De Slag op de Kouwensteinsedijk was op 7 en 26 mei 1585 tijdens de Tachtigjarige Oorlog een poging tot ontzet van het door Parma belegerde Antwerpen, door middel van een aanval op de Kouwensteinsedijk door de Staatse vloot onder leiding van Hohenlohe en Filips van Marnix. De eerste aanval mislukte door een misverstand, de tweede aanval mislukte doordat Hohenlohe en Filips van Marnix te vroeg in triomf het slagveld verlieten, omdat zij dachten gewonnen te hebben.
Aanloop miniatuur|links|Aanslag op Parma's brug. De brug was gebouwd met pleiten die behalve als brugdragers tevens dienstdeden als drijvend fort, elk schip was voorzien van twee kanonnen en dertig soldaten. Aan beide uiteinden van de brug was een fort gebouwd. Voor de brug lagen in de Schelde zwaar verankerde vlotten, aan weerszijden tien volledig uitgeruste oorlogsschepen.(collectie: Rijksmuseum Amsterdam) Parma had (gesteund door een ervaren troepenmacht) vanaf 1583 de opstandige Vlaamse en Brabantse steden tot overgave kunnen dwingen. In juli 1584 was hij begonnen met het afsluiten van de Schelde. Op 10 maart 1585 was de capitulatie van Brussel een feit, dat grote verslagenheid bracht binnen Antwerpen. & , Een intellectuele activist: studies over leven en werk van Philips van Marnix van Sint Aldegonde P.32 Uitgave: Uitgeverij Verloren, 2001
Tijdens het Beleg van Antwerpen had de Staatse vloot op verschillende manieren tevergeefs geprobeerd om de belegerde stad te ontzetten. De stad was intussen door een grote schipbrug, de Farnesebrug geblokkeerd voor de scheepvaart. In de maand april hadden de Antwerpenaren nog een poging ondernomen die brug op te blazen, waarvoor de schepen "Fortuin" en "Hoop" waren uitgerust. In de ruimen van de schepen bevonden zich grote gemetselde gewelven, met muren van een meter dikte, gevuld met buskruit. Het schip werd beschermd met schuin geplaatste blauwe grafstenen om vijandelijke kogels te kunnen afweren. Daarnaast werd het ruim gevuld met molenstenen., Beschrijving van Antwerpen, Mechelen, Lier en Turnhout, P.188-189 Uitgave: J. E. Rijsheuvels, 1854 Door het gebruik van een vuurslag met een uurwerk kon men het buskruit op een gewenst uur laten ontploffen. Om Parma's troepen te misleiden lieten ze eerst branders afdrijven naar de brug, daarnaast tweeëndertig platte schuiten die weer voorzien waren van een uurwerk, die van half uur tot half uur zouden branden. Voor de zekerheid zouden enkele met buskruit gevulde schuiten ("duikelaars" genoemd) naar de brug worden afgedreven die zodra ze de brug raakten in de lucht zouden vliegen. De Spanjaarden die vernomen hadden, dat er "iets" zou gaan gebeuren, kwamen in groten getale nieuwsgierig kijken naar het schouwspel. (Zelfs Parma wilde gaan kijken, maar die werd tegen zijn zin op grote afstand gehouden.) De explosies waren gigantisch: "ghevende soo vreesselycken slach dat Hemel ende Aerde scheen te vergaen, oock mede in het water, dat het water over den Dyck vlooch, ende vulde het Fort van Calloo ende de Velden rondtomme, dat men daer tot de knien in het water stondt, ende alle vyer ende lonten uytbluste." Dertienhonderd mensen (vriend en vijand) kwamen bij de enorme explosies om het leven, waaronder de bekende Caspar de Robles. Alhoewel een explosie de nabijgelegen schans had ondersteboven geworpen, had de brug daar nauwelijks onder geleden, de beperkte schade had Parma binnen drie dagen kunnen laten herstellen., Pieter Gerardus Witsen Geysbeek Keur van gedenkwaardige tafereelen uit de Nederlandsche geschiedenis, Volume 2 P.18 Uitgave:G. Portielje, 1827 De laatste hoop op ontzet was nu gericht op de verovering van de Kouwensteinsedijk. Als de staatsen erin zouden slagen om de Kouwensteinsedijk te veroveren zou Parma's brug zelfs nutteloos zijn. Parma's troepen zouden dan verdrinken, of minstens gedwongen zijn om het beleg op te breken., Geschiedenis der Nederlandsche beroerten in de XVIe eeuw, Volume 3, P.71-73 Uitgave: Van Langenhuysen, 1867
Kouwensteinsedijk miniatuur|rechts|Schematische weergave van de omgeving, buiten de Schelde het ondergelopen land, met de Scheldelinie en talrijke forten, schansen onderling verbonden met een bedekte weg:(1) Antwerpen, (2) Parma's brug, (3) vastgelopen "Fin de la guerre", (4) Antwerpse vloot, (5) Kouwensteinsedijk, (6) staatse vloot
De Kouwensteinsedijk of Kauwensteinsedijk was een laag gelegen vestingwerk van drie mijlen lang, op veel plaatsen nauwelijks drie meter breed, met aan weerszijden diep water. Het liep van Stabroek in Brabant (waar troepen van Mansfeld gelegerd lagen) over het onder water gezette land, tot aan de Scheldelinie, niet ver van het fort Lillo. Daar langs de rivier lag een drie mijl lange bedekte weg achter de dijk tot aan de brug naar Kallo en Beveren, het geheel bezet door Parma's troepen. De twee afdelingen van het Leger van Vlaanderen waren dus door de Kouwensteinsedijk gescheiden van elkaar. Als de Kouwensteinsedijk veroverd en doorstoken zou worden zou het water tot een enkel onafgebroken geheel samenvloeien, de Schelde zou dan haar bedding verlaten, Parma's brug droogleggen en mogelijk via de oude bedding weer door Brabant stromen en zodoende een bevaarbare plaats tussen Antwerpen en de Zeeuwse wateren bieden. Parma had het strategische belang van deze dijk ingezien en had een palissade laten aanbrengen aan weerszijden van de dijk. Aan het einde van de dijk had hij een schans laten opwerpen, het "Heilige Kruis" genaamd, die onder bevel stond van Cristóbal de Mondragón. De positie van de Spaanse troepen op die dijk was sterk. Tussen de Kruisschans en Stabroek beschikten zij over vijf schansen die eveneens in 1584-1585 zijn aangelegd, te weten (van west naar oost): Sint Joris, Kauwenstein, Paalschans , Sint Jacob en Pekgat.Prof. Han Leune, Het fort Kruisschans aan de Schelde, 2013, p. 4-5.Gearchiveerd op 5 september 2023. De schans die het dichtst bij kasteel Kauwenstein lag werd Sint Jacob genoemd en stond onder bevel van Camillo Bourbon del Monte, een Italiaan. De Paalschans (of Palenschans) stond onder bevel van Gamboa, omdat deze schans met staketsels in het water geschraagd werd, de dijk was daar te smal om het werk te dragen. De schansgravers hadden onder zware omstandigheden de vestingwerken moeten aanleggen, zij werden tijdens hun werkzaamheden constant beschoten vanuit kogelwerend gemaakte bootjes van de opstandelingen.
Aanvallen De Kouwensteinse dijk was een grotere belemmering dan Parma's brug die de belegerden binnen Antwerpen scheidde van haar bondgenoten. Als de vaarroute weer bevaarbaar zou zijn, zou de stad van voorraden kunnen worden voorzien, maar belangrijker, een uitzicht op ontzet. Men had om die reden na een groot aantal mislukte kleine ondernemingen, deze keer een grote georganiseerde aanval voorbereid op de dijk, ditmaal in samenwerking met de Staatse vloot. Het plan was om de dijk van twee kanten via het water aan te vallen.Jelle Van Goethem, De rol van het Land van Waas in het beleg van Antwerpen, Masterproef, Universiteit Gent, Academiejaar 2009-2010
Eerste poging links|thumb|350px|"Fin de la guerre", door Frans Hogenberg.(collectie:Rijksmuseum Amsterdam) Vanuit Antwerpen zouden er drie grote schepen en zestig pleiten gezonden worden, hoewel sommige dachten dat een groot schip en tien pleiten voldoende zouden zijn. Vanuit de staatse kant waren graaf Hohenlohe en kolonel IJsselstein de bevelhebbers in deze onderneming. Bij het aanbreken van de dag werden de schildwachten overrompeld en gedood. (Volgens Parma's versie lagen de schildwachten te slapen) Vijfhonderd Zeeuwen namen met een grote groep schansgravers, meteen stelling op de dijk in, tussen St. George en de Palenschans. De aanval verliep echter niet zoals gepland. De medewerking van de Antwerpse vloot bleef achterwege door een misverstand, waardoor de Antwerpse vloot niet kwam opdagen, de Antwerpse ondersteuning was juist een cruciaal onderdeel van het plan., Antwerpen en de scheiding der Nederlanden : 1585-1985, P.52 Uitgave: Antwerpen : Gemeentekrediet, 1985 Vanuit de St. George- en Palenschans werd gelijktijdig het vuur op de aanvallers geopend. De schansdelvers hadden geen kans om hun werk behoorlijk uit te voeren, bijna de gehele groep was gedood of had moeten vluchten. De opstandelingen moesten door de aftocht vier schepen en drie- tot vierhonderd mannen achterlaten. Volgens Parma lagen er veertig dood op de dijk, meer dan honderdvijftig waren verdronken. De strijdvaardige Antwerpenaren hadden nu hun hoop gevestigd op een door hun gebouwd monsterschip, een soort drijvend kasteel, genaamd "Fin de la guerre", (het einde van de oorlog) nog nooit eerder was er zo'n groot schip in Antwerpen gebouwd. Het was ontworpen door twee ingenieurs Hendrick en Antheunis genaamd. Het moest vierentwintig kanonnen en vijfhonderd musketiers kunnen voeren., Nieuwe geschiedenis van Antwerpen, of schets van de beginsels en gebeurtenissen dezer stad: alsmede van de opkomste harer instellingen en gestichten P.247 Uitgave: Buschmann, 1862 Men zou vanaf dit reuzenschip met kanonnen de schansen kunnen bestoken, vanuit de masten zouden dan musketiers met hun musketten uit de hand kunnen schieten., Pieter Gerardus Witsen Geysbeek Schoonheden en merkwaardige tafereelen uit de Nederlandsche geschiedenis, Volume 3 P.266 Uitgave:G. Portielje, 1826 De Antwerpenaren waren van plan om met het drijvend kasteel Parma's schipbrug gaan rammen, enkele dagen eerder was de bouw daarvan voltooid. Bij de tewaterlating bleek al dat het schip twee keer zoveel diepgang had, als van tevoren was berekend. Op 21 mei hadden de Antwerpenaren het drijvende kasteel naar Parma's brug laten varen met enkele branders het schip bleek echter te log en onbestuurbaar om in te zetten. Het zou een schans moeten rammen, maar liep vast aan de grond, zodat het zonder moeite door de troepen van Parma kon worden ingenomen en gesloopt. Zes maanden werk en een ton goud ging daarmee verloren. Het schip werd veroverd door Aremberg en Peter Ernst I van Mansfeld en zij lieten het naar Kallo brengen. Enkele dagen later werd nog een poging ondernomen met twaalf gewone schepen, maar alles zonder resultaat.
Tweede poging