De ekster op de galg is een schilderij van Pieter Bruegel de Oude uit 1568. Het hangt in het Hessisches Landesmuseum in Darmstadt. Het bevat een waarschuwing tegen roddelaars en verklikkers. Dit is wellicht het laatste schilderij van Bruegel. Olieverf op paneel, 45,9 × 50,8 cm.
Geschiedenis Er is voor het eerst sprake van De ekster op de galg in het Schilder-Boeck (1604) van Karel van Mander:Van Mander 1604, p. 233-234
Volgens Van Mander heeft Bruegel dus een testament opgesteld waarin hij expliciet vermeldt dat hij De ekster op de galg nalaat aan zijn vrouw Mayken Coecke. Zij was de dochter van Mayken Verhulst en Pieter Coecke van Aelst (1502-1550), de leermeester van Bruegel. Mayken Coecke verloofde zich op 25 juli 1563Bastiaensen 2013, p. 27 met Pieter Bruegel in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen. Later dat jaar trouwden ze in de Kapellekerk te Brussel, waar nog altijd hun grafmonument hangt. Ze kregen twee kinderen, Pieter in 1564 en Jan in 1568.
Bruegel stierf in 1569, wellicht na een lang ziekbed,Van Mander spreekt over Bruegels "doot-sieckte" en er zijn geen werken uit 1569 bekend en liet zijn vrouw dus De ekster op de galg na, maar ook de grisaille Christus en de overspelige vrouw, want in het begin van de zeventiende eeuw was die nog in het bezit van zijn zoon Jan.Brief van Jan Brueghel II aan Federigo Borromeo, kardinaal van Milaan, waarin hij meldt dat zijn vader Jan Brueghel I dit schilderij schonk aan de kardinaal, gedateerd op 22 augustus 1625 Net voor zijn overlijden had Bruegel zijn vrouw de opdracht gegeven enkele prenten die "al te seer bijtigh oft schimpich wesende" te verbranden, zodat ze niet in de problemen zou komen. Mayken Coecke stierf in 1578 en vanaf dan tot haar dood in 1599 stond haar 60 jaar oude moeder Mayken Verhulst in voor de opvoeding en schildervorming van haar kleinzonen Pieter en Jan en dus ook voor de zorg over het familiebezit.
Vanaf de 17de eeuw begonnen de landgraven van Hessen-Darmstadt aan de uitbouw van een kunstcollectie. In 1820 schonk groothertog Lodewijk I van Hessen-Darmstadt deze kunstverzameling in de vorm van een stichting aan het groothertogdom Hessen. Uit deze stichting is het Hessisches Landesmuseum in Darmstadt ontstaan, waar momenteel het schilderij De ekster op de galg hangt.
Plaats in het oeuvre Na zijn reis naar Italië (tussen 1552 en 1554) begon Bruegel als tekenaar van landschappen bij prentuitgever Hieronymus Cock in Antwerpen. In het midden van de 16de eeuw was de vraag naar prenten van Jheronimus Bosch zeer groot en misschien was het Cock die Bruegel ertoe aanzette om op die vraag in te spelen. In 1556-1557 werkte Bruegel aan een reeks met de Zeven Hoofdzonden als thema. Rond 1560 koos Bruegel ervoor om zich min of meer voltijds op zijn loopbaan als schilder te concentreren. Hij begon met zijn zeer bekende Wimmelbilder, namelijk De spreekwoorden (1559), De strijd tussen Vasten en Vastenavond (1559) en De kinderspelen (1560) en de meer demonische werken Dulle Griet (1561), De val van de opstandige engelen en De triomf van de dood (ca. 1562). In de jaren daarna volgden dan de bekende boerenschilderijen die Bruegel uiteindelijk de bijnaam Boerenbruegel zullen opleveren: De twaalf maanden (1565), De boerenbruiloftsdans (1566), De boerenbruiloft (ca. 1567), De boerendans (ca. 1567). Tegelijkertijd werkt hij ook aan een reeks waarin hij het Heilige Land naar de Nederlanden verplaatst en zich inspireert op de perikelen van zijn tijd: De kruisdraging (1564), De volkstelling (1566), De kindermoord (1566), De bekering van Paulus (1567). In 1568 maakt hij een aantal kleinere werken waarin hij zich concentreert op een welbepaalde scène, vaak geplaatst in een idyllisch landschap: De nestrover, De misantroop, De parabel der blinden, De kreupelen, Drie soldaten. De ekster op de galg dateert uit dat laatste jaar en past ook bij het concept van die laatste groep: een kleine groep mensen in een tafereel met een diepere betekenis. Maar het wijkt er ook vanaf door zijn kleine personages en weids landschap, waarmee Bruegel terug aanknoopt bij de grote panorama's uit het begin van zijn carrière.
Interpretatie Eksters thumb|De ekster
Hoewel De ekster op de galg een van Bruegels mooiste landschappen is, heeft het al tot veel discussie geleid tussen kunstkenners. Nochtans werd het al in 1604 geïnterpreteerd door Karel van Mander in zijn Schilder-Boeck:
"een stuck met een Exter op de galgh / meenende met d’Exter de clappighe tongen / die hy de galgh toe eygende."
Het gaat dus over een ekster die op een galg zit en symbool staat voor de clappighe tongen, dat zijn de babbeltongen, de roddelaars en kwaadsprekers, maar uiteindelijk ook de verraders en verklikkers. Met al hun loslippigheid zullen zij mensen aan de galg praten. Volgens Van Mander heeft Bruegel weinig begrip voor achterklap en wenst hij de verraders zelf de galg toe. Deze verklikker is dus een galgvogel, iemand die zelf de galg verdient.Marijnissen 1988, p. 371
Uit Van Manders tekst blijkt dat de ekster op de galg het centrale element van dit schilderij vormt. Bovendien neemt hij ook de belangrijkste plaats in: pal in het midden van het doek. De toeschouwer wordt ook naar dit punt geleid door de uitgestrekte arm van de linkerpersoon van het duo dat komt aangelopen. Er is echter veel meer te zien en dus zijn kunsthistorici op zoek gegaan naar diepere betekenissen.
Er bevindt zich nog een tweede ekster op het schilderij. Hij zit op een boomstronk net voor de galg. Ook dit is niet zo onschuldig als het lijkt. Een boomstronk werd namelijk ook een blok genoemd en hiermee verwijst Bruegel naar de rechtspraak in de 16de eeuw.Roger 1995, p. 373 Een blok is namelijk ook een zwaar houten straftuig dat aan een been of rond de hals (schandpaal) werd vastgemaakt.WNT ‘’Blok’’ http://gtb.inl.nl/iWDB/search?actie=article&wdb=WNT&id=M009504&lemmodern=Blok Het kan ook verwijzen naar het kapblok bij een onthoofding. Spreekwoorden die hiermee nog verband houden zijn een blok aan het been en iemand voor het blok zetten. Dus net als de ekster op de galg die mensen aan de galg praat kan de ekster op het blok mensen voor het blok zetten. Bovendien is een dode boomstronk, een dorren block,Cats 1622 op zich al een symbool voor het levenloze, de dood.
Eksters werden van oudsher al beschouwd als ongeluksvogels, verkondigers van dood en rampspoed. Bovendien zouden ze stelen als dieven. Het geluid van een ekster wordt klappen genoemdWNT Klappen (II) http://gtb.inl.nl/iWDB/search?wdb=WNT&actie=article&uitvoer=HTML&id=M032980 en dat doen ze veel, vandaar het spreekwoord klappen als een ekster.WNT ‘’Ekster’’ http://gtb.inl.nl/iWDB/search?actie=article&wdb=WNT&id=M015813&lemmodern=ekster Klappen wordt vaak ook negatief gebruikt als roddelen, kwaadspreken zoals in achterklap of verklappen. Vandaar ook de klappende tongen of zoals bij Van Mander clappighe tongen. Bruegel heeft hier al op gealludeerd in zijn Twaalf spreekwoorden (1558). Op het derde tafereeltje staat een vrouw met in de ene hand water en in de andere hand vuur. Het onderschrift luidt "In deen hant draghe vier dander waeter / met clappaers en clappeyen houd ik den snaeter". Hetzelfde tafereeltje staat ook links onderaan op De spreekwoorden (1559). Bruegel waarschuwt ons voor dubbelhartige en schijnheilige mensen, ze zijn niet te vertrouwen en zullen een geheim vlug doorvertellen.
Galg Dit is een van Bruegels meest virtuoze landschappen, maar het idyllische beeld wordt bruut verstoord door de galg die samen met de ekster centraal op het werk staat. De galg deelt het schilderij zelfs in twee helften. De linkerhelft bruist van de actie, dans en muziek, de rechterhelft toont de rust en de stilte van de natuur.
Er is iets vreemds aan deze galg, ze lijkt zelfs een onmogelijke figuur te zijn. Aan de basis staan de twee rechtopstaande palen netjes tegenover elkaar, maar naar boven toe zijn ze helemaal verdraaid, waardoor de dwarsbalk schuin staat. Net als het doorhangende kruis is de galg oud en scheef getrokken. Een gelijkaardige galg en even scheefgetrokken, maar wel in spiegelbeeld, vinden we terug op de achtergrond van De terugkeer van de kudde (1565).
Kruis thumb|Op deze gravure staat de galg en het gerechtskruis met calvarie links bovenaan
Een kruis in het landschap kan natuurlijk op allerlei zaken en betekenissen wijzen. Een aantal kunsthistorici zagen in dit kruis een graf, misschien van een gehangene. Dit kan niet, want terdoodveroordeelden werden niet in gewijde grond of onder een kruis begraven. In werkelijkheid hoeft het helemaal niet te verbazen om bij een galg een kruis aan te treffen in de 16de eeuw. Dit is namelijk een gerechtskruis.Nackaerts 1969 Dit zijn kruisen die uit barmhartigheid met de terdoodveroordeelden werden opgericht op het galgenveld. Daar konden ze hun laatste gebeden doen en er moed uit putten tijdens hun laatste uur. Bruegel heeft zowel in het Antwerpse als in het Brusselse zulke gerechtskruisen gezien. In de 16de eeuw stonden er in Antwerpen dergelijke kruisen bij Het Steen, op de Meirbrug en op het Galgenveld (nu Koning Albertpark).Nackaerts 1969, p. 139-140 In Brussel stonden er misschien op de Galgenberg (nu Justitiepaleis) en in ieder geval in Evere.Nackaerts 1969, p 140 Net als de galg is het gerechtskruis door ouderdom en slijtage scheef gezakt. Er is een klein heiligenbeeldje aangebracht in het kruis.
Bruegel heeft nog op andere werken dergelijke gerechtskruisen afgebeeld. In de rechterbovenhoek van de Gerechtigheid (1559) staat een heel mooi voorbeeld vlak bij een groot galgenveld.Nackaerts 1969, p. 141 We zien een calvarie op een stenen sokkel met Christus aan het houten kruis, terwijl Maria en Johannes aan de voet staan. Aangezien Bruegel toen nog in Antwerpen woonde, vermoedt Nackaerts dat hij zich misschien heeft laten inspireren door het Galgenveld van Antwerpen. Op De triomf van de dood (ca. 1562) zijn wel veertien kruisen te zien.Nackaerts 1969, p. 142-143 Tussen het kleine galgenveld links en het grote rechts staan de eigenlijke gerechtskruisen met de dodenkapel op de achtergrond. De boodschap van dit schilderij is dat niemand, van welke rang of stand ook, aan de dood ontsnapt. Tegelijkertijd kunnen ze te midden van alle ellende moed putten uit het geloof, want alle kruisen zijn gaaf en ongeknakt gebleven.
Aan de voet van het kruis op De ekster op de galg ligt een hoop rode stenen. Velen hebben zich afgevraagd wat hiervan de betekenis zou kunnen zijn. Uit de vergelijking met het gerechtskruis op de Gerechtigheid blijkt dat de hoop stenen wellicht de restanten zijn van de stenen sokkel van een calvarie. Misschien liggen de brokstukken van de beelden er ook nog tussen. Is dit een verwijzing naar de Beeldenstorm uit 1566? Zo is bekend dat de stenen calvarieberg op het Galgenveld van Antwerpen in 1566 door de beeldenstormers werd verbrijzeld.Nackaerts 1969, p. 140 Het gerechtskruis op de Meirbrug overleefde de Beeldenstorm, maar werd tijdens het calvinistisch bewind gesloopt op 25 maart 1580. 16de-eeuwse toeschouwers zullen dit ongetwijfeld in verband gebracht hebben met het hoopje stenen voor het kruis.
Paardenschedel