De raap van Rubens is het honderdnegende stripverhaal uit de reeks van Suske en Wiske. Het is geschreven en ook grotendeels getekend door Paul Geerts. Het werd gepubliceerd in De Standaard en Het Nieuwsblad van 24 mei 1976 tot en met 29 november 1976. De eerste uitgave in de Vierkleurenreeks was op 20 juni 1977, met albumnummer 164.

Locaties Antwerpen met de Schelde en het museum voor Schone Kunsten, het Rubenshuis, De Onze-Lieve-Vrouwekerk, het Haviksnest (het hoofdkwartier van de Kwakzalvers), herberg "De verloren zoon", toren van de tovenaar

Personages en uitvindingen Suske, Wiske, Lambik, Jerom, tante Sidonia, professor Barabas, Charel en andere medewerkers van het museum, vrouw en haar zoontje, rijkswachter, struikrovers, Pieter Paul Rubens, Isabella Brant (vrouw van Rubens), Antoon van Dyck, Jordaens en David Teniers, drie rabauwen, Kosjon (hoofdman rabauwen), aartshertog Albrecht en Isabella, kapitein en ruiters, waard van herberg "De verloren zoon", de Grote Kwak en de Kwakzalvers,Kwakzalvers zijn mensen die onbevoegd de geneeskunde uitoefenen of betwiste medische handelingen toepassen. kok en knecht, de tovenaar. De teletijdmachine

Het verhaal

Na hun avontuur in AustraliëZie het hieraan voorafgaande verhaal, De blinkende boemerang komen de vrienden terug in Antwerpen, en ze staan nu aan de oever van de Schelde. Jerom voorkomt dat een oude schipper wordt aangereden door een touringcar. Als dank geeft de schipper een koperen ketting die hij ooit uit de Schelde heeft opgevist aan Suske. De volgende dag viert Lambik zijn verjaardag bij tante Sidonia. Hij krijgt de koperen halsketting van de anderen cadeau. Als Lambik zich even later snijdt aan een blik, houdt hij hieraan geen wond over. De vorige eigenaar van de ketting leek helemaal niet bang om door de touringcar te worden aangereden. Alles wijst er dus op dat de ketting magische genezende en beschermende krachten heeft.

Lambik besluit de vrienden mee te nemen naar het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten. Ze bewonderen hier het schilderij De aanbidding der Wijzen van de beroemde schilder Pieter Paul Rubens. Het volgende moment blijkt een van de op het schilderij uitgebeelde personen, een oude man met een witte baard, ineens te zijn verdwenen, nadat hij kort daarvoor Lambik met de ketting leek te zien. Jerom en Lambik blijven logeren bij Sidonia. Lambik ziet 's nachts in zijn huis de verdwenen figuur van het schilderij rondlopen, en hij heeft de ketting in zijn hand. Op dat moment gelooft Lambik dat hij enkel droomt. De volgende dag blijkt de ketting echter te zijn verdwenen. Lambik leest in de krant dat de verdwenen figuur weer terug is op het schilderij van Rubens, nu met de ketting om zijn hals. Hij gaat met Suske en Wiske terug naar het museum, waar hij compleet overstuur raakt als hij de man met de ketting inderdaad op het schilderij ziet. De medewerkers van het museum denken dat Lambik gek geworden is, en ze willen hem een dwangbuis omdoen. Lambik springt door een raam en ontsnapt. Hij vraagt professor Barabas om hem met de teletijdmachine naar het verleden te sturen, zodat hij daar de ketting kan zoeken. De professor weigert. Lambik wordt die avond dronken bij cafébezoeken. Hij gaat 's nachts opnieuw naar het laboratorium van Barabas, die hem betrapt. In zijn dronkenschap elektrocuteert Lambik de professor, die hierdoor gewond raakt. Lambik kan nu zijn gang gaan en hij flitst zichzelf naar het jaar 1620.

Lambik is eerst van plan om naar de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Antwerpen te gaan. Dan schiet hij echter een groep ruiters te hulp die worden aangevallen door struikrovers. Lambik weet de rovers te verjagen, waarna een van de ruiters zich aan hem voorstelt als Isabella Brant, de vrouw van Rubens. Lambik wordt meegenomen naar het huis van Isabella en Rubens. Hij vraagt de beroemde schilder om in diens atelier te mogen werken. Rubens stelt Lambik voor aan Antoon van Dyck, Jordaens en David Teniers. Lambik blijkt te zijn uitverkoren als 'de raap', de nieuwe leerjongen in het atelier. Hij wordt door Jordaens uitgedaagd tot een schilderduel.

De volgende dag ziet Lambik een onbekend gezelschap op de binnenplaats. Het blijkt een groep mensen die poseren voor Rubens' nieuwe schilderij De aanbidding der Wijzen. Lambik herkent een van hen als de man op Rubens' schilderij in het museum die zijn ketting heeft gestolen, hij poseert als een van de drie koningen. Lambik knoopt met deze man een gesprek aan over een ketting met genezende kracht, waardoor de man duidelijk argwaan krijgt. Lambik wordt 's avonds op straat overvallen en vastgebonden door drie rovers. Hij wordt naar hun leider Kosjon gebracht; dit blijkt dezelfde persoon te zijn als de figuur op Rubens' schilderij en dus ook de man met wie Lambik die dag praatte. Kosjon wil weten wat Lambik van de ketting af weet, maar Lambik laat niets los. Hij wordt daarop meegenomen naar het Haviksnest, het hoofdkwartier van de roversbende die zich "de Kwakzalvers" noemt. Daar wordt hij ondervraagd door hun leider, de Grote Kwak, en gevangengezet.

Suske en Wiske komen intussen ook aan in het verleden. Ze worden bijna aangereden door een wagen, waarna deze vast komt te zitten aan een boomstronk en stukraakt. Deze wagen blijkt bestuurd te worden door een groep Kwakzalvers. Ze nemen Wiske in gijzeling, terwijl Suske door Kosjon op pad wordt gestuurd om een nieuwe as voor de wagen te halen. Wiske ontdekt de vastgebonden Lambik in de wagen. Ze wordt neergeslagen en voor dood achtergelaten als er een stoet ruiters aan komt rijden. Wiske wordt gevonden door de ruiters en aartshertog Albrecht en Isabella, de infante, stappen uit hun koets. Als Suske terugkomt met een as, wordt hij samen met Wiske meegenomen naar de herberg "De verloren zoon". Suske hoort nog dat er een bode naar Pieter Paul Rubens wordt gestuurd, omdat hij het paar zou schilderen.

De waard van de herberg blijkt echter een handlanger van de Kwakzalvers te zijn. Hij hoort Wiske in haar ijldromen praten over deze bende. De waard gaat 's nachts naar de ruïne waar de Kwakzalvers hun verblijfplaats hebben en hij waarschuwt de bendeleden. De Grote Kwak besluit dat Wiske moet sterven aangezien ze te veel weet, en hij geeft de waard vergif mee. Lambik hoort alles vanuit zijn cel en kan dankzij een list ontsnappen. Hij komt net op tijd in de herberg om een giftige beker melk uit Wiskes handen te slaan. De waard wordt opgepakt en voor de aartshertogen gebracht voor verhoor. Hij vertelt dat de Kwakzalvers op zoek zijn naar de ketting met beschermende en genezende kracht. Isabella blijkt als enige te weten waar de ketting zich bevindt: lang geleden wilde een tovenaar haar de ketting geven als dank voor haar hulp, maar zij weigerde deze ketting omdat die op een ander moment wellicht harder nodig zou zijn. De tovenaar woont in een toren niet ver van de Schelde. Isabella wil nu de ketting gaan halen, maar de waard hoort alles. Hij veinst tegenover Lambik berouw te hebben, en kan even later ontsnappen.

De vrienden gaan op pad om voor de Kwakzalvers bij de toren van de tovenaar te komen. Suske en Wiske hebben het laatste paard en daarom gaat Lambik op een koe op pad. Onderweg kunnen ze de Kwakzalvers tegenhouden en Lambik neemt een paard van de bende mee. De koe wordt bij een stier – die haar door Lambik beloofde verloofde is – gebracht. Als Lambik even later door de Kwakzalvers wordt gepakt en vastgebonden, komt de stier te hulp. Hierdoor kan Lambik samen met Suske en Wiske toch de toren bereiken. Als de tovenaar hoort dat de vrienden door Isabella de Infante zijn gestuurd, besluit hij hen te vertrouwen en te helpen en hij geeft Suske, Wiske en Lambik de ketting. De Kwakzalvers vallen even later de toren aan. De tovenaar kan ze lange tijd tegenhouden dankzij zijn toverkracht, maar wordt dan geraakt door een pijl van de Grote Kwak. De Kwakzalvers kunnen nu de ketting afpakken en rijden weg.

De mannen van de aartshertog komen bij de toren en de tovenaar laat met toverkracht zien waar de Kwakzalvers zich bevinden. Met een groep soldaten gaan de vrienden nu naar de Schelde, maar de Kwakzalvers zijn net met een boot vertrokken. De vrienden zetten met een schip de achtervolging in. Alle gebeurtenissen worden intussen in de 20e eeuw gevolgd door tante Sidonia, Jerom en professor Barabas via het scherm van de teletijdmachine. Jerom wordt ook naar het verleden geflitst en dankzij zijn hulp kunnen ze het vijandelijke schip enteren en de ketting in handen krijgen. De professor flitst de vrienden naar hun eigen tijd, maar Lambik heeft de ketting net voor hij werd teruggeflitst in de Schelde laten vallen. De ketting ligt nu dus op de bodem van de Schelde (en zal daar pas enkele eeuwen later worden gevonden door de schipper die de vrienden aan het begin van het verhaal tegenkwamen).

Lambik is erg gefrustreerd dat hij de ketting opnieuw kwijt is. Dan krijgt hij een brief van Kosjon, met de opdracht 's nachts naar de oever van de Schelde te komen. De vrienden horen intussen op de radio dat de figuur op het schilderij van Rubens opnieuw is verdwenen. 's Nachts verneemt Lambik bij de Schelde dat Kosjon na het avontuur van de vrienden vervloekt werd door De Grote Kwak, toen de ketting na het gevecht op zee verdwenen bleek. Kosjon zou pas de eeuwige rust kennen als eerst de ketting weer teruggevonden werd en hij daarnaast spijt betuigde voor zijn slechte daden. Kosjon geeft de ketting weer terug aan Lambik, maar de ketting verliest wel al zijn magische beschermende kracht als gevolg van Kosjons berouw. Kosjons geest verdwijnt hierna weer. Lambik gaat met Suske en Wiske naar het museum, waar Kosjon opnieuw op het schilderij staat uitgebeeld – nu weer zonder de ketting.

Lambik droomt 's nachts dat Pieter Paul Rubens zijn portret schildert.

Achtergronden

Dit verhaal werd speciaal gemaakt ter gelegenheid van de vierhonderdste geboortedag van de barokschilder Peter Paul Rubens (1577-1640) die een groot deel van zijn leven doorbracht in Antwerpen (waar Willy Vandersteen, de oorspronkelijke maker van de strip, zelf ook vandaan kwam). Bij deze gelegenheid is bovendien bij wijze van uitzondering afgeweken van het vaste stramien van 58 pagina's per album; De raap van Rubens telt 80 pagina's. De (teken)stijl waarin een deel van het verhaal is uitgewerkt is soms wel vergeleken met die van de blauwe reeks. Dit was een aparte serie van in totaal acht verhalen die Vandersteen in de jaren 50 speciaal voor het stripblad Kuifje maakte. Op het moment dat De raap van Rubens uitkwam waren deze verhalen al geruime tijd stopgezet. Sommige tekeningen, met name die van het historische Antwerpen en omgeving, zijn zeer gedetailleerd en waarheidsgetrouw uitgewerkt, wat ook in de blauwe reeks geregeld het geval is. Daarnaast zijn het vooral Suske, Wiske en Lambik die in dit verhaal de hoofdrol hebben, net als in de blauwe reeks; de overige hoofdpersonages verschijnen enkel aan het begin en het eind in beeld. Het verhaal is daarom wel aangehaald als voorbeeld van een verhaal dat kwalitatief duidelijk uitstak boven veel andere Suske en Wiske-verhalen uit de rode reeks in deze tijd. Veel lezers waren van mening dat vooral sinds Vandersteen in 1972 de eindverantwoordelijkheid definitief had overgedragen, de serie nogal aan kwaliteit en spanning had ingeboet.Zie bijv. Stripschrift 122/123, juni/juli 1979, lastdodo.nl. Het verhaal speelt zich grotendeels af in de Zuidelijke Nederlanden ten tijde van de aartshertogen Albrecht en Isabella. Verschillende scènes zijn geïnspireerd door schilderijen van de meester, o.a. De verloren zoon. De straat waarin het Rubenshuis staat wordt tegenwoordig Wapper genoemd. Deze straat is niet vernoemd naar Lange Wapper, een reus uit de Vlaamse folklore (die tevens in enkele andere Suske en Wiske-verhalen opduikt), maar naar de wip waarmee men water uit de Herentalse Vaart, die daar haar eindpunt had, kon nemen.