De rijksheerlijkheid Kessenich was een zelfstandige heerlijkheid in het Heilige Roomse Rijk. Ze was opgebouwd uit Kessenich, Kinrooi, Groot-Beersel en Hunsel. Tegenwoordig maken deze dorpen deel uit van de gemeenten Kinrooi (in Belgisch-Limburg) en Leudal (in Nederlands-Limburg).
Samenstelling De adellijke titel "heer van Kessenich" gaf beschikking over de volgende leengoederen: Een langgerekt gebied tussen de Maas en de moerassen van de Broekziep. In deze strook lagen Kessenich, Kinrooi en een gehucht genaamd de Gallert.Ferrariskaarten, blad Maaseik. In de dorpskern lag het mottekasteel op den Berg; even buiten het dorp lag het kasteel Borgitter. Voorbij Neeritter begon de tweede helft van de heerlijkheid. Hier beperkte de bewoning zich nog tot een zestal gehuchten: Beersel, het Groot-Beersel, Hunsel, op Uffelsen, Haler en Castert. Bij Aldeneik lag een kleine exclave genaamd Mijnekom. Alle bewoning trok echter weg in de 16e eeuw, naarmate de Maas haar bedding verlegde doorheen het gebied.Piet Henkens (1998). Mijnecom en de relatie tussen Kessenich en Aldeneik – in De Maaseikenaar 28/2, p. 64-70. De gedeelten die op de rechter Maasoever belandden, gingen in 1711 verloren aan Ohé en Laak.Dit waren verschillende weerden, van noord naar zuid: de Teggerweert, Millenweert, Munnicker Ohé (dat wil zeggen "ooi van Mijnekom"), de Munnickenweert en de Dilkensweert. Zie Piet Henkens (1979). De geschiedenis van Kessenich, p. 504. Tal van landgoederen buiten deze gebieden waren eveneens verbonden aan het leenhof in Kessenich (de "grootlenen").Piet Henkens (1979). De geschiedenis van Kessenich, pagina's 509-514 en 518-533. In het zuiden lagen ze in Geistingen, Ophoven, Aldeneik, Gremelslo, Klein- en Groot-Heppeneert en Roosteren. In het noorden lagen ze in Neeritter, Nederweert en Beegden.
Binnen deze gebieden bestond tot 1400 ook een heerlijkheid Bronshorn, maar tegen 1700 was al niet meer duidelijk welke landgoederen daartoe behoord hadden.Piet Bouveroux (1959). Kessenich, vrije rijksheerlijkheid – in Het oude Land van Loon 14, p. 94-95. Aangenomen werd dat Bronshorn een verdwenen benaming was voor de noordelijke helft. Bronshorn was echter geen gebiedsnaam, maar een familienaam.A.D.A. Monna (1988). Zwerftocht met middeleeuwse heiligen, p. 118-120. In de 14e eeuw bezat het geslacht Braunshorn een leengoed binnen Kessenich, waarvan de omvang onbekend is. Kessenich en Bronshorn hadden toen een gemeenschappelijke schepenbank, wat suggereert dat Bronshorn voordien afgesplitst was van Kessenich.P.L. Nève (1972). Het rijkskamergerecht en de Nederlanden – in Maaslandse Monografieën 14, voetnoot p. 353.
Organisatie thumb|Een edelman zweert trouw aan zijn leenheer
Gedurende de 9e en 10e eeuw viel de Maasgouw uiteen in eigengoederen. Een van de eigengoederen strekte zich uit van de abdij van Aldeneik tot het stamland van Horn. Dit eigengoed werd, omstreeks het jaar 1000, geschonken aan het kapittel van Sint-Lambertus in Luik. Aanvankelijk behield het eigengoed haar zelfbestuur, maar geleidelijk aan kwamen grote delen onder het bestuur van twee plaatselijke vazallen van het prinsbisdom Luik: de graaf van Loon en de heer van Horn. Slechts het oude machtscentrum (het mottekasteel op den Berg), een kerkelijke enclave (de abdij van Thorn) en een Luikse stichting (het Luiks vrijdorp Neeritter) behielden hun zelfbestuur. Zij groeiden uit tot drie ministaatjes, bijgenaamd "de Drie Eigen".
In 1321 besloten de "heer van Kessenich" en de "heer van Bronshorn" hun eigengoed onder de bescherming te stellen van Brabant en Gulik.Piet Henkens (1979). De geschiedenis van Kessenich, p. 567. Zij en hun toekomstige erfgenamen brachten hulde aan de twee hertogen (de leenverheffing) en werden door hen bekrachtigd als de rechtmatige landsheer. Het middeleeuwse erfrecht gaf meestal de voorkeur aan zonen en broers, zodat leengoederen binnen eenzelfde familie bleven (de vererving in mannelijke lijn). Het Gulikse recht ging hierin zo ver dat, bij een gebrek aan mannelijke nazaten, het Gulikse leenhof een rechtmatige opvolger moest zoeken in neventakken van de familie. Het Brabantse recht was minder strikt en beleende dan schoonzonen en schoonbroers (de vererving in vrouwelijke lijn).
Bij zijn aantreden moest elke landsheer trouw zweren aan het eeuwenoude landrecht, maar afgezien hiervan was hij soeverein over het gebied. Met behulp van zijn schepenbank besliste hij over nieuwe wetten en belastingen. De eerste vermelding van deze schepenbank stamt uit 1279. (2000). Handboek voor de geschiedenis van Limburg, p. 29. (tekst deels online). Aanvankelijk genoot Kessenich rijksvrijheid; enkel de Rijkshofraad kon zich mengen in de interne aangelegenheden, wat ze in de praktijk nooit deed. Toen de Rijkshofraad kreitsen oprichtte, eisten twee kreitsen de soevereiniteit over Kessenich: de Bourgondische Kreits namens Brabant, de Nederrijns-Westfaalse Kreits namens Gulik.A.M.J.A. Berkvens (1986). De vrije rijksheerlijkheid Kessenich, van Brabants en Guliks leen tot Gelders territoir – in Publications de la Société historique et archéologique dans le Limbourg 122, p. 149-177. Kessenich bleef zelfstandig maar betaalde, vanaf 1701, een jaarlijkse belasting voor militaire bescherming vanuit Opper-Gelre.Piet Bouveroux (1959). Kessenich, vrije rijksheerlijkheid – in Het oude Land van Loon 14, p. 96 en 99.
Ook de rechterlijke macht werd plaatselijk uitgeoefend. Wanneer inwoners een geschil hadden, werd een civiel proces opgestart bij de schepenbank. Een partij die het vonnis onrechtvaardig achtte, kon in appel gaan bij het gerecht in de rijksstad Aken, en daarna bij het Rijkskamergerecht.P.L. Nève (1972). Het rijkskamergerecht en de Nederlanden – in Maaslandse Monografieën 14, p. 352 en 355. Bij misdrijven, wanneer men simpelweg iemands daden moest bestraffen, werd een correctioneel proces opgestart en was een appel niet gebruikelijk. Doodstraffen werden wel een tweede maal bestudeerd, tijdens een samenkomst met de naburige schepenbanken (de vergadering der Drie Eigen). Vanaf ±1460 werden doodstraffen uitgevoerd zonder overleg met de buurdorpen. Aan het einde van de 18e eeuw lag het galgenveld van Kessenich nabij de huidige Heinestraat. Hier werden toen een aantal Bokkenrijders terechtgesteld.Juliaan Melchior (1981). De Bokkerijders, feiten en verhalen, p. 307.
De uitvoerende macht werd uitgeoefend door de meier, die te Kessenich ook "schout", "scholtis" en "drossaard" genoemd werd. De schout was verantwoordelijk voor het dagelijkse bestuur, de ordehandhaving, het toezicht op de infrastructuur en het ophalen van belastingen. Hierin werd hij bijgestaan door de burgemeesters. In de 17e en 18e eeuw was de heerlijkheid verdeeld in zeven kwartieren: Kessenich, Kessenicher Beersel, Kin(d)re, Hunsel, Beersel-onder-Hunsel, op Uffelsen en Haler.Piet Henkens (1979). De geschiedenis van Kessenich, p. 470. In elk kwartier koos de bevolking twee burgemeesters voor één jaar. In de Franse tijd werd het ancien régime afgeschaft. De zeven kwartieren werden toen samengevoegd tot twee gemeenten: Kessenich (de eerste drie kwartieren) en Hunsel (de overige vier).
Leenrechtelijke ontwikkelingen Luikse en Brabants-Gulikse periode (tot 1600) thumb|Graaf Ansfried "de Jongere", de latere prins-bisschop van het Sticht Utrecht
± 950: In de nasleep van de opstanden door Giselbert van de Maasgouw en Reinier van de Henegouw worden hun graafschappen in beslag genomen en verdeeld over edellieden zoals Ansfried de Oudere. ± 1000: Ansfried van Utrecht schenkt zijn Maaslandse bezittingen aan het kapittel van Sint-Lambertus, de instantie die verbonden is aan de Sint-Lambertuskathedraal van het bisdom Luik. 1155: Paus Adrianus IV en Frederik Barbarossa bevestigen dat de burcht in Kessenich (castrum Cassenic) met bijhorende dorpen nog steeds bezit zijn van de Luikse Kerk. 1242–1247: Erfeniskwestie tussen Willem I van Horne en Sophia van Altena.Taede Klaversma (1978). De geslachten van Altena en Horne tot ca. 1300 – in Publications de la Société historique et archéologique dans le Limbourg 114, p. 30. Verwerft Willem in het kader van dit conflict die gedeelten, waarin later nog verspreide "grootlenen" van Kessenich blijken te liggen? 1321: De geslachten "van Kessenich" en "van Bronshorn" besluiten hun allodia rond Kessenich leenroerig te maken. Het geslacht "van Kessenich" draagt haar gedeelte op aan Gulik en Brabant. Zo'n dubbele leenband bemoeilijkt een eventuele mediatisering door een van de nieuwe leenheren.M. Bussels (1955). Een en ander over de rijksheerlijkheden van de Maasvallei – in Het oude Land van Loon 10, p. 195. Het kleinere Bronshorn wordt integraal Brabants. 1402: Door strijd en/of huwelijk worden de twee gedeelten herenigd, in de vorm van een personele unie. 1429: De landsheer verklaart zich akkoord om bij alle toekomstige opvolgingen het Gulikse erfrecht te respecteren, dat strikter is dan het Brabantse erfrecht. Bij een ontstentenis van zonen of broers, kan het gebeuren dat de heerschappij verloren gaat aan een neventak van de familie. 1500–1548: Het Heilige Roomse Rijk delegeert alle soevereiniteit naar de nieuwe rijkskreitsen. Kessenich wordt niet uitdrukkelijk eingekreist. Geografisch gezien is het een enclave in de Nederrijns-Westfaalse Kreits (met Loon en Horn) maar ook de Bourgondische Kreits (met Weert en Stevensweert).
De inmenging vanuit de Spaanse Nederlanden neemt toe (1600–1690) thumb|Kessenich lag op de grens tussen de Bourgondische Kreits en de Nederrijns-Westfaalse Kreits
1618: De Collards willen de heerschappij binnen hun familietak houden, met Johanna Collard als nieuwe vrouwe.Piet Bouveroux (1959). Kessenich, vrije rijksheerlijkheid – in Het oude Land van Loon 14, p. 83-99. De heerlijkheid vererft dan in vrouwelijke lijn, naar de aangetrouwde familie "van Malsen". Omdat Gulik niet zou instemmen met deze keuze, wordt de leenverheffing enkel voldaan in Brabant. 1624: De Gulikse leenband, alsook de Gulikse bepaling van 1429, zijn geschonden. Gulik beroept zich op zijn medezeggenschap en installeert, met enig machtsvertoon, een verre verwant te Kessenich. Jacob van Malsen zoekt steun bij mede-leenheer Brabant. Brabant doet een beroep op Opper-Gelre om Jacob naar Kessenich te begeleiden en de Gulikse kandidaat te verjagen. 1638–1641: Jacob van Malsen overlijdt kinderloos. De Raad en Leenhove van Brabant beleent Jacobs schoonbroer, Ferdinand. Opnieuw wordt er geen rekening gehouden met een pretendent die Gulik naar voren schuift als rechtmatige erfgenaam. Het adellijke geslacht heeft openlijk gebroken met Gulik en erkent de Raad en Leenhove als souverain juge immediat. 1658: Het Spaanse gouvernement misbruikt de leenband om soldaten te inkwartieren. Ferdinand klaagt dat zijn soevereiniteit geschonden wordt. Namens de Nederrijns-Westfaalse Kreits roert ook de prins-bisschop van Luik en Keulen zich. De Raad en Leenhove van Brabant stelt Ferdinand in het gelijk. 1671: Spanje komt nu met het argument dat Kessenich meegebracht zou zijn naar de Bourgondische Kreits, doordat het een enclave tussen Gelderse gebieden vormt. Dit zou Spanje toch recht geven op de soevereiniteit. Kessenich zal de inkwartieringen moeten afkopen met jaarlijkse rationsgelden. 1679: Ferdinand protesteert dat Kessenich, ongeacht het conflict tussen zijn familie en het leenhof van Gulik, een onderdeel is van de Nederrijns-Westfaalse Kreits. Hij laat geen rationsgelden meer uitbetalen. 1680: Vanuit Brussel komt een regiment dragonders, om te eisen dat men Karel II van Spanje erkent als vorst. De schepenen houden vol dat Kessenich behoort tot de Nederrijns-Westfaalse Kreits. 1681–1682: Ook in het Heilige Roomse Rijk kan men niet zeggen tot welke kreits Kessenich behoort. Zolang hierover geen zekerheid bestaat, hebben de rationsgelden een twijfelachtige basis. In een nieuwe lijst van de "Gelderse enclaves" wordt Kessenich louter pro memorie vermeld.A.M.J.A. Berkvens (1990). Plakkatenlijst Overkwartier – Deel 1, p. 98.