De Gallische Oorlog was een Romeinse veroveringsoorlog, die bestond uit een reeks veldtochten van de Romeinse proconsul Julius Caesar, tegen verschillende Gallische stammen. De oorlog duurde van 58 v.Chr. tot 51 v.Chr. Naast Gallië vielen de Romeinen ook Brittannië en Germanië binnen, maar deze expedities ontwikkelden zich niet tot grote invasies. De Gallische Oorlog mondde uit in de beslissende Slag bij Alesia in 52 v.Chr., waarin een complete Romeinse overwinning resulteerde in de uitbreiding van wat op dat moment nog de Romeinse Republiek was, zodat heel Gallië hier voortaan onder viel. De oorlog maakte tevens de weg vrij voor Julius Caesar om alleenheerser te worden van het Romeinse Rijk, dat al snel hierna werd omgevormd tot een keizerrijk.
De veldtocht is beschreven door Julius Caesar zelf, in zijn verslag Commentarii de Bello Gallico dat in latere eeuwen in overgeschreven vorm is overgeleverd. Dit werk is de belangrijkste beschikbare historische bron van informatie over de Gallische Oorlog. Daarnaast geeft het duidelijk blijk van politieke propaganda voor Caesar. Hoewel Caesar de invasie zelf in dit verslag hoofdzakelijk afschilderde als een defensieve en preventieve actie, zijn de meeste historici het er inmiddels over eens dat de oorlog in de eerste plaats moet zijn gevoerd om Caesars politieke carrière te stimuleren en om zijn enorme schulden af te betalen. Gallië was echter ook van groot militair belang voor de Romeinen, aangezien zij al verschillende keren waren aangevallen door stammen uit Gallië en andere noordelijke gebieden. Dankzij de verovering van heel Gallië konden de Romeinse heersers de Rijn uiteindelijk bevestigen als natuurlijke grens van hun rijk, de limes.
Commentarii de Bello Gallico
thumb|Een editie van het boek Commentarii de Bello Gallico uit 1783 Wat er bekend is over de Gallische Oorlog is grotendeels gebaseerd op het hiervoor genoemde verslag. Hiervan zijn de eerste zeven boeken geschreven door Julius Caesar zelf tijdens diens veldtochten vanaf 58 v.Chr. Deze werden per twee of per drie gepubliceerd in Rome.Jérôme Carcopino 1990, Jules César, p. 253, 286 en 334 Na het Beleg van Alesia in 52-51 v.Chr. werden ze gebundeld tot een boek.Goeury 2000, p. X Het achtste boek is later geschreven door Aulus Hirtius, die over de laatste gevechten van 51 v.Chr. en de situatie in Gallië in 50 v.Chr. schreef.Aulus Hirtius, Commentarii de Bello Gallico, VII, inleiding
Aulus Hirtius stelt, dat het Caesars bedoeling was om met de Commentarii "documentatie te geven aan historici over zulke belangrijke gebeurtenissen".Goeury 2000, p. IX Het geheel oogt als een collectie van ruwe notities, gemaakt tijdens de oorlog zelf, met zijn strikt chronologische volgorde, zijn op feiten gerichte inhoud en zijn uiterst beknopte stijl. Het is niet een traditioneel geschiedenisboek, maar behoort tot het genre van de kroniek. Caesar heeft er weinig aan kunnen schaven, wat bijdraagt aan een nauwkeurige weergave van de feiten. De boeken zijn geschreven in de derde persoon en geven geen enkele directe aanduiding van het standpunt, de gedachten of oordelen van Caesar, wat er een aura van objectiviteit aan geeft. Hij presenteert de feiten van de oorlog en zijn stijl doet denken aan de Griekse etnografen en geografen. Vanaf het moment dat het boek uitgegeven werd, werd het gezien als een literair meesterwerk. Onder andere Cicero was een grote bewonderaar van het boek. Hedendaagse historici zien het ook als een politiek instrument, waarbij de afstandelijke stijl verhult dat Caesar de feiten in een licht zet dat hem ten goede komt.
thumb|left|Standbeeld van Julius Caesar (Nicolas Coustou, 1973)
Deze door Caesar geschreven verslagen zijn tevens de enige beschikbaar primaire bron; de teksten van Titus Livius zijn verloren gegaan en geen enkel ander overgeleverd boek uit die tijd gaat over de gebeurtenissen in Gallië. De auteur van de Commentarii was tevens de belangrijkste speler in de gehele oorlog, waardoor de betrouwbaarheid van wat hij schrijft op een aantal punten ook twijfelachtig is. Ten eerste waren er officieren van Caesar met een andere blik op de feiten (met name Asinius Pollio, van wiens geschriften slechts enkele fragmenten bewaard gebleven zijn). Ten tweede waren er de tegenstanders van Caesar, zoals Michel de Montaigne, die in zijn Essais zegt dat Caesar zijn slechte daden wilde verzwijgen met valse kleuren voor zijn verderfelijke ambitie.Montaigne, Essais, 1595, Boek II, hoofdstuk 10 Vanaf het begin van de 19e eeuw ging de ideologische discussie over in een meer wetenschappelijke.
De waarde van het boek als kennisbron is erkend en de specialisten over de Oudheid menen dat Caesar de waarheid geen geweld aangedaan kan hebben, gezien de hoeveelheid bronnen van historici uit die tijd (vooral door zijn luitenants tijdens de oorlog, die gekozen waren door de Senaat en dikwijls op politiek vlak Caesars belangrijkste tegenstanders waren, zoals Titus Labienus, die een van zijn ergste tegenstanders zou worden tijdens de burgeroorlog die zou volgen). Toch waarschuwt de historicus Goeury in zijn voorwoord bij een Franse vertaling dat het, zoals alle historische bronnen, kritisch bekeken moet worden.
Historische context Geschiedenis van Gallia Transalpina thumb|De Romeinse Republiek (geel) vóór de verovering van Gallië Na vele en moeizame gevechten tegen de Kelten werd de Romeinse Republiek heerser over Gallia Cisalpina vanaf het einde van de 2e eeuw. Ze verkregen zo het gebied van de Povlakte tot aan de Alpen. Ondertussen hadden ze ook al een groot deel van Hispania veroverd. Onder het mom van een militaire hulpoperatie voor de Griekse stad Massilia veroverde de Romeinse generaal Gaius Sextius Calvinus de gebieden van de Salluviërs vanaf 124 v.Chr. en dreef hun koning op de vlucht. In augustus van het jaar 121 v.Chr. versloegen de Romeinen, geleid door consuls Quintus Fabius Maximus Allobrogicus en Gnaeus Domitius Ahenobarbus, een coalitie Arverni en Allobroges, geleid door Bituitus, bij de samenvloei van de Isère en de Rhône.Strabo, Geographika, IV, 1 Rome viel deze volkeren aan omdat ze de gevluchte Salluvische koning opgevangen hadden. Bituitus werd gevangengenomen door de Romeinen en meegevoerd Rome en werd als trofee rondgedragen in een triomftocht. Ondertussen werden de Gallische tegenstanders van de Arverni, vooral de Aedui, door de Romeinse Senaat verklaard tot vrienden en bondgenoten van het Romeinse volk. Na deze Gallische nederlaag werden de gebieden ten zuiden en oosten van de Cevennen snel onderworpen door de Romeinen. Dit was Gallia Transalpina. De Romeinen noemden het Gallia Narbonensis of gewoon simpelweg Provincia (het Romeinse woord voor provincie). Dit zorgde ervoor dat Hispania over land verbonden kon worden met Italië. In het noorden bleven de Romeinen zich echter bedreigd voelen door het onafhankelijke Gallië.
Rond 80 v.Chr. wilde een stamhoofd met de naam Celtillus, de vader van Vercingetorix, de vroegere macht van de Arverni herstellen, zoals deze geweest was in de tijd van Luernius en Bituitus. Maar hij werd tegengewerkt en levend verbrand door de aristocraten van zijn stam. Zijn broer, Gobannitio, lijkt zijn belangrijkste tegenstander geweest te zijn in deze zaak, want het is bekend dat hij later de machtigste man bij de Arverni werd.
Consulaat van Caesar en aanloop naar de oorlog
thumb|left|Julius Caesar right|thumb|Pompeius Magnus
De belangrijkste man in Rome was op dat moment Pompeius Magnus, die in het oosten Mithridates VI Eupator verslagen had. Deze oorlog zorgde ervoor dat Rome ook Bithynië, Pontus en Syrië kon toevoegen aan zijn gebieden. Pompeius keerde terug naar Rome met zijn legioenen, maar, zoals de wet het voorschreef, ontbond zijn leger na zijn triomftocht in 61 v.Chr.
In zijn consulaat van 59 v.Chr. verkreeg Julius Caesar, met instemming van de andere triumviri, Pompeius en Crassus, het proconsulaat over de provincies Gallia Cisalpina en Illyrië voor vijf jaar. Verder kreeg hij ook nog drie legioenen onder zijn leiding (Legio VII Claudia, Legio VIII Augusta en Legio IX Hispana). Normaal gezien bedroeg het mandaat van consul slechts een jaar, maar Caesar kon deze regel ontwijken met de hulp van een volkstribuun met de naam Sebastus Charreatus. Om ervoor te zorgen dat het leek dat de Senaat toch nog iets van autoriteit had, stemden ze ervoor dat Caesar ook nog Gallia Transalpina, waarvan de proconsul plotseling gestorven was, kreeg.Cassius Dio, Romeinse geschiedenis, XXXVIII, 8 Hierdoor kreeg Caesar ook nog de leiding over het legioen van die provincie (Legio X Gemina), dat zich dicht bij de hoofdstad bevond, Narbo Martius.Suetonius, Caesar, 22Keppie 1998, The making of the Roman Army : from Republic to Empire, p. 80-81Carcopino 1990, p. 223 en 226
Suetonius schrijft dat Caesar, die zichzelf aan het verheerlijken was voor de Senaat nu hij zijn doel bereikt had en een schitterende overwinning in Gallië beloofde, verwijten van zijn tegenstanders naar het hoofd geslingerd kreeg. Zij zeiden: "Dat zal niet gemakkelijk zijn voor een vrouw". Caesar zou hebben geantwoord dat dit nochtans Semiramis niet had tegengehouden om over Assyrië te heersen, en ook niet de Amazonen om een groot deel van Azië te bezitten.
Illyrië Het feit dat Caesar vooral de provincie Illyrië, waarin in 58 v.Chr. drie legioenen gestationeerd waren, wilde krijgen als proconsul, toont aan dat hij glorie en rijkdom wilde zoeken om zijn macht en militaire en politieke invloed uit te breiden. Caesar had al veel hoge magistraturen ingevuld, maar had hierbij veel geld uitgegeven, vooral aan de spelen tijdens zijn magistratuur als aedilis, maar daarnaast had hij ook nog erg veel schulden. Hij wilde glorie vinden en zich verrijken in een militaire veldtocht om meer macht te krijgen dan Pompeius, de enige die meer macht had dan hij.Carcopino 1990, p. 223-8
thumb|De Dacische veldtochten van Boerebista
Het Dacische grondgebied was enorm vergroot tussen 61 en 58 v.Chr. Boerebista, de koning van de Daciërs, was al bekend bij de Romeinen doordat hij twintig jaar eerder een Romeins leger verslagen had. In 71 v.Chr., tijdens de Derde Mithridatische Oorlog, had hij een Romeins leger onder leiding van Gaius Antonius Hybrida verslagen bij Istrië. Het Dacische leger was toen Caesar proconsul werd echter bruusk gestopt verder te gaan, waarschijnlijk bang voor een andere Romeinse tussenkomst. Daarom keerde Boerebista terug naar Transsylvanië, waarna hij de Griekse stad Olbia belegerde en vernietigde in 55 v.Chr.Carcopino 1990, p. 228-30
Gallië Nu de Dacische dreiging weg was, richtte Caesar zijn aandacht op Gallië. Dat hele gebied was verdeeld in verschillende stammen, waarvan sommigen Rome gunstig gezind waren, en daarom leek een verovering van dit land makkelijker dan een militaire campagne in Dacië. Caesar moest nu enkel nog wachten op een reden om zich te moeien met de Gallische aangelegenheden.Carcopino 1990, p. 230-1
Toen Julius Caesar met zijn troepen Gallië binnenviel, vond hij een land bewoond door niet enkel Kelten, die het grootste deel van dat land bezetten, maar ook bewoond met Belgae (Belgische Galliërs, een verzameling van Keltische en enkele Keltisch-Germaanse volkeren),Kruta 2000, Les Celtes : histoire et dictionnaire : des origines à la romanisation et au christianisme, p. 457-9 die sinds de 5e eeuw v.Chr. het noordoosten van Gallië bezetten. De Belgen waren misschien een niet-Indo-Europees volk, zoals de Ligures en de Raeti in het zuidoosten, of zoals de Iberiërs in het zuidwesten.Carcopino 1990, p. 236-8
thumb|Kaart van de Gallische volkeren (1e eeuw v.Chr.) thumb|left|Goudstuk van de Parisii (1e eeuw v.Chr.)