Het penseelzwijn of rivierzwijn (Potamochoerus porcus) is een zoogdier uit de familie van de varkens (Suidae). Het is de kleinste van de acht soorten varken die in het wild in Afrika voorkomen, en bereikt een gewicht van 45 tot 115 kg. Het heeft een rossige vacht met een witte rugstreep, een zwart-wit gezichtsmasker met een krans van lang wit haar rond de ogen en langwerpige, bladvormige oren die eindigen in een overhangend plukje wit of zwart haar. Het dier leeft in de regenwouden van West- en Centraal-Afrika en is nooit ver te vinden van dichte vegetatie, in gebieden met een zachte bodem en water in de buurt. Hoewel de soort vaak wordt bejaagd door de plaatselijke bevolking om zelf op te eten of voor de markt in bushmeat in de steden, wordt het penseelzwijn door de International Union for Conservation of Nature and Natural Resources als niet-bedreigde soort beschouwd.

Beschrijving thumb|Potamochoerus porcus thumb|kop Het is de kleinste van de Afrikaanse varkenssoorten. Volwassen dieren meten van de punt van de neus tot de aanzet van de staart 100-145 cm, de staart is 30-45 cm lang, bij een schofthoogte van 55-80 cm en een gewicht tussen 45 en 115 kg. De algemene vorm van het lichaam van het penseelzwijn is dik en rond, en de poten zijn vrij kort. Het hele lichaam van de volwassen dieren is altijd bedekt met een korte, dichte, helder roodbruine vacht zodat (in tegenstelling tot alle andere soorten varkens die in het wild in Afrika voorkomen) er geen blote huid zichtbaar is. Daar doorheen steken zeer lange witte borstelharen verspreid langs de lagere flanken en onder de kaaklijn. Een smalle lijn van, vooral in de voorste helft iets langere, witte haren strekt zich uit van de nek tot halverwege de staart. De staart zelf is zeer slank en loopt taps toe. Hij is roodbruin van kleur met aan het eind een zwarte pluk langer haar. Het voorste deel van de kop en het onderste deel van de poten is lichtgrijs. Het dier heeft een langwerpige kop die uitloopt in een platte wroetschijf. Bij jonge dieren heeft de kop dezelfde rossige kleur als het lichaam, maar de volwassen dieren ontwikkelen een opvallend gezichtsmasker bestaande uit een zwart voorhoofd dat zich vanaf de oren naar voren uitstrekt tot voorbij de ogen, en helderwitte lijnen met vooral onder de ogen lange haren, vaak onderbroken ter hoogte van de slapen. De kenmerkende oren van het penseelzwijn zijn bladvormig met lange punten. De buitenkanten zijn zwart en de bovenrand wit. De "penselen" aan de uiteinden van de puntige oren kunnen meer dan 13 cm lang worden. In het oosten van het verspreidingsgebied zijn deze pluimen vaak zwart, in het westen meest wit en in het midden gemengd. De dieren lopen op de top van de derde en vierde teen, terwijl het eerste middenhandsbeentje ontbreekt.

Anatomie Het penseelzwijn heeft alle elementen van het voorouderlijke gebit behouden. De tandformule van de volwassen penseelzwijnen is , dat wil zeggen drie snijtanden, een hoektand, drie of vier valse kiezen en drie ware kiezen in elke helft van de bovenkaak, en diezelfde elementen in de onderkaak. Dit is identiek aan de elementen van het gebit van het everzwijn. De hoektanden van mannetjes zijn meer ontwikkeld dan bij vrouwtjes. De bovenste hoektanden krommen naar buiten, maar worden afgesleten door de onderste hoektanden. Die laatste worden daardoor geslepen tot effectieve wapens. De valse kiezen zijn vergroot en kiesvormig. De kiezen zelf zijn brachydont en bedekt met dik glazuur. Het kauwen gebeurt met een eenvoudige bijtbeweging. Het gebit van het penseelzwijn is aangepast aan een dieet met veel fruit, in tegenstelling tot de kiezen van de grazende wrattenzwijnen.

Beide geslachten hebben een zogenoemde Harderiaanse klier in de oogkassen waaruit een olieachtige vloeistof komt waarmee de vacht wordt verzorgd. Onder de kin bevindt zich een orgaantje dat bij volwassen dieren een diameter heeft van ongeveer 2 cm en een hoogte van 2-5 mm waarop zich acht tot elf sinusharen bevinden. Dit orgaan heeft waarschijnlijk een tastfunctie. Het is al zichtbaar in een embryo van slechts 2 cm lang. Ze hebben ook klieren tussen de vingers en tenen. De mannetjes van het boszwijn hebben een grote klier achter elke bovenste hoektand, en dat is hoogstwaarschijnlijk ook het geval bij het penseelzwijn. Deze klieren produceren grote hoeveelheden van een witte, olieachtige substantie die waarschijnlijk wordt gebruikt voor geurmarkering. De holtes van deze klieren zitten vaak vol met houtachtig materiaal als gevolg van het knagen aan takken met de hoektanden. In deze klierholtes leeft een commensale soort nematode. De mannetjes hebben zeer grote, gepaarde Cowperse klieren, die zich in de buurt van de urinebuis aan de basis van de penis bevinden. Het gewicht van de teelballen verandert afhankelijk van het seizoen tussen ongeveer 65 en 115 g. De penis van varkens is lang, S-vormig gebogen, eindigt in de vorm van een kurkentrekker en mist een eikel. De vrouwtjes hebben zes tepels.

Uiterlijke verschillen tussen mannetjes en vrouwtjes Veel mannetjes zijn wat zwaarder dan de vrouwtjes. Volwassen mannetjes zijn verder gemakkelijk te onderscheiden van vrouwtjes door de aanwezigheid van opvallende kegelvormige uitsteeksels aan weerszijden van de snuit. Mannetjes ontwikkelen ook opgeblazen richels op de kaak en rond de ogen die de lange witte haren en een donkere zwart-rode band daartussen benadruken. Soortgelijke lange witte haren op de kop kunnen ook bij vrouwen voorkomen, maar ze zijn altijd minder opvallend. Verder is er nauwelijks sprake van seksuele dimorfie. Hoektanden ontwikkelen zich tot scherpe slagtanden bij mannetjes. De bovenste en onderste hoektanden slijpen elkaar en beide blijven daardoor relatief kort, waarbij de bovenhoektanden rond 2 cm en onderste hoektanden zo'n 5 cm, zelden 12 cm lang worden. Meestal zijn de hoektanden bij het penseelzwijn veel minder zichtbaar buiten de mond dan bijvoorbeeld bij wrattenzwijnen. Wanneer een onderste hoektand afwezig is, groeit de bijbehorende bovenste hoektand in een bocht omhoog. De hoektanden van de vrouwtjes zijn korter.

Verschillen met vergelijkbare soorten Het penseelzwijn kan gemakkelijk worden onderscheiden van alle andere wilde varkenssoorten in Afrika door de roodbruine vacht met een smalle witte lijn over de lengte van de rug, het zwarte voorhoofd met contrasterende witte "bril" en de bladvormige, langwerpige oren die eindigen in lange kwasten. Het Noord-Afrikaanse everzwijn (Sus scrofa subsp. algira) is gemakkelijk te onderscheiden omdat die alleen voorkomt in de bergachtige kustgebieden van Noordwest-Afrika en een zwarte vacht met geelachtige of roodachtige punten heeft met een donkerbruine ondervacht en geen manen heeft. Van de andere zes soorten die voorkomend ten zuiden en oosten van de Sahara hebben de meeste een ijle, grijsachtige of zwartachtige vacht, met inbegrip van het reuzenzwijn (Hylochoerus meinertzhageni) en de recent daarvan onderscheiden Hylochoerus rimator en H. ivoriensis, het knobbelzwijn (Phacochoerus africanus) en het woestijnknobbelzwijn (Phacochoerus aethiopicus). De kleur van het boszwijn (Potamochoerus larvatus) kan sterk wisselen, variërend van blond, lichtrood of roodbruin tot een donkerbruine of bijna zwarte tint. De vacht van het boszwijn is echter veel ruiger dan die van het penseelzwijn en op de rug hebben boszwijnen kenmerkende brede manen. De kop van het boszwijn contrasteert in kleur meestal met het lichaam, maar mist het donkere voorhoofd en de witte lijnen rond de ogen van het penseelzwijn.

Ontwikkeling thumb|Afbeelding van een zeug met de gestreepte biggen van de hand van Joseph Wolf uit 1852De draagtijd is ongeveer 120 dagen, waarna een nest van een tot zes (meestal drie of vier) biggen wordt geboren. Voldragen tweelingplacenta's van overlevende pasgeborenen wogen 275 en 300 g met de navelstreng halverwege de zijkant. Het oppervlak van de foetus en de placenta hebben een slijmerig, glazig, opgeblazen uiterlijk, typisch voor varkens. Pasgeboren penseelzwijnbiggetjes wegen 650-900 g en zijn donkerbruin van kleur met een kenmerkend patroon van gelige lengtestrepen en vlekken. De lichaamstemperatuur van pasgeborenen is hoog (38 °C), maar ze kunnen hun lichaamstemperatuur moeilijk op peil houden en zijn dus gevoelig voor kou. De biggetjes rillen om warmte te produceren. Kennelijk hebben ze hebben geen bruin vetweefsel en kunnen dus geen warmte produceren zonder te rillen. De penseelzwijnzeugen bouwen een nest waar de biggen in verblijven, zodat ze beter warm blijven. Een mutatie bij een voorouder van alle hedendaagse varkenssoorten, ongeveer 20 miljoen jaar geleden, heeft er voor gezorgd dat het mitochondriaal ontkoppelingseiwit 1, dat betrokken is bij de productie van warmte, niet meer functioneert. De moedermelk van het boszwijn bevat 24% vaste stof, waarvan 10,4% vet, 9,4% eiwit en 3,0% suiker. De jongen worden gespeend na ongeveer 120 dagen. Het patroon van bleke strepen bij de jongste biggen wordt op een leeftijd van ongeveer 6 maanden vervangen door een egale roodachtige vacht. In het wild zijn de dieren volgroeid op de leeftijd van twee jaar en geslachtsrijpheid na 3 jaar. In gevangenschap kunnen individuen eerder volwassen worden: vrouwtjes zijn op de leeftijd van 22 maanden bevallen (d.w.z. verwekt na 18 maanden) en mannetjes kunnen al vanaf 19 maanden seksueel actief zijn. Mannetjes van zeventien en vrouwtjes tot dertien jaar hebben in gevangenschap nog nakomelingen voortgebracht.

Taxonomie thumb|Afbeelding van Potamochoerus porcus van de hand van Joseph Wolf uit 1852De eerste geldige, wetenschappelijke beschrijving van het penseelzwijn is in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus in de tiende druk van zijn standaardwerk Systema naturae, en hij noemde het dier Sus porcus. (1758). Systema naturae ed. 10: 50 In 1766 gaf Peter Simon Pallas de naam Sus guineensis. Heinrich Rudolf Schinz beschreef in 1848 Sus penicillatus. In 1852 beschreef John Edward Gray het penseelzwijn en noemde het Choiropotamus pictus. Deze naam is echter bijna een homomiem van Choeropotamus dat enkele fossiele soorten omvat en werd niet voor het penseelzwijn gebruikt door latere zoölogen. In 1854 maakte Gray de nieuwe combinatie Potamochoerus penicillatus. Paul du Chaillu gaf een dier uit Gabon de naam Potamochoerus albifrons. In 1868 gebruikte Gray voor het eerst de huidige combinatie Potamochoerus porcus. In de twintigste eeuw werden er door Einar Lönnberg verschillende geografische ondersoorten onderscheiden, te weten Potamochoerus porcus subsp. pictus, subsp. ubangensis, subsp. albifrons en subsp. congoicus in 1910, en subsp. albinuchalis in 1919. Daaraan voegde Ludwig Lorenz von Liburnau subsp. mawambicus toe in 1923. In 1939 maakte R.D. Rosevear de nieuwe combinaties Choiropotamus porcus en Choiropotamus porcus subsp. pictus. In het oosten van de Democratische Republiek Congo zijn de dieren groter dan in Kameroen, maar de verschillen zijn te klein om ondersoorten van het penseelzwijn te onderscheiden.