want toen Caepio Livia, de zus van Drusus, huwde, trouwde Drusus met Servilia, de zus van CaepioCassius Dio, Frag. Peiresc. 110, ed. Reimar. vol. I p. 45: .. Cassius Dio schijnt te wijzen op zaken in het huishouden als oorzaak voor hun onenigheid, maar volgens Plinius maiorNaturalis Historia XXXIII 6. ontstond de breuk tussen hen toen beiden tijdens een veiling op dezelfde ring boden, en aan dit incident werd de strijd om roem die zou uitmonden in de Bellum sociorum toegeschreven. De wederzijdse jaloezie tussen de schoonbroers ging zelfs zover, dat Drusus bij gelegenheid verkondigde dat hij Caepio van de Tarpeïsche rots zou gooien.
Drusus was reeds vroeg een aanhanger van de optimates. Toen in 100 v.Chr. Saturninus werd gedood, was hij een van degenen die de wapens opnamen voor de veiligheid van de staatCicero, pro Rabir. Perd. reo. 7. en de consul Gaius Marius, die nu aan de kant van de Senaat stond, steunden.Livius, Periochae XIX. In de strijd tussen de Senaat en de equites om het bezit van de iudicia, nam Caepio het op voor de equites, terwijl Drusus de zaak van de Senaat met zo'n ernst en onstuimigheid bepleitte, dat hij, zoals zijn vader, patronus senatus schijnt te zijn genoemd.Cicero, Pro Milone 7; Diodorus van Sicilië, XXXVI fr. fin. ed. Bipont. X p. 480. De equites hadden nu, dankzij een lex Sempronia van Gaius Sempronius Gracchus, vanaf 122 v.Chr. de iudicia bezeten, met uitzondering van een korte periode waarin de lex Servilia de uitsluiting van senatoren ongedaan maakte (zie lex iudiciaria). De Quintus Servilius Caepio die deze kortstondige wet voorstelde (die door een lex Servilia, met name die van Servilius Glaucia, werd herroepen) was misschien de vader van Quintus Servilius Caepio, de zwager van Drusus, maar was zeker een ander persoon dan deze laatste en van een andere politieke richting. De equites misbruikten echter hun macht, net zoals de Senaat dat voor hen had gedaan. Als belastinggaarders deden zij straffeloos aan verduistering en afpersing, wat in hun ogen niet meer dan hun goed recht was. Wanneer ze werden aangeklaagd, werden zij door medeplichtigen en partijgenoten berecht, en "het moet een harde winter zijn wanneer een wolf een wolf verslindt". En anderzijds, in processen tegen senatoren van de tegenovergestelde factie, hielden de equites meer rekening met politieke vetes dan met gerechtigheid. Zelfs in gewone gevallen, waar geen politieke vetes bij waren betrokken, verkochten zij hun stemmen voor steekpenningen en invloed. De recente onterechte veroordeling van Rutilius Rufus had de Senaat verzwakt en het geweld van de equites aangemoedigd, toen tijdens het consulaat van Lucius Marcius Philippus en Sextus Julius Caesar (91 v.Chr.) Drusus tot tribunus plebis werd verkozen.
In een poging om de partij van de Senaat te versterken, trachtte Drusus vastberaden om de plebejers, de Latijnen en Italische socii (bondgenoten) voor zich te winnen. Zijn ijver werd aangewakkerd door de pogingen van zijn rivaal Caepio om enkele leiders van de adel te vervolgen. Door de tegenstrijdige verklaringen en tegenovergestelde inzichten van de Romeinse auteurs in verband met zijn motieven en daden, is het moeilijk zijn karakter en zelfs zijn loyaliteit aan zijn factio in te schatten. Zijn maatregelen golden als revolutionair, maar zijn politieke opvattingen als zeer aristocratisch. Velleius PaterculusHistoria Romana II 13. Vgl. Pseudo-Sallustius, Epist. 2 ad C. Caes. de Rep. Ord. prijst hem voor zijn beleid om het plebs over te halen, door zelf kleine concessies te doen, die belangrijk waren voor de optimates. Maar toch kan men zich moeilijk van de indruk ontdoen,Vgl. Florus, Epitome III 18; Livius, Periochae LXX-LXXI. dat hij evenveel om zichzelf gaf als om de optimates, en dat persoonlijke rivaliteiten verstrengeld raakten met oprechte plannen voor zijn land en verlichte idealen. Het lijkt erop dat hij ten slotte door ontgoocheling een gevaarlijke samenzweerder werd en dat hij soms alleenheerschappij nastreefde. Hij streefde gretig naar populariteit en invloed. In zijn onrustige en onafhankelijke geest had hij de gedachte gevormd om de bemiddelaar tussen de factiones te worden en hij handelde impulsief, zonder goed na te denken over de gevolgen van zijn daden. Er lag een diepere betekenis in de geestige opmerking van Granius, de openbare omroeper, die, toen Drusus hem met de gebruikelijke uitdrukking, "Quid agis, Grani?" ("Hoe maak je het, Granus?") begroette, antwoordde, "Immo vero, tu Druse, quod agis?" ("Integendeel, Drusus: wat doe jij (hier)?").Cicero, pro Planc. 14.
Tegenkanting Om het volk zoet te houden, vernieuwde Drusus enkele voorstellen van de Gracchi en imiteerde hun maatregelen. Hij stelde wetten voor voor graanbedeling of -verkoop aan een lage prijs en voor de toewijzing van openbaar landLivius, Periochae LXXI: leges frumentariae, agrariae.. De stichting van enkele coloniae in Italische en Sicilia, die reeds lang was goedgekeurd, werd nu pas uitgevoerdAppianus, Bellum Civile I 35.. Niets zou de extravagante vrijgevigheid kunnen overtreffen waartoe hij de Senaat kon overhalenTacitus, Annales III 27.. Hij verklaarde dat hij zo mild was geweest, dat er niets over was, voor iemand anders om nog te worden weggegeven, behalve lucht en vuiligheid: "caelum et caenum".(pseudo-)Aurelius Victor, De viris illustribus Urbis Romae 66.5; Florus, Epitome III 17. Het was waarschijnlijk door de uitputting van de openbare schatkist, door zijn vrijgevigheid, dat hem ertoe noopte de zilveren munten te ontwaarden door een legering met een achtste deel koper te gebruiken.Plinius maior, Naturalis historia XXXIII 18. Aanmatigend, arrogant en overhaast, nam hij een post op waartoe hij geen recht op had op basis van zijn auctoritas en ervaring, niettegenstaande zijn hoge afkomst en zijn welsprekendheid. Maar hij ging ver in het monddood maken van de oppositie, en wist zo zijn wens vervuld te zien worden. Ooit, toen de Senaat hem vroeg een vergadering bij te wonen, stuurde hij als antwoord: "Waarom komen deze niet eerder in de Hostilia, dicht bij de Rostra, dit is, naar mij?",Valerius Maximus, Dicta et facta memorabilia IX 5.2: "Cum senatus ad eum misisset, ut in Curiam veniret. 'Quare non potius,' inquit, 'ipse in Hostiliam, propinquam Rostris, id est, ad me venit?" Deze passage is merkwaardig door de tegenstelling tussen de Curia en de Hostilia; aangezien Curia bij klassieke auteurs doorgaans de Curia Hostilia beduidt. en zij waren zo kruiperig om te gehoorzamen.