Andries de Wilde (Amsterdam, 21 november 1781 – Utrecht, 27 april 1865) was een Nederlands chirurgijn, koloniaal ambtenaar, planter, grootgrondbezitter, ondernemer en lexicograaf. Op Java was hij onder meer koffieopziener, assistent-resident van Bandoeng, toezichthouder op de vaccinatie tegen pokken en administrateur van de particuliere Soekaboemi-landen. Hij speelde een belangrijke rol in de agrarische ontwikkeling van dat gebied en is in de Indonesische geschiedschrijving nauw verbonden met de naamgeving van het huidige Sukabumi. Zijn in de Preanger opgedane kennis van het Maleis en Soendanees vormde de basis voor een vroeg Nederlands-Maleis-Soendanees woordenboek. Na zijn definitieve terugkeer naar Nederland ontwikkelde hij het landgoed Pijnenburg bij Baarn tot een omvangrijk agrarisch en landschappelijk geheel.

Biografie

Jeugd en opleiding Andries was een telg uit het geslacht De Wilde. Zijn overgrootvader Christoffel de Wilde, zoon van Christiaan de Wilde, was afkomstig uit Stade en trad in 1687 als onderscheepstimmerman in dienst van de VOC. Andries was een zoon van de scheepstimmerman en koopman Cornelis de Wilde (1736–1787) en Marretje Harsnis (1746–1810). De tekenaar en kunstschilder Christoffel Steitz de Wilde (1784–1860) was zijn jongere broer. Andries was ruim vijf jaar oud toen zijn vader overleed. Op elfjarige leeftijd ging hij als matroos naar zee met zijn stiefvader, de uit Pyrmont afkomstige scheepschirurgijn Johann Friedrich Jacob Steitz (1761–1810), ook Frederik genoemd.

Op zestienjarige leeftijd werd De Wilde tijdens de Slag bij Kamperduin in 1797 door de Britten krijgsgevangen genomen. Gedurende ongeveer twee jaar gevangenschap in Plymouth maakte hij zich het Engels eigen. Na zijn vrijlating keerde hij terug naar Nederland, waar hij in Leiden geneeskunde studeerde. In 1803 vertrok hij als chirurgijn naar Java.

Bestuurlijke loopbaan op Java De Wilde arriveerde in 1803 in Batavia en werd daar in koloniale dienst als chirurgijn aangesteld. In 1805 volgde zijn benoeming tot chirurgijn-majoor bij de artillerie en dragonders. Onder gouverneur-generaal Herman Willem Daendels trad hij tevens op als diens lijfarts en persoonlijk assistent. Door zijn kennis van de plaatselijke talen fungeerde hij bij contacten met de regenten van de Preanger ook als tolk en tussenpersoon. Volgens latere beschrijvingen vertaalde hij daarbij niet uitsluitend letterlijk, maar probeerde hij ook de soms harde toon van Daendels tegenover de plaatselijke bestuurders te verzachten.

In 1808 werd De Wilde belast met het toezicht op de teelt van koffie in en rond Buitenzorg. Vanaf 1809 werkte hij als koffieopziener in en rond Bandoeng, Tarogong en Oedjoeng-Broeng. Tijdens het Britse bestuur van Java werd hij op 10 augustus 1812 benoemd tot assistent-resident te Bandoeng. Daarmee maakte hij deel uit van het koloniale binnenlandse bestuur onder luitenant-gouverneur Thomas Stamford Raffles. In mei 1814 legde hij zijn functie als assistent-resident neer.

Oedjoeng-Broeng en Soekaboemi In januari 1813 verwierf De Wilde tijdens de door het Britse bestuur georganiseerde verkoop van landerijen het zogeheten Lot 3 ten noordoosten van Bandoeng, het gebied Oedjoeng-Broeng. Het land omvatte tientallen dorpen en uitgestrekte rijst- en koffiegronden. De Wilde behield het gebied ongeveer zes jaar en verkocht het in 1819.

thumb|260px|Landschap bij Soekaboemi (1818), geschilderd door De Wildes broer Christoffel Steitz de Wilde

Eveneens in 1813 raakte De Wilde samen met Raffles, resident Thomas Macquoid en voormalig gouverneur Nicolaus Engelhard betrokken bij de verwerving van de uitgestrekte landerijen in het toenmalige regentschap Tjiandjoer die bekend zouden worden als de Soekaboemi-landen. Raffles bezat aanvankelijk de helft, terwijl Macquoid, Engelhard en De Wilde ieder een zesde deel bezaten. Nadat de persoonlijke betrokkenheid van Raffles bij de grondverkopen tot kritiek en beschuldigingen van belangenverstrengeling had geleid, trok hij zich in 1814 uit het bezit terug. De Wilde en Engelhard bezaten daarna ieder vijf twaalfde en Macquoid een zesde. Door latere overdrachten kwam uiteindelijk vijf zesde van het landcomplex onder controle van De Wilde; het resterende zesde deel bleef bij Macquoid.

De Wilde werd administrateur en belangrijkste exploitant van de Soekaboemi-landen. Hij liet wegen en irrigatiewerken aanleggen, breidde de rijstbouw en koffieaanplant uit en stimuleerde nieuwkomers zich in het gebied te vestigen. Door irrigatie konden meer sawahs worden aangelegd en nam de voedselproductie toe. Hij experimenteerde met landbouwmethoden, nieuwe gewassen en veerassen. Oudere biografische literatuur vermeldt dat de koffieproductie onder zijn bestuur ongeveer verdrievoudigde en beschreef Soekaboemi als een voorbeeld voor latere Europese plantages en landerijen op Java.

De Wilde is in de plaatselijke geschiedschrijving nauw verbonden geraakt met de naam Soekaboemi. In een brief aan Engelhard van 13 januari 1815 schreef hij dat hij op verzoek van plaatselijke hoofden de naam Tjicolle had veranderd in Soeka Boemie. Modern lokaal onderzoek heeft deze traditionele voorstelling genuanceerd: de naam Sukabumi komt al voor in een document van 7 januari 1813 voor het bredere particuliere landcomplex. De naamswijziging van 1815 lijkt daarom vooral betrekking te hebben gehad op Tjicolle en de nederzetting waaruit de latere stad Sukabumi voortkwam.

Arbeid en verhouding tot de bevolking De arbeidsverhoudingen op De Wildes landerijen zijn in de historiografie verschillend beoordeeld. De Wilde keerde zich fel tegen de zware herendiensten en andere lasten die via het bestaande regentenstelsel aan de bevolking werden opgelegd, evenals tegen de verplichte levering van koffie aan het gouvernement tegen zeer lage vaste prijzen. Volgens zijn eigen geschriften en oudere beschrijvingen probeerde hij arbeiders en nieuwe bewoners mede aan zijn landerijen te binden door behoorlijke betaling, verbetering van de voedselvoorziening en relatief gunstige bestaansvoorwaarden. Het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek vermeldt dat hij de arbeid behoorlijk betaalde en goed voor zijn mensen zorgde en beschrijft hem als een bij de bevolking geliefde landheer. Het aantrekken van nieuwe bewoners was tegelijkertijd ook economisch van belang, omdat voor de exploitatie van het uitgestrekte gebied veel arbeidskrachten nodig waren.

De historicus Jan Breman heeft dit gunstige beeld in moderner onderzoek genuanceerd. Volgens hem richtte De Wildes verzet zich niet tegen iedere vorm van gedwongen koffiecultuur of arbeidsverplichting. Op zijn particuliere landerijen moesten boeren eveneens koffie verbouwen, terwijl voor irrigatie, ontginning, wegenbouw en andere werkzaamheden ook onbetaalde of onderbetaalde boerenarbeid werd gemobiliseerd. De Wilde en Engelhard bekritiseerden tegelijkertijd de buitensporige arbeidsvorderingen van regenten, die boeren te weinig tijd lieten voor de productie van hun eigen voedsel. Het conflict ging daarmee niet eenvoudig over vrije tegenover dwangarbeid, maar ook over de vraag wie de productie, arbeidsinzet en opbrengsten van de koloniale landbouw beheerste.

Vaccinatie en geneeskunde Naast zijn bestuurlijke en agrarische werkzaamheden bleef De Wilde als arts actief. Op 13 mei 1815 werd hij onder Raffles belast met het toezicht op de pokkenvaccinatie in de Preanger. In officiële opgaven werd hij aangeduid als Superintendent of Vaccination. Zijn werkzaamheden werden later uitgebreid en hij bleef tot 1819 betrokken bij de bestrijding van pokken en de toepassing van vaccinatie in onder meer de Preanger, Cirebon en Karawang. De Wilde stelde later dat onder zijn toezicht ongeveer 40.000 kinderen waren gevaccineerd. De Haan en Schoute achtten dat aantal waarschijnlijk te hoog.

Taalstudie en woordenboek De Wilde verwierf gedurende zijn verblijf in de Preanger een voor een Europese bestuurder in die tijd opvallende praktische kennis van het Maleis en Soendanees. Daardoor kon hij zonder voortdurende tussenkomst van tolken met plaatselijke bestuurders en inwoners spreken. Hij gaf bovendien taal- en schrijfonderwijs aan onder anderen een zoon van de regent van Bandoeng en zoons van andere plaatselijke hoofden. Voor deze lessen liet hij woorden vertalen en in zowel het Latijns schrift als Javaans schrift opschrijven en begon hij systematisch woordenlijsten samen te stellen.

thumb|260px|Titelblad van De Wildes Nederlands-Maleis-Soendanese woordenboek (1841)

De aldus ontstane verzameling vormde de basis voor zijn Nederduitsch, Maleisch en Soendasch Woordenboek. Een bewaard afschrift van het manuscript draagt het jaartal 1819. De taalkundige Taco Roorda bezorgde in 1841 de gedrukte uitgave onder de titel Nederduitsch, Maleisch en Soendasch Woordenboek, benevens twee stukken tot oefening in het Soendasch. Het werk bevat Nederlandse trefwoorden met Maleise en Soendanese equivalenten, waarbij het Soendanees zowel in Latijns als Javaans schrift werd weergegeven. Het behoort tot de vroege gedrukte werken van de lexicografie waarin het Soendanees systematisch werd beschreven.

Conflict met het koloniale bestuur Na het herstel van het Nederlandse gezag op Java raakten De Wilde en zijn mede-eigenaren in een langdurig conflict met het koloniale bestuur. Daarbij speelden de rechtsgeldigheid van de tijdens het Britse bestuur verrichte landverkopen, de verplichte koffieleveranties, de positie van de regenten en de bestuurlijke bevoegdheden van particuliere landeigenaren een rol. De Wilde kwam onder meer tegenover gouverneur-generaal Godert van der Capellen en resident Pieter Herbert van Lawick van Pabst te staan. Van der Capellen wilde de positie van de traditionele regenten versterken en de vergaande macht van Europese particuliere landeigenaren beperken.

Eind 1819 vertrok De Wilde naar Nederland om de belangen van de eigenaren van Soekaboemi bij de regering te verdedigen. In juni 1821 werd hij door koning Willem I ontvangen. Bij Koninklijk besluit van juli 1821 kwam de koning de eigenaren op belangrijke punten tegemoet, onder meer ten aanzien van de prijs en afzet van hun koffie. Het Indische bestuur verzette zich vervolgens tegen de uitvoering van deze beslissing.

Bij zijn terugkeer naar Java probeerde De Wilde zijn landbouwkundige plannen verder uit te voeren. Hij charterde het schip De Hoop, dat hij naar zijn vrouw liet omdopen tot Cornelia Henrica. Het schip vertrok op 31 december 1821 uit Amsterdam en bereikte Batavia in juli 1822. Aan boord bevonden zich naast zijn gezin onder anderen landbouwkundige vaklieden. De Wilde voerde landbouwgereedschappen, werktuigen voor zuivelbereiding, een rijstmolen, fokvee, planten, bomen en zaden mee. Daarmee wilde hij nieuwe landbouwmethoden, gewassen en geselecteerd vee op zijn Javaanse landerijen introduceren.

De verhouding met het Indische bestuur verbeterde echter niet. In 1822 lieten De Wilde, Engelhard en Macquoid hun protest tegen de handelwijze van het bestuur notarieel vastleggen. Vervolgens begonnen onderhandelingen over terugkoop van Soekaboemi door het gouvernement. Uiteindelijk werd voor de landerijen een bedrag van 800.000 gulden overeengekomen. Begin 1823 werd de terugkoop vastgesteld en kort daarna verliet De Wilde Java definitief.