Torvosaurus is een geslacht van vleesetende theropode dinosauriërs, behorend tot de Spinosauroidea, dat tijdens het late Jura leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika en Portugal.
Het eerste fossiel van Torvosaurus werd in 1971 gevonden in Colorado. Het geslacht kreeg in 1979 zijn naam, die "woeste sauriër" betekent, toen de typesoort Torvosaurus tanneri benoemd werd. Het geslacht Edmarka uit Wyoming is vermoedelijk een jonger synoniem van Torvosaurus. Vondsten in Portugal, waaronder het oudste bekende theropodenembryo, zijn in 2014 benoemd als een tweede soort: Torvosaurus gurneyi. Van Torvosaurus tanneri is een aantal losse botten opgegraven maar nooit een heel skelet. Veel is daarom nog onbekend over de bouw van het dier maar bepaalde kenmerken zijn wel duidelijk.
Torvosaurus was een grote roofsauriër die minstens negen meter lang kon worden en twee ton zwaar. Hij had een langwerpige, nauwe, kop met grote lange tanden. In het voorste bot van iedere snuithelft stonden maar drie, dolkvormige, tanden in plaats van het gebruikelijke aantal van vier. Zijn nek en rug waren nogal beweeglijk door kogelvormige wervelgewrichten. Hij liep op twee krachtige achterpoten, waarbij de romp in evenwicht gehouden werd door de staart. De voorpoten waren kort maar zeer stevig gebouwd en droegen misschien een enorme kromme duimklauw. De beide bekkenhelften waren aan hun onderzijden aan elkaar vastgegroeid.
Het geringe aantal fossielen wijst erop dat Torvosaurus zeldzaam was in zijn leefgebied. Hij is direct verwant aan de oudere Megalosaurus uit Engeland en de meeste andere Megalosauridae waren op het eind van het Jura al uitgestorven. Torvosaurus had concurrentie van iets kleinere theropoden als Allosaurus. Misschien joeg hij speciaal op zeer grote Sauropoda zoals de gigantische Supersaurus waarvan de botten in dezelfde vindplaats, de Dry Mesa Quarry, zijn aangetroffen.
Vondst en naamgeving thumb|Dinosaur Jim In 1971 vond de prospector Vivian Jones, die op zoek was naar dinosauriërbeenderen omdat de radioactiviteit daarvan een goede indicator was voor de aanwezigheid van uraniumerts, in de Calico Gulch Quarry in Moffat County, Colorado, de reusachtige duimklauw van een theropode. Die zette ze op haar keukentafel neer als decoratie. In 1972 kreeg ze bezoek van James Alvin Jensen, bijgenaamd Dinosaur Jim, die als preparateur van de faculteit geologie van de Mormoonse Brigham Young University in Utah officieel verantwoordelijk was voor het opslaan, prepareren en tentoonstellen van fossielen. In feite verrichtte hij in de jaren zestig, toen de belangstelling voor dinosauriërs onder echte wetenschappers gering was, de meeste opgravingen naar zulke dieren in de wijde omgeving van de universiteit. Jensen ging steeds zijn contacten af onder mijnbouwkundigen om te informeren of ze iets nieuws gevonden hadden. Toen hij de spectaculaire klauw zag, raakte hij onmiddellijk gefascineerd door de vondst en vroeg Vivian's man Eddie hem naar de vindplaats te rijden. Per abuis bracht deze hem naar een andere locatie waar het echtpaar botten had gevonden, de Dry Mesa Quarry in Montrose County, die ook op het Uncompahgre-plateau is gelegen, zij het 195 kilometer ervandaan. In 1972 begonnen Jensen en Kenneth Stadtman opgravingen te verrichten in de groeve. Behalve de resten van gigantische Sauropoda vonden ze tot en met het jaar 1978 ook fossielen van een grote roofsauriër. left|thumb|N. Eldon Tanner, twee jaar voordat Torvosaurus tanneri naar hem vernoemd zou worden De vondst werd in 1977 in de literatuur vermeld. In 1979 benoemden en beschreven Jensen en Peter Malcolm Galton de typesoort Torvosaurus tanneri. De geslachtsnaam is afgeleid van het Latijnse torvus, "woest". De soortaanduiding eert de First Counselor in the First Presidency van de Mormoonse kerk Nathan Eldon Tanner. Omdat activiteiten die de evolutietheorie zouden kunnen ondersteunen wat gevoelig lagen op zijn universiteit, probeerde Jensen altijd in een goed blaadje te komen met de religieuze autoriteiten in Salt Lake City. thumb|Het landschap van de Dry Mesa Quarry Het holotype, BYUVP 2002, is gevonden in de Brushy Basin Member van de Morrisonformatie die dateert uit het late Kimmeridgien. Het bestaat uit twee opperarmbeenderen, een spaakbeen en twee ellepijpen. Hoewel als holotype, en dus afkomstig van een enkel individu, gepresenteerd was er eigenlijk geen echt bewijs dat de botten, ofschoon ze een linker- en rechterarm vertegenwoordigden, bij elkaar hoorden want ze lagen niet in verband. In 1991 koos Brooks Britt daarom het linkeropperarmbeen als het lectotype. Het niet in verband liggen gold grotendeels ook voor een groot aantal andere elementen die als paratype was aangewezen: BYUVP 2003, een voorste stuk van een onderkaak; BYUVP 2004a-d, een reeks van de vijfde tot en met achtste halswervel; BYUVP 2005 - 2009, vijf losse ruggenwervels; BYUVP 2010, een eerste middenhandsbeen; BYUVP 2011, een tweede middenhandsbeen; BYUVP 2012, een derde middenhandsbeen; BYUVP 2013, een darmbeen; BYUVP 2014, twee schaambeenderen; BYUVP 2015, een zitbeen; BYUVP 2016, een scheenbeen; BYUVP 2017, een stuk scheenbeen; BYUVP 2018; een eerste kootje van de eerste vinger; en BYUVP 2020, de oorspronkelijke duimklauw. Alleen de halswervels vormden hiervan een in verband liggende reeks. Hoewel er weinig duidelijk overlappend materiaal is, werd het later waarschijnlijk geacht dat het meerdere individuen vertegenwoordigt, minstens twee volwassen dieren en een jong. De fossielen maken deel uit van de collectie van de Brigham Young University. De kwaliteit van de fossielen is over het algemeen redelijk goed maar lijkt soms beter dan de werkelijke toestand; Jensen maakte slechte specimina voor tentoonstelling gereed door ze met gips te reconstrueren en deze restauraties te verbergen onder gul opgebrachte lagen verf.
Jensen bleef ook na 1978, tot zijn onvrijwillig ontslag in 1983, fanatiek doorgaan met fossielen verzamelen. In 1985 kon hij een groot aantal beenderen melden die hij aan Torvosaurus toewees. Daartoe behoorde een in verband liggende reeks van negen staartwervels, BYUVP 4976a-k. Andere belangrijke aanvullingen van het eerdere materiaal betroffen schedelbotten, losse tanden en middenvoetsbeenderen. Begin jaren negentig liep Jensen tegen de tachtig en liet het onderzoek over aan de professionele paleontoloog Brooks Britt. Die schreef er een dissertatie over waarvan de relevante inhoud in 1991 werd weergegeven in een wetenschappelijk artikel dat de eerste gedetailleerde beschrijving van de osteologie bevatte. Ook Britt kon weer een groot aantal botten toewijzen, voornamelijk wervels. Bij elkaar is nu een belangrijk deel van het skelet bekend. Belangrijke ontbrekende stukken betreffen veel schedelbeenderen, de schoudergordel, de dijbeenderen en de tenen. Meestal wordt aangenomen dat al het materiaal van een enkel taxon afkomstig is. Ronan Allain betwijfelde echter in 2012 of juist de beroemde duimklauw wel bij Torvosaurus hoorde daar, afgezien van de iets verschillende herkomst, de enorme omvang en sterke kromming eerder wijzen op een lid van de Spinosauridae. Aangezien verder geen spinosauride materiaal uit deze aardlagen bekend is en Torvosaurus er de enige bekende theropode van voldoende omvang vertegenwoordigt, achtten andere onderzoekers dit onwaarschijnlijk. Overigens wees ook Jensen de klauw slechts onder voorbehoud toe. thumb|Een afgietsel van de duimklauw die in 1971 door Vivian Jones werd gevonden Botfragmenten uit andere Amerikaanse groeven zijn soms aan Torvosaurus toegewezen. Eind jaren tachtig groeven de amateurpaleontologen James Siegwarth and James Filla bij Como Bluff in Wyoming botten op die ze in 1992 samen met Robert Thomas Bakker benoemden als een nieuwe soort: Edmarka rex, waarvan de geslachtsnaam William Edmark eert en de soortaanduiding verwijst naar de vermeende grootte welke die van Tyrannosaurus rex zou evenaren. De syntypen hiervan bestaan uit een schouderblad (CPS 1002), ribben (CPS 1004) en een jukbeen (CPS 1005). Hoewel deze vondsten, op wellicht het jukbeen na, niet goed met het materiaal van Torvosaurus te vergelijken zijn, lijken bepaalde paratypen, de eerste staartwervel CPS 1006 en het schaambeen CPS 1010, niet van Torvosaurus te onderscheiden. Daarom wordt meestal aangenomen dat het hier om een jonger synoniem van Torvosaurus gaat. Tussen 1993 en 1996 werden veel uitgebreidere vondsten gedaan op dezelfde locatie. Het zou gaan om een vrij compleet skelet, specimen TATE 0012, dat zou verschillen van zowel Edmarka — hoewel het daaraan oorspronkelijk werd toegewezen — als Torvosaurus. In 1995 werd het informeel in de pers gemeld als Brontoraptor. Publicaties werden voorbereid maar zijn nooit verschenen zodat Brontoraptor een nomen nudum bleef. In 2006 trokken Portugese onderzoekers, die kennelijk in de gelegenheid waren geweest het materiaal direct of indirect te beoordelen, de conclusie dat het ook hier om Torvosaurus gaat, zij het wellicht een Torvosaurus sp., dus een mogelijke nog onbenoemde verdere soort. In 2013 werd een specimen beschreven, FMNH PR 3060, al in 1899 verzameld door Elmer Riggs maar pas in 2005 geprepareerd, dat het overige materiaal aanvult door het omvatten van het eerste kootje van de eerste teen. thumb|left|ML 1100 In 2000 wees Octávio Mateus een scheenbeen, ML 430, gevonden in Portugal aan een Torvosaurus sp. toe, bij Casal do Bicho opgegraven in een laag uit het Tithonien. Afgezien van de verschillende datering toont dit bot geen speciale kenmerken van Torvosaurus, hoewel het er ook niet aantoonbaar van afwijkt. In 2006 werd een linkerbovenkaaksbeen, ML 1100, op 27 juli 2003 door de Nederlander Aart Walen gevonden in de Lourinhãformatie van Praia da Vermelha, aan Torvosaurus tanneri toegewezen. Matthew Carrano wees er in 2012 op dat het aantal tanden in de kaak verschilde en concludeerde voorzichtig tot een Torvosaurus sp. De publicatie uit 2006 suggereerde dat ook een onderste stuk dijbeen, ML 632, van deze vorm zou kunnen zijn. Bij het dijbeen is er het probleem dat van het Amerikaanse materiaal alleen Brontoraptor een dijbeen omvat waarmee vergelijking mogelijk is. In 2013 werd uit Portugal de vondst bekendgemaakt van een embryo in een ei dat aan Torvosaurus werd toegewezen. In 2014 werden de meeste Portugese vondsten benoemd als een tweede soort: Torvosaurus gurneyi met als holotype specimen ML 1100. De soortaanduiding eert de paleontologisch illustrator James Gurney, de schrijver van de Dinotopia-boeken.
In 1998 wees Lü Junchang een aantal wervels gevonden bij Datong in Shanxi, China, aan een Allosaurus sp. toe. In 2012 meende Carrano dat ze meer een cf. Torvosaurus waren, dus een met Torvosaurus te vergelijken vorm.
In 1988 viel Gregory S. Paul de nauwe overeenkomst in bouw tussen Torvosaurus en Megalosaurus bucklandii op en hernoemde de eerste naar een Megalosaurus tanneri. Dit heeft geen navolging gevonden, hoewel volgens de laatste analyses beide taxa inderdaad zustersoorten zijn en men Torvosaurus dus bij Megalosaurus zou moeten onderbrengen, zou men het geslacht niet als zodanig willen erkennen.
Beschrijving Algemene bouw, grootte en onderscheidende kenmerken miniatuur|350x350px|Vergelijking in grootte tussen de verschillende soorten