thumb|500px|Volkeren in Latium (5e eeuw v.Chr.) De Marsi (Oudgrieks: ) waren een oude volksstam van de SabelliHoratius, Epodae 17, 28. op de grens met Latium, op een hoge vlakte tussen de Apennijnen, rondom het meer Fucinus, tussen de Liris en Aternus. Hoofdstad Hun hoofdstad Marruvium (het huidige San Benedetto dei Marsi) lag aan de oostelijke oever van het meer Fucinus. Geschiedenis Met de andere stammen van de Sabelli (Peligni, Vestini, Marrucini e.a.Livius, Ab Urbe condita VIII 29. Vgl. Livius, Ab Urbe condita VIII 6, Polybios, II 24.12.) waren zij meestal samen met de Samnieten tegen de Romeinen in oorlog (Samnitische oorlogen, vanaf 308 v.Chr.),Livius, Ab Urbe condita IX 41. totdat zij in 304 v.Chr. tot een bondgenootschap met Rome werden gedwongen (socii).Livius, Ab Urbe condita IX 45.
In 91 v.Chr. stelden zij zich echter weer aan het hoofd van het bondgenootschap tegen Rome, in de zogenaamde Bondgenotenoorlog (bellum sociorum of Marsicum bellum).
Cultuur De Marsi stonden bekend als zeer dapper. Zij waren ook beroemd om hun kennis van de genezende kracht van de planten en kruiden van hun bergen en stonden bekend als goede wondhelers.
Daarnaast stonden ze bekend als slangenbezweerders en ook als tovenaars (vandaar dat Marsa naenia ook wel "toverspreuk" betekent).Horatius, Satires I 9, 29, Epodae 17, 28, &c. Vandaar dat men zei dat zij als tovenaars van (een zoon van) Circe afstammen en in hun kunst door Medea waren onderwezen. Taal Zij spraken een Oskisch-Umbrische taal, die tevens Marsi wordt genoemd.
Zie ook Marsica Noten
Referenties art. Marsi, Μάρσοι (1), in - trad. ed. , Classisch Woordenboek van Kunsten en Wetenschappen, Rotterdam, 1857, p. 584. art. Marsi, Μάρσοι (1), in , Woordenboek der Grieksche en Romeinsche Oudheid, Haarlem, 19203, p. 392. Categorie:Italisch volk