De Habsburgse Nederlanden was een benaming voor de gebieden in de Lage Landen die geregeerd werden door vorsten uit het huis Habsburg. Deze periode begon in 1482 en eindigde voor de Noordelijke Nederlanden in 1581 (erkend in 1648) en voor de Zuidelijke in 1795.

Deze geschiedenis van de Habsburgse Nederlanden beschrijft de periode tussen het einde van de Bourgondische tijd in 1482 en het begin van de Spaanse tijd in 1556, toen de Nederlanden (ongeveer samenvallend met het huidige Nederland, België, Noord-Frankrijk en Luxemburg) onder het bestuur van het huis Habsburg kwamen. Het Prinsbisdom Luik maakte geen deel uit van de Habsburgse Nederlanden aangezien zij geen deel uitmaakten van de Zeventien Provinciën, maar wordt wel gerekend tot de Zuidelijke Nederlanden.

De Habsburgse Nederlanden miniatuur|De verdeling van de Bourgondische erfenis tussen Frankrijk en Habsburg tot 1493

Vanaf 1482 worden de Bourgondische Nederlanden of Lage Landen van herwaarts over de Habsburgse Nederlanden genoemd, omdat hun erfenis na de dood van de laatste Bourgondische hertogin aan het huis Habsburg werd overgedragen.

Onder Filips de Schone - regent Maximiliaan van Oostenrijk (1482-1494) miniatuur|Keizer Maximiliaan I met zijn zoon Filips de Schone, zijn vrouw Maria van Bourgondië en zijn kleinkinderen Ferdinand I, Karel V en Eleonora. Dit tafereel is fictief: Maria was al overleden in 1482 voordat haar kleinkinderen werden geboren.

Toen op 25 maart 1482 de vijfentwintigjarige aartshertogin Maria van Bourgondië door een val van haar paard overleed, was het haar echtgenoot Maximiliaan van Oostenrijk die het regentschap over de Nederlanden moest waarnemen voor hun vierjarige zoon Filips de Schone.

Politieke accentverschuiving In tegenstelling tot zijn overleden echtgenote was de toekomstige keizer van het Heilige Roomse Rijk nooit bijzonder populair geweest in de Lage Landen. Hij bezat niet voldoende politieke feeling voor wat daar leefde aan sociale krachten, sprak ook de taal niet. En iedereen voelde aan dat zijn ware motivatie erin bestond de Bourgondische staat van voor 1477 te herstellen, terwijl hij zich tegen Frankrijk verdedigde. Hij was dan ook erg begaan met het innen van gelden voor oorlogen en trad daarbij de privileges van de steden met voeten.

De periode onder Maximiliaan als regent wordt gekenmerkt door krachtsverhoudingen van drie partijen, die haaks op elkaar stonden: zijn eigen ambitie om Bourgondië te heroveren en later het Duitse Rijk naar het westen toe uit te breiden, de ambitie van de Franse koning om zijn rijk naar het oosten uit te breiden, en daartussen de ijver van de steden met hun eigen tweestrijd tussen patriciaat en ambachten of gilden, waarbij vooral deze laatsten hun politieke macht wensten te vergroten om ten behoeve van de handel de vrede te bestendigen. Dit leidde tot wisselende overhandse bondgenootschappen.

Vrede van Atrecht miniatuur|Topografische kaart van Graafschap Artesië late 14e eeuw. De Staten-Generaal die de Nederlanden hoorden te besturen, bleken niet bij machte de eenheid te bewaren, vanwege innerlijke verdeeldheid uit particularisme. Maximiliaan beloofde hun dan wel geen oorlog of vrede zonder voorafgaande goedkeuring aan te gaan, evenmin hield hij hen op de hoogte van zijn plannen. Dat wekte achterdocht, wrevel en uiteindelijk opstand (waarin overigens koning Lodewijk XI van Frankrijk via opruiers mee de hand had) in verschillende steden in Vlaanderen en daarna ook in Holland, Brabant en Utrecht. Maximiliaan beantwoordde dit in de klassieke stijl met militair geweld. De Staten wisten uiteindelijk, aangedreven door onderhandelaars uit Gent, de aartshertog te overhalen om op 23 december 1482 het verdrag van Atrecht te ondertekenen, waarbij de vrede met Frankrijk gegarandeerd werd, en hij dus zijn ambitieuze plannen moest opbergen. De vrede was in het voordeel van de steden, die op die manier hun handel en nijverheid verder konden uitbreiden. Er brak toen een periode aan waarin de buitenlandpolitiek van Maximiliaan in feite gedicteerd werd door de machtige stad Gent, die zich gesteund wist door Lodewijk XI.

Maar na de dood van de Franse koning (30 augustus 1483) verklaarde Maximiliaan de Vrede van Atrecht ongeldig, omdat deze onder bedreiging was afgedwongen, en terstond trad hij in actie om een alliantie te smeden waarmee hij weerwraak zou nemen en Bourgondië heroveren. Hij meldde al zijn gezanten alvast de toezegging van de staten van de Nederlanden, behalve Vlaanderen, "dat hij weldra zou onderwerpen". Dit bleek niet enkel grootspraak, want naarmate de particularistische politiek van de ‘Drie Leden’ in Vlaanderen machtiger werd, hadden de andere gewesten begrepen, dat zij dezelfde belangen hadden als Maximiliaan. En toen deze laatste met een getraind leger kwam opdagen, gaven een na één de versterkte plaatsen zich over. Gent moest van al zijn sedert 1477 verkregen privileges afzien en zich ertoe verbinden de hertog in het genot te laten van al de door hen betwiste rechten, voorrechten, domeinen en heerlijkheden. Filips verliet het Prinsenhof, en ging in Mechelen verblijf houden.

Rooms koning Daarna richtte Maximiliaan zich op zijn taak in het Heilige Roomse Rijk. In juni 1486 keerde hij gekroond als Rooms koning terug en deed zijn intrede in de steden. Die ontvingen hem nu met ongemeen praalvertoon, ‘want het was iets nieuws en ongewoons, een koning tot heer te hebben’. In juli kwam zijn oude vader, keizer Frederik III op familiebezoek en werd met evenveel praal ontvangen. Het was immers sedert keizer Hendrik V geleden dat nog een keizer de Lage Landen had bezocht. Hij kwam dan wel niet als hoofd van het Duitse Rijk, maar als hoofd van het Habsburgse huis om zijn verwanten te zien en zijn kleinzoon in de armen te drukken.

Maximiliaan van zijn kant was nog steeds verbitterd en wilde de hoon van de Vrede van Atrecht wreken. Zijn plan was om Frankrijk tussen twee legers te verpletteren en daarvoor sloot hij een overeenkomst met de hertog van Bretagne en vriendschapverdragen met Orléans en Navarra. Vanaf de zomer 1486 kwamen de legers in beweging. Picardië en Artesië werden onder de voet gelopen. In augustus sloegen de Fransen terug en namen Sint-Omaars en Terwaan waarna ze een grote overwinning behaalden voor Béthune. De steden voelden intussen de druk van de toenemende belastingen om de oorlog te financieren en ondergingen de ongemakken van zich kazernerende legers, en ze begonnen zich weer tegen Maximiliaan te keren. Vooral de Vlamingen, die de Vrede van Atrecht als hun verwezenlijking hadden beschouwd, vergaven de vorst niet, dat hij die geschonden had. Brugge beschuldigde hem ervan, dat het zijn handel aan die van Antwerpen had moeten prijsgegeven. Gent kon de verbeurdverklaring van de privileges nog steeds niet verkroppen en sloot opnieuw een alliantie met Frankrijk, waarna het een soort Gents Gemenebest uitriep, met herstel van de oude vrijheden terwijl de ambachten hun eerder overwicht hervatten. Brabant bleef de kant van de vorst kiezen, omdat het geen nieuw concurrentievoordeel voor Brugge tegenover het opkomende Antwerpen wenste.

Nadat de Gentse coalitie op 9 januari 1488 een geslaagde krijgstocht tegen Kortrijk voerde, kwam Maximiliaan met een klein leger naar Brugge 'om te onderhandelen'. Alleen hemzelf werd toegang verleend door de gewapende milities van de ambachten die de poorten bewaakten, waarna hij door een verbitterd en achterdochtig geworden volk van ambachtslieden werd vastgehouden om inderdaad te onderhandelen. Frankrijk stuurde bemiddelaars, en Karel VIII zette zelfs uiteindelijk zijn zegel op de bereikte overeenkomst van 12 mei 1488 nadat die ook door Brabant, Henegouwen, Zeeland en het Naamse was aanvaard, en waarin Maximiliaan de vredesbelofte herstelde en het groot privilege bevestigde. Drie dagen nadat de vrede in Henegouwen en Brabant plechtig was uitgeroepen, verbrak hij echter opnieuw die overeenkomst en kwam met een groot leger "op bevel van de keizer" Gent belegeren. Intussen kwamen vanuit het zuiden Franse troepen Gent te hulp. En nadat Antwerpen zich aan de zijde van Maximiliaan schaarde, gevolgd door Henegouwen, terwijl Brussel en Leuven aan Gent trouw bleven, raakte het land in een tweestrijd tussen enerzijds degenen die de vrijheden aanhingen en anderzijds zij die de handels- en nijverheidsbelangen het hoogst aanschreven.

Politieke verdeeldheid De onafhankelijkheidsgedachte won veld in de persoon van Filips van Kleef die Maximiliaan verweet de Nederlanden bij Oostenrijk te willen inlijven. Filips van Kleef kon het keizerlijk leger gemakkelijk weerstand bieden met de steun van de Vlaamse steden, en in september ook Brussel en Leuven, door de Hoeksen, die weer de wapens opnamen, door de Luikenaars met Willem van der Marck en ten slotte, door Esquerdes' ruiterij en de door Karel VIII gezonden Franse huurlingen. Frederik noch Maximiliaan bezaten overigens de middelen om hun krijgstroepen lang onder de wapens te houden. Deze raakten ontmoedigd na een vergeefse veertiendaagse belegering van Gent, dat gewoontegetrouw als verdedigingsmiddel het omliggende onder water zette door zijn rivieren te doen overstromen. De terugtrekking nadat Frederik in oktober zelf uittrok, leverde op het platteland nog een aantal vernielende schermutselingen op, waarna in februari 1489 Maximiliaan zelf wegens andere politieke belangen de Nederlanden verliet, en de herovering van de gebieden overliet aan de stadhouder, hertog Albrecht van Saksen. In de periode die volgde geraakte de burgeroorlog in de Nederlanden ondergeschikt aan de grotere internationale politiek, en besloten de steden een na één hun poorten open te zetten voor deze Albrecht. De Franse koning had namelijk als opperleenheer van Vlaanderen bij het verdrag van Montil-lez-Tours van 30 oktober 1489 aan Maximiliaan toegezegd dat zij de Roomse koning als momboor zouden erkennen en hem 300.000 gouden kronen betalen, als boete en in ruil voor vrede. Filips van Kleef, die dit verdrag weigerde te tekenen, trok naar Sluis, dat de weerstand tegen Albrechts pogingen tot bezetting dan ook zou blijven volhouden. Maar zijn ambitie om de grote oppositie tegen de 'momboor' te leiden was mislukt.

De laatste gewapende uitbarstingen van particularisme in Brugge en Gent luidden een nieuwe tijdsgeest in. Na de onderwerping van de meest ontembare stad in de Nederlanden eindigde het tijdvak van de gemeenteoproeren. De strijd, die meer dan een eeuw tussen de Staat en de gemeenten gevoerd werd, was een strijd tussen het middeleeuws grondbeginsel van particularistische zelfstandigheid en het nieuwere van monarchale centralisatie. Hij zou eindigen met het zegevieren van dit laatste.

Onder Filips de Schone (1494-1506) Op 12 juni 1493 werd de jonge Margaretha van Oostenrijk overgedragen aan de gezanten van haar vader, om naar Mechelen te worden gebracht. De Blijde Inkomst in Leuven op 9 september 1494 van haar intussen meerderjarig geworden broer Filips de Schone luidde een nieuwe periode van vrede in voor de Nederlanden.

Hij zette er de centralisatiepolitiek van zijn voorgangers voort, onder meer door in 1504 te Mechelen definitief de Grote Raad te vestigen. In alle steden werd de magistraat vervangen door de ‘commissarissen des vorsten’ en aldus aan de invloed van de ambachten onttrokken. Kenmerkend was vooral dat in de Nederlanden de buitenlandpolitiek van het vorige bewind door een nationale politiek werd vervangen. De (Generale of Provinciale) Staten bepaalden vanaf nu samen met de vorst de buitenlandpolitiek en er werd afgewogen wat voor de Nederlanden het gunstigst was, ook als dat tegen de Oostenrijkse belangen inging (zoals het handelsverdrag Magnus Intercursus, dat op 24 februari 1496 tussen Engeland en de Nederlanden werd getekend).