Théo (Théophile) van Rysselberghe (Gent, 23 november 1862 - Le Lavandou, 14 december 1926) was een Belgisch neo-impressionistische kunstschilder, graficus en ontwerper, die op het einde van de 19de eeuw een sleutelrol speelde binnen de Europese kunstwereld. Zo was hij onder meer een van de oprichters van de avant-gardegroep les XX (Les Vingt) in 1883. miniatuur|Zelfportret van de 18 jarige Théo Van Rysselberghe thumb|La Promenade, 1901, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel

Jeugdjaren Théo van Rysselberghe werd geboren in een welgesteld Gents gezin uit de franskiljonse hogere burgerij. Zijn moeder was Mélanie Rommens. Zijn vader, Jean-Baptiste Van Rysselberghe ((1820 – 1893), afkomstig uit Lochristi, werd in 1862 vermeld als schrijnwerker. Hij was afgestudeerd (+/-1842) aan de Gentse Nijverheidsschool als timmerman waar Ed. Jaequemyns op dat moment leraar Scheikunde was. Al vóór Théo’s geboorte was Jean-Baptiste actief in de landbouwontginning in de Antwerpse Kempen. In De Akkerbouw nr. 34 van 5 augustus 1855 schreef J.B. Van Rysselberghe dat hij op dat moment al acht jaar bestuurder was van de ontginningswerken van Edouard Jaequemyns, een Gentse grondeigenaar met 1.300 hectare grond in Meerle en Minderhout. Dat verklaart waarom drie oudere broers van Theo, namelijk Charles, Julien, en Octave, in die streek geboren werden. Daarna verhuisde het gezin naar Turnhout waar in 1858 nog een tweeling, twee meisjes, geboren werd, maar die kinderen stierven al zeer jong. Na dit familiedrama verhuisde het gezin Van Rysselberghe terug naar Gent waar Theo geboren werd in 1862.

Theo kreeg zijn eerste artistieke vorming aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten onder Théodore-Joseph Canneel. In 1879 stapte hij over naar de Brusselse Academie voor Schone Kunsten, onder de leiding van Jan Frans Portaels. Deze schilder, die vele maanden in Marokko had doorgebracht, had met zijn Noord-Afrikaanse schilderijen een zekere oriëntalistische mode geschapen voor een cliënteel dat belust was op het exotische. De impact van deze werken zou de jonge Van Rysselberghe sterk beïnvloeden. Tussen 1882 en 1888 maakte hij drie reizen naar Marokko, met een totaal verblijf aldaar van ongeveer anderhalf jaar.

Hij was net 18 jaar oud toen hij met twee portretten deelnam aan zijn eerste tentoonstelling: het driejaarlijkse Salon van Gent. Kort daarna schilderde hij zijn Zelfportret met pijp (1880), geschilderd in vrij sombere kleuren, in de stijl van de toenmalige Belgische realistische traditie. Zijn Kind in een open plek in het bos (1880) en de marines Zeilboten op een rivier (1880) en Schepen in de haven (1881) wijken reeds af van deze stijl en vormen een schuchtere poging in de richting van het impressionisme. Vlug daarop zou hij zijn eigen realistische stijl, die aanleunt tegen het impressionisme, ontwikkelen. Hij ging in 1881 wonen in Brussel en in hetzelfde jaar nam hij voor het eerst deel aan het Salon van Brussel. In augustus 1882 schilderde hij het doek Poel in de Kempen, dat bewaard wordt in het Museum voor Schone Kunsten in Gent. Mogelijk ontstond dit werk in Genk, op dat moment een geliefd kunstenaarsoord in België.Kristof Reulens (2012) Genk door schildersogen. Landschapsschilders in de Limburgse Kempen 1850-1950, Davidsfonds Leuven: p. 247

Eerste reis naar Marokko thumb|Arabische fantasia, 1884, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel In de winter van 1882 trad Théo in de voetstappen van zijn leermeester Jean-François Portaels en vertrok naar Marokko. Hij reisde in gezelschap van zijn vriend Frantz Charlet en de Spaanse schilder Dario de Regoyos. In Spanje bezocht hij het Prado museum, waar hij in het bijzonder de "oude Vlaamse, Italiaanse en Spaanse meesters" bewonderde. Hij ontmoette in Sevilla Constantin Meunier, die een kopie aan het maken was van de Kruisafneming van Pedro de Campaña. Dit kort Spaans verblijf leverde twee schilderijen op: Spaanse (1881) en Sevilliaanse (1882), beide reeds totaal verschillend in stijl. Toen hij, eind oktober 1882, voet aan wal zette in Tanger, opende er voor hem een heel nieuwe wereld: zo dicht bij Europa, en toch totaal verschillend. Hij zou er vier maanden verblijven. Hij tekende en schilderde de pittoreske scènes op straat, in de kasba en in de soeks: Arabische schoenlappers (1882), Arabische jongen (1882) en Rustende wachter (1883).

thumb|left|180px|Portret van Irma Sèthe, 1894, Musée du Petit Palais, Parijs Terug in België, neemt hij met ongeveer 30 werken deel aan de Cercle Artistique et Littéraire in Gent. Hij had onmiddellijk succes, in het bijzonder met De kif rokers, De sinaasappelverkoper en de marine De zee-engte (ondergaande zon), Tanger.

Hij toonde deze werken opnieuw in 1883 in het Salon L'Essor in Brussel voor een enthousiast publiek. Rond deze tijd knoopte hij een levenslange vriendschap aan met de schrijver en dichter Emile Verhaeren. Hij zou hem later verschillende malen portretteren. Deze portretten behoren tot de beroemdste werken van Van Rysselberghe.

Van Rysselberghe vertrok in september 1883 naar Haarlem om er een kopie te maken van een werk van Frans Hals. Het licht in dit werk en de accurate weergave ervan in zijn eigen schilderijen zou hem voor de rest van zijn leven in de ban houden. Gedurende dit verblijf maakte hij ook kennis met de Amerikaanse schilder William Merritt Chase.

Les XX thumb|De lezing door Emile Verhaeren, 1903, Museum voor Schone Kunsten (Gent) Théo van Rysselberghe was op 28 oktober 1883 één der voornaamste medestichters van de kunstenaarsgroep Les XX, een groep jonge radicale artiesten die rebelleerden tegen het verouderde academisme en de heersende artistieke standaarden. De Brusselse jurist Octave Maus werd als secretaris verkozen. Hij zou spoedig uitgroeien, door het organiseren van de tentoonstellingen van Les XX, tot de kunstpaus van die tijd. Andere bekende leden van Les XX waren James Ensor, Willy Finch, Fernand Khnopff, Félicien Rops, en later Auguste Rodin en Paul Signac. Door zijn lidmaatschap van deze kunstenaarsgroep kwam Van Rysselberghe in contact met verschillende andere radicale artiesten, zoals de Amerikaan James Abbott McNeill Whistler, die driemaal zou deelnemen aan deze tentoonstellingen. Men kan de invloed zien van deze Amerikaanse schilder in het portret Octave Maus "als dandy" (1885). Théo van Rysselberghe zou verschillende portretten schilderen van Octave Maus en van zijn echtgenote.

Tweede reis naar Marokko thumb|Portret van Marguerite van Mons (de toekomstige echtgenote van Thomas Braun, 1886, Museum voor Schone Kunsten, Gent thumb|Portret van Juffrouw Alice Sèthe, 1888, Musée départementale du Pieuré, Saint Germain-en-Laye thumb|Portret van Mevrouw Henry Van de Velde-Sèthe, 1891, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen thumb|Portret van zijn vrouw Maria en dochter Elisabeth thumb|Het bloedrode lint, 1906 Samen met Frantz Charlet, vertrok Théo van Rysselberghe opnieuw naar Tanger in november 1883. Hij verbleef er één jaar. Gedurende die tijd was hij in voortdurende correspondentie met Octave Maus. Hij drong bij hem aan op het aanvaarden van enkele nieuwe namen voor de eerste tentoonstelling van Les XX, namelijk Constantin Meunier, Alfred Verwee en William Gerritt Kaase (hij had deze laatste ontmoet in Haarlem). Samen met de Amerikaanse schilder John Singer Sargent en de gefortuneerde schilder Ralph Wormeley Curtis maakte hij een reis door Andalusië in april 1884. Hij nodigde hen tevens uit op de volgende tentoonstelling in Brussel.

Ditmaal probeerde Théo van Rysselberghe zichzelf te overtreffen gedurende zijn verblijf in Tanger. Zijn groot, exotisch schilderij Arabische fantasia (1884), een thema geïntroduceerd door Eugène Delacroix is zijn beste werk uit die periode. Het schilderij baadt in het harde licht van de warme Marokkaanse zon. Van nu af aan zou Van Rysselberghe geobsedeerd worden door de weergave van het licht en neigen zijn werken naar het luminisme.

Geldgebrek deed hem echter, op het einde van oktober 1884, terugkeren naar België. Théo van Rysselberghe toonde zijn Arabische fantasia op de tweede tentoonstelling van Les XX, samen met nog vijf andere schilderijen, waaronder de bekende Abraham Sicsu (1884) en De Arabische verteller.

Impressionisme Niettegenstaande zijn succes met deze oriëntalistische werken, stapte Van Rysselberghe toch over naar een nieuwe stijl, waarbij hij zijn eigen interpretatie gaf van zijn model in gedempte kleuren met gebruik van verschillende paarse of zwarte gradaties, die afwisselen met lichte kleuren. Hiervan getuigen zijn schilderijen Jeanne and Marguerite Schlobach (1884), Octave Maus (1885), Camille van Mons (1886), Portret van Marguerite van Mons (1886) (dat men best eens vergelijkt met het Portret van Gabrielle Braun (1886) van Fernand Khnopff). thumb|Vier golfbrekers te Heist thumb|De toegang tot de haven van Roscoff, 1892, Musée d'Orsay, Parijs Hij zag de inzendingen van de impressionisten Claude Monet en Auguste Renoir op de tentoonstelling van Les XX in 1886. Hij was diep onder de indruk van deze nieuwe picturale benadering. Hij begon ook met deze techniek te experimenteren. Dit kan men duidelijk zien in Vrouw met Japans album (1886). Deze invloed van de impressionisten speelt nog meer in de schilderijen Madame Edmond Picard in haar loge (1887) en Mevrouw Oscar Ghysbrecht (1886-1887) (geschilderd met een palet van heldere kleuren). Hij schilderde in 1887 aan de Belgische kust ook nog enkele impressionistische marines Het Zwin bij hoogtij (1887), Vier golfbrekers te Heist en Uitvarende vissersboten (1887).

Omdat hij steeds nauwere banden verkreeg met de Parijse kunstwereld, werd hij door Oscar Maus gebruikt als talent scout om nieuw Parijs' talent aan te trekken voor de volgende tentoonstellingen van Les XX.

Neo-Impressionisme Théo van Rysselberghe ontdekte het pointillisme toen hij het schilderij Un dimanche après-midi à l'île de La Grande Jatte van Georges Seurat zag in 1886 op de achtste tentoonstelling van de impressionisten. Deze ervaring, die aankwam als een schok, zou zijn stijl gedurende lange tijd sterk beïnvloeden. Samen met Henry Van de Velde, Georges Lemmen, Xavier Mellery, Willy Herman Schlobach, Alfred William Finch and Anna Boch zou hij voortaan deze stijl toepassen in zijn werken en een fervent pleitbezorger ervan worden. Georges Seurat werd uitgenodigd op de volgende tentoonstelling van Les XX in 1887. Maar zijn werk La grande Jatte werd er onthaald op hevige kritiek.

Het gebruik van het pointillisme door Van Rysselberghe werd door James Ensor smalend afgewezen. Hierdoor is er steeds een conflict blijven bestaan tussen beide schilders. Van Rysselberghe begon te experimenteren met deze nieuwe stijl in 1887, zoals men kan zien in het portret Madame Oscar Ghysbrecht (1887) en Madame Edmond Picard (1887).

Gedurende de zomer van 1887 verbleef hij enkele weken bij Eugène Boch (broer van Anna Boch) in Batignolles bij Parijs. Hij ontmoette er verschillende Parijse schilders zoals Alfred Sisley, Paul Signac, Edgar Degas en in het bijzonder Henri de Toulouse-Lautrec, wiens talent hij bijzonder waardeerde. Trouwens het portret Pierre-Marie Olin (1887) sluit nauw aan bij de toenmalige stijl van Toulouse-Lautrec. Hij slaagde erin verschillende van hen, o.a. Signac, Jean-Louis Forain en Toulouse-Lautrec, te invitéren voor de volgende tentoonstelling van Les XX.

Derde reis naar Marokko