Perzische eik (Quercus macranthera) is een plantensoort uit de napjesdragersfamilie (Fagaceae). De soort is voor het eerst beschreven in 1838 door Friedrich Ernst Ludwig von Fischer en Carl Anton von Meyer in het Bulletin de la Societe Imperiale des Naturalistes de Moscou. De soort heeft een economische functie.
Determinatie Perzische eik is een houtige plant die in de regel uitgroeit tot boom. Ze bereikt een gemiddelde hoogte tot 20 m en in zeldzame gevallen tot 30 m. De boom vormt een koepelvormige kroon. De schors van de boom is dun. De scheuten zijn viltig grijs van kleur en zijn behaard. In het tweede jaar worden de scheuten kaal. De bladeren variëren in lengte van 8–20 cm en hebben een omgekeerd eironde vorm. De bladschijf is plat en regelmatig gelobd. De lobben zijn eirond en elke kant van de bladschijf telt zeven tot elf lobben. De lobben in het midden van de bladschijf zijn qua formaat het grootst. De bladschijf telt zeven tot elf paar nerven. De bovenkant van het blad is donkergroen van kleur en is bijna haarloos. De onderkant van het blad is grijs en heeft geelachtige haren. De vruchten zijn ongeveer 2,5 cm lang en zijn eivormig. De top van de vruchten is bedekt met een hoedje.
Ecologie Perzische eik groeit op de steppe en droge bossen op rijke, zandige bodems vermengt met grind of leem. De bodem kan variëren van licht zuur tot sterk alkalisch. De soort groeit op lichte plekken maar is licht schaduwverdragend. Ze is gevoelig voor vocht, temperatuur en is in de meeste gevallen winterhard.
Biogeografie Het natuurlijke verspreidingsgebied van Perzische eik strekt zich uit over het noorden Noord-Iran, Turkije en in het zuidoosten van het Kaukasus gebergte.
Categorie:Eik Categorie:Plant uit het Palearctisch gebied