Raymond Pierre Paul Westerling (Constantinopel (Istanbul), 31 augustus 1919 – Purmerend, 26 november 1987), bijgenaamd de Turk, was in de rang van kapitein de commandant van de Speciale Troepen, die de Nederlandse regering in de jaren 1946-1948 inzette tegen de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd in toenmalig Nederlands-Indië. Op 23 januari 1950 voerde hij met zijn APRA-milities een poging tot staatsgreep uit in Indonesië, maar door operationele problemen werd deze voortijdig gestaakt.

Westerling maakte sinds 1942 deel uit, samen met een groepje medesoldaten, van een nieuwe tak van de landmacht, de voorloper van het Korps Commandotroepen (KCT), de No. 2 Dutch Troop. Dit was een speciale eenheid in het leger die als een soort van spionagedienst te werk ging. Westerling leerde deze stijl van opereren tijdens zijn opleiding door Britse soldaten in Engeland.

Van december 1946 tot maart 1947 voerde hij 'zuiveringsacties' door op Zuid-Celebes (Sulawesi Selatan), daarna was hij op Java actief. Hij kwam in opspraak door zijn wrede en meedogenloze acties tegen Indonesische guerrillastrijders, hun sympathisanten en anderen. Zijn opdrachten kreeg hij van de Nederlandse legerleiding en van de operationele commandant ter plaatse, maar hij gaf daaraan ook een eigen invulling wat er toe leidde dat hij eigenmachtig mensen martelde en vermoordde.

Na de soevereiniteitsoverdracht in december 1949 speelde hij een rol in een mislukte coup tegen het nieuwe bewind, dat onder leiding stond van president Soekarno. Westerlings rol in de onafhankelijkheidsoorlog is omstreden vanwege excessief geweld, misdaden tegen de menselijkheid en de burgerslachtoffers die daarbij zijn gevallen.

Jeugd in Constantinopel Westerling werd in 1919 geboren in Constantinopel (na 1923 Istanbul), destijds onderdeel van het Ottomaanse Rijk, als zoon van een Nederlandse handelaar in antiek en zijn Griekse echtgenote. Hij groeide op in de welvarende wijk Pera (Beyoğlu), waar de familie van zijn vaderszijde al drie generaties woonachtig was. In deze kosmopolitische omgeving had hij een aantal talen vloeiend leren spreken. Naast het Turks sprak Westerling Frans en Grieks. Nederlands sprak hij destijds nog niet. Zijn Turkse achtergrond leverde hem in Nederlands-Indië zijn bijnaam 'De Turk' op.Moor, J.A. de, op. cit., p. 159-161

Opleiding tot commando Op 22-jarige leeftijd, in 1941, meldde Westerling zich aan bij het Nederlandse consulaat in Istanbul als oorlogsvrijwilliger voor de geallieerden. Na omzwervingen kwam hij in Engeland terecht. Hij werd ingelijfd bij de Prinses Irene Brigade in Wolverhampton, maar het garnizoensleven beviel hem allerminst. Daarom gaf Westerling zich op voor de commando-opleiding, die hij met succes doorliep. Al snel werd Westerling bevorderd tot sergeant-instructeur en werd hij belast met de opleiding in "Silent Killing", "Unarmed Combat" en "Toughness Training". In 1944 volgde zijn benoeming tot sergeant voor speciale diensten en werd hij ter beschikking gesteld van het Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO), een organisatie die agenten opleidde voor geheime acties in bezet Nederland. Tot zijn grote teleurstelling werd Westerling echter niet ingezet. In plaats daarvan werd hij aangesteld als sergeant-majoor-instructeur van de Binnenlandse Strijdkrachten in het bevrijde Zuid-Nederland. Op 10 maart 1945 raakte Westerling zwaargewond door een Duitse aanval met een V-1. Hij werd hierna naar Londen afgevoerd. Na genezing werd hij door toedoen van het hoofd BBO, generaal Van Oorschot, bevorderd tot luitenant en uitgezonden naar het Korps Insulinde op Malakka. Vanuit dat korps is hij ingezet in Medan (Sumatra) om samen met de Britten op te treden tegen Indonesische opstandelingen in en rond Medan.

Inzet op Sumatra Toen de oorlog in Europa ten einde was, trad Westerling in dienst van het KNIL. Na een tussenstop in Ceylon werd hij uitgezonden naar Medan. Zijn opdracht was om het herstel van het Nederlandse gezag daar voor te bereiden en Nederlandse krijgsgevangen en geïnterneerde burgers op te sporen. Formeel stond Westerling onder Brits bevel, maar hij ging vooral zijn eigen weg. Hierbij viel hij op door zijn gevoel voor het inlichtingenwerk, waarmee hij de basis legde voor enkele belangrijke successen van de Britse troepen. Ook verwierf hij een reputatie van doortastend en waar nodig hardhandig optreden, dat de meest betrokkenen legitimeerden door te verwijzen naar de brute methoden van de tegenpartij.Moor, J.A. de, op. cit., p. 126

Contra-guerrilla op Zuid-Celebes In juli 1946 kreeg Westerling als eerste luitenant het commando over het Depot Speciale Troepen (DST), een in contra-guerrilla gespecialiseerde eenheid, die voornamelijk werd gevormd door Indo-Europese en inheemse militairen van het KNIL en oorlogsvrijwilligers uit Nederland. Westerling kreeg opdracht om naar Zuid-Celebes af te reizen. Dat eiland was - net als andere delen van Nederlands-Indië - in de greep van een gewelddadige opstand die door de Nederlandse regering en in de media als 'rood-witte-terreur' werd gekenschetst. Het overheidsgezag was nagenoeg ingestort, het economische leven was lamgelegd en Indo-Europeanen en Chinezen werden op grote schaal vermoord. Criminele bendes hadden vrij spel. Deze periode van ordeloosheid is de geschiedenisboeken ingegaan als de Bersiap-tijd. Door dit alles werd het Nederlandse plan om de deelstaat Oost-Indonesië voor te bereiden op onafhankelijkheid gedwarsboomd.Wordpress.com: Biografie Westerling Van een georganiseerde opstand tegen het Nederlandse gezag zou volgens de commissie-Enthoven (1948) destijds geen sprake zijn geweest.

Na overleg tussen de politieke leiding in Batavia en de Nederlandse legerleiding werd besloten tot de inzet van een extra bataljon troepen en het Depot Speciale Troepen (DST) onder leiding van Raymond Westerling. Hij kreeg een duidelijke opdracht en instructies om een contraguerrilla tegen de 'rood-witte-terreur' te organiseren. Onderdeel van het mandaat dat Westerling kreeg van kolonel Henk de Vries, de operationele bevelhebber op Zuid-Celebes, was de bevoegdheid tot het uitoefenen van standrecht.Geersing, B. (2019) Kapitein Raymond Westerling en de Zuid-Celebes-Affaire (december 1946 - maart 1947) - Mythe en werkelijkheid Hij was daarbij verantwoording schuldig aan de operationele bevelhebber ter plaatse en aan de geallieerde gezagsdrager (CDO) generaal-majoor Eduard Engles.

Westerling paste op Zuid-Celebes zijn eigen methode van contraguerrilla toe, de methode-Westerling, waarin plaats was ingeruimd voor standrechtelijke executies. Tegelijkertijd betrok hij het loyale deel van de bevolking bij het herstel van de rechtsorde en de economie, met name door het instellen van een eigen kampongpolitie. Om het vertrouwen te kunnen winnen en onnodige burgerslachtoffers te vermijden, was het in zijn ogen noodzakelijk 'hard maar rechtvaardig' op te treden jegens opstandelingen en daar publiekelijk uiting aan te geven. De acties verliepen volgens een vast patroon en waren bedoeld om de adat, het plaatselijke normen- en rechtsstelsel (althans in Nederlandse ogen), te respecteren.

Verdachte kampongs werden ‘s nachts omsingeld. Bij het aanbreken van de dag werden de bewoners gedwongen om hun huizen te verlaten en zich op een open terrein in de nabijheid van de kampong te verzamelen. Personen die gewapend verzet boden werden onmiddellijk gedood. Na aankomst op de verzamelplaats scheidden de soldaten van het DST de mannen van de vrouwen en kinderen. Daarna kregen de mannen te horen wat het doel van de militaire actie was. Op grond van vooraf verzamelde inlichtingen werden van terrorisme verdachte personen uit de menigte gehaald, in staat van beschuldiging gesteld en daarna onmiddellijk standrechtelijk geëxecuteerd. Na de executies moest de bevolking een eed afleggen op de Koran, en zweren dat ze het terrorisme uit haar midden zou bannen. Ten slotte organiseerde Westerling een nieuw politieapparaat en benoemde hij kampongbesturen die verantwoordelijk werden gesteld voor de ordehandhaving. De commissie Van Rij/Stam karakteriseerde het optreden van Westerlings methode in 1954 als een 'plechtige' methode, die op de bevolking een diepe indruk zou hebben gemaakt (Conclusie VI).

Deze zogenaamde zuiveringsacties, die de geschiedenis in zouden gaan als de 'Zuid-Celebes-affaire', duurden van 11 december 1946 tot 3 maart 1947. Of Westerling erin slaagde met zijn harde aanpak het verzet op Zuid-Celebes uit te schakelen en de openbare orde te herstellen, blijft de vraag.

Volgens de Indonesiërs ging dat alles gepaard met grote aantallen slachtoffers.De hoge cijfers die de Indonesiërs noemden, kwamen volgens sommige berichten uit de koker van Abdul Kahar Muzakkar, de latere leider van een islamistische afscheidingsbeweging op Zuid-Celebes tegen de nieuwe regering, die van 1950 tot 1965 heeft bestaan. De Republikeinse informatie stelde dat Westerlings optreden 35.000 à 40.000 levens had gekost. Dit cijfer noemde men ook in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Nederlandse militaire rapporten uit die periode onderschreven daarentegen de schattingen van Westerling. Deze verklaarde tijdens een onderzoek dat hij verantwoordelijk zou zijn geweest voor zo'n 500 slachtoffers. Huidige schattingen, afkomstig van de Nederlandse historici Willem IJzereef en Jaap de Moor, stellen dat de KNIL-troepen en het DST tijdens de hele operatie verantwoordelijk waren voor ongeveer 3.500 doden. Het grootste aantal slachtoffers kwam voor rekening van de Speciale Troepen die zelfstandig opereerden in het noordwestelijk deel van Zuid-Celebes, onder leiding van onderluitenant Jan Vermeulen. Het onderdeel onder leiding van Westerling zelf zou 388 slachtoffers hebben gemaakt.IJzereef, Willem (1984). De Zuid-Celebes Affaire: Kapitein Westerling en de standrechtelijke executies. Dieren: De Bataafse Leeuw. De Indonesische zijde zou verantwoordelijk zijn voor 1.210 gevallen van moord, 300 ontvoeringen en 408 vermissingen, samen 1.918 slachtoffers, terwijl nabij de 2.400 mensen werden omgebracht door het KNIL, door pro-Nederlandse strijdgroepen en door politietroepen uit de kampongs. In het rapport van de commissie-Enthoven (1948) wordt de 'rood-witte-terreur' daarnaast verantwoordelijk gehouden voor 2661 gevallen van rampok (beroving) en 555 gevallen van brandstichting.

In de gewelddadige periode voorafgaand aan Westerlings optreden was er sprake van 1.200 Indonesische slachtoffers op Zuid-Celebes door rivaliserende bendes, criminaliteit en politieke terreur onder Republikeinse vlag. Dit rechtvaardigde volgens Westerlings sympathisanten het harde optreden. Deze lezing wordt onderschreven door mr. B.J. Lambers, destijds de vertegenwoordiger van de procureur-generaal op Zuid-Celebes. Ook de historici Rémy Limpach (De brandende kampongs van generaal Spoor, 2016) en Gert Oostindie (Soldaat in Indonesië, 2016) laten zien dat de acties van Westerling, als ze al niet direct van hogerhand waren opgedragen, toch minstens oogluikend door de militaire en politieke autoriteiten in Batavia werden toegestaan. Limpach toonde aan in zijn publicatie dat Westerling zelf verantwoordelijk was voor zijn handelingen en actief deelnam aan de moorden: Het KST o.l.v. Westerling sneed in Celebes [Sulawesi, AG] oren van krijgsgevangenen af en liet hen deze opeten’ (pag. 24) (…) verduidelijkt Westerlings uitlating dat hij niet terugschrok voor dodelijke eigenrichting, dan wel moord en marteling als hij dat noodzakelijk achtte (…) (pag. 273) (…) hield in het geval van Batoea in dat zijn commando’s en hij voor de ogen van de kampongbevolking 35 mannen zonder enige vorm van proces neerschoten. (…) (pag. 78) (…) het ter plekke executeren van “daders” (…) door een vuurpeloton of door Westerling of andere actieleiders persoonlijk (…) (pag. 279)