Duitse Generale Staf is een onvolkomen vertaling van het Duitse begrip Generalstab. De Duitse Generale Staf was en is een militair, sociaal en politiek fenomeen. Historisch was de “Generalstab” een organisme dat de hoogste leiding van het Duitse landleger verzekerde. “Generalstab”, kort voor “Truppengeneralstab” (Troepen Generale Staf), was en is ook de naam van de staf die de commandant van een grote legereenheid bijstaat. “Generalstab” slaat daarenboven ook op het korps officieren, de "Generalstabsoffiziere" (Generale Staf Officieren) die opgeleid en getraind waren om zowel in de hoogste leiding van het leger te dienen als in de staven van grote eenheden.
De Generale Staf had grote invloed op de benadering van Duits-nationale en internationale veiligheids- en defensieproblemen.
Ontstaan De eerste jaren Op het einde van de 17de eeuw waren de legers zo groot geworden en de oorlogstheaters zo uitgestrekt dat de soeverein, staatshoofd en veldheer, onmogelijk alleen alle aspecten van de bevelvoering kon overzien. Naar het voorbeeld van het destijds sterke en gereputeerde Zweedse leger organiseerde de Hertog van Pruisen daarom een “Generalquartiermeisterstab”. Die staf was een los verband van adjudanten en ingenieur officieren, bevoegd voor niet-operationele bijkomende aspecten van de bevelvoering: technische werken, marsroutes, inkwartiering, keuze van en inrichten van versterkingen.
Na de Franse revolutie veranderde de militaire omgeving op dramatische wijze. In plaats van oorlogen van vorsten en prinsen namen gewapende conflicten de vorm aan van volksoorlogen. Massalegers ontmoetten elkaar op verre en verspreide oorlogstheaters.
Een veldtocht waarbij miljoenen soldaten betrokken zijn kon niet meer zomaar georganiseerd worden. De veldheer kon niet meer alleen bevelen. Napoleon was de eerste om staven met vakmensen op te richten. De successen van Napoleon waren aan die staven te danken.
In een reactie op de nederlagen tegen Napoleon (slag bij Jena en Auerstedt (1806) ) paste ook Pruisen de organisatie van de bevelvoering aan. De bestaande officieren adjudanten en ingenieurs werden gegroepeerd in een staand organisme dat de militaire wetenschappen moest bestuderen en ontwikkelen, het terrein in kaart brengen en operationele plannen opstellen.
De Generale Staf Oprichting In 1808 werden in Pruisen onder impuls van de generaal Gerhard von Scharnhorst diepgaande hervormingen doorgevoerd. De “Quartiermeisterstab” werd afgeschaft. Binnen het nieuw opgerichte Oorlogsministerie werd de “Generalstab” (Generale Staf) officieel geïnstalleerd als centraal organisme met een brede waaier van bevoegdheden, enkel en uitsluitend voor het landleger, niet voor de vloot.
Taken De Generale Staf bestudeerde de Krijgsgeschiedenis, liet landkaarten tekenen, hield de militaire aspecten van de uitbouw van het wegennet in het oog, bestudeerde bevoorradingsproblemen en personeelszaken en leidde de opbouw van een strijdmacht.
De Generale Staf was ook bevoegd op politiek-operationeel vlak en stelde plannen op voor mogelijke veldtochten naargelang de politieke ontwikkelingen.
Troepen Generale Staf Een aantal officieren van de Generale Staf deden dienst als liaisonofficier in de staven van grote gevechtseenheden vanaf divisie en in grote vestingen. De afgedeelde officieren stonden bekend als “Truppengeneralstab” (Troepen Generale Staf). Met de hoofdzetel in Berlijn en gedetacheerden her en der bij de troepen en vestingen fungeerde de Generale Staf als het ware als een apart autonoom zenuwstelsel binnen het leger.
Kriegsakademie Een “Kriegsakademie“ (Krijgsschool) werd opgericht voor de opleiding van streng geselecteerde kandidaat - leden van de Generale Staf. De naam van de school zegt wat onderwezen werd: voorbereiding tot de oorlog en oorlogsvoering, d.w.z. strategie en tactiek. Het doel was de jonge officieren op te leiden tot zelfstandig denkende en handelende Generale Staf Officieren die zelf konden beslissen hoe opgelegde opdrachten uit te voeren.
Resultaten De nieuwe Pruisische Generale Staf bewees zijn waarde tijdens de oorlogen van 1813 – 1815 met Frankrijk voor de bevrijding van de Duitse gebieden. De militair-wetenschappelijke operatieplannen van het Pruisische leger werden opgesteld door Scharnhorst, de Chef van de Generale Staf. Parijs werd in 1814 veroverd volgens een plan van Generalfeldmarschall August Neidhardt von Gneisenau. Aan de Slag bij Waterloo lag eveneens een plan van de Pruisische Generale Staf ten gronde.
De Generale Staf bewees zijn kunnen in de oorlogen voor de eenmaking van Duitsland. In de slag bij Königgrätz 1866 leverde de Generale Staf onder leiding van de chef van de Generale Staf Generalstabschef, Generalfeldmarschall Helmuth Karl Bernhard von Moltke (bijgenaamd de oudere) een voorbeeld van perfect stafwerk. Drie Pruisische legers rukten gescheiden op naar Bohemen om pas op het slagveld, precies op tijd verenigd, het leger van de tegenstander te verslaan.
Het Duitse Rijk en het Duitse Keizerrijk Politiek-militaire situatie De in 1866 gestichte “Noord-Duitse Bond” was een statenbond van tientallen autonome politieke entiteiten onder Pruisische leiding. Het leger van het Duitse Rijk, (na 1870 het Duitse Keizerrijk), bestond uit de strijdkrachten van Pruisen en van andere leden van de Bond. De deelstaten Beieren, Saksen en Württemberg hadden elk hun eigen ministerie van oorlog en hun eigen leger dat onder bevel stond van de vorst of een prins uit de respectieve erfelijke dynastieën. De andere deelstaten hadden hun troepen onder bevel van Pruisen geplaatst of ze waren met het Pruisische leger versmolten.
De “Generalstab” werd verdeeld in twee takken: de centrale “Große Generalstab” (Grote Generale Staf) en de “Truppengeneralstäbe” (Troepen Generale Staven).
De Grote Generale Staf De Grote Generale Staf bestond uit de Pruisische Generale Staf waarbij ook Generale Staf Officieren van Beieren, Saksen en Württemberg ingedeeld waren. De Grote Generale Staf voorzag in de behoefte aan gestandaardiseerde procedures, bestudeerde politiek-militaire zaken en stelde plannen op met betrekking tot het geheel van het Duitse Rijk.
Organisatie De zogenaamde Duitse afdeling van de Grote Generale Staf was bevoegd voor de bewaking van de grenzen, de vestingen van het Rijk en de bewapening, training, organisatie, mobilisatie en ontplooiing van het landleger.
De Grote Generale Staf telde verder een aantal afdelingen voor het wereldwijd volgen van politieke en militaire ontwikkelingen en voor het verwerken van informatie van diverse inlichtingenbronnen. Elk Europees land waarmee het Rijk kon te maken krijgen werd gevolgd door een gespecialiseerde afdeling: Rusland, Frankrijk, Engeland, Oostenrijk-Hongarije, Italië.
Daarnaast had de Grote Generale Staf ook afdelingen voor ondersteunende functies: spoorwegen, studiereizen, cartografie, studie van krijgsgeschiedenis.
Ten slotte was er ook een afdeling voor het plannen van de “Kaisermanöver”, een jaarlijkse parade en massaal manoeuvre van de strijdkrachten.
Chef van de Grote Generale Staf De Chef van de Grote Generale Staf, (stafchef of, in Nederland, chef-staf) noemde zich kortweg “Chef van de Generale Staf “. Hij was tegelijk ook de hoogste meerdere van alle Generale Staf Officieren.
Vanaf 1882 speelde Generaal (later “Generalfeldmarschall”) Alfred von Waldersee als generaal-kwartiermeester en plaatsvervanger van Moltke een bepalende rol. Onder de leiding van Waldersee, een conservatieve, mateloos ambitieus en geslepen man, begaf de Generale Staf zich bij middel van de pers en persoonlijke contacten op het domein van de buitenlandse politiek en industrie. Andere machtscentra zoals de ministeries van oorlog en het keizerlijk militair kabinet werden buiten spel gezet. De Generale Staf werd talrijker en talrijker om tegen het einde van de 19de eeuw 239 officieren te tellen (197 Pruisen, 25 Beieren, 10 Saksen, 7 Württembergers). Als hoogste militaire autoriteit kreeg de “Chef des Generalstabes der Armee“ van Pruisen (Chef van de Generale Staf van het Pruisische Leger), tegelijk Chef van de Grote Generale Staf, vanaf vredestijd, rechtstreekse toegang tot de Keizer, bij wet de “Oberster Kriegsherr“ van het Duitse Rijk, de opperbevelhebber. Dit liet de Chef van de Grote Generale Staf toe militaire beslissingen te nemen met voorbijgaan van de Kanselier en de “Reichstag”. Het weloverwogen evenwichtig beleid van Moltke in samenwerking met de kanselier Bismarck zou gaande weg plaats ruimen voor onbeperkt militaristisch en offensief denken.
Die evolutie bereikte haar hoogtepunt wanneer in 1888 Wilhelm II keizer werd en in 1890 Bismarck opzij geschoven werd.
Een en ander leidde ertoe dat militaire planning niet onderworpen was aan het primaat van de politiek. Die situatie kan beschouwd worden als een van de diepe oorzaken van de dramatisch afgelopen Eerste Wereldoorlog: het Schlieffenplan werd opgesteld als enig en boven alle discussie verheven oorlogsplan zonder dat gezaghebbende politici van het Rijk ingewijd waren.
Troepen Generale Staven Organisatie Bij elk legerkorps en iedere grote vesting werden een aantal Generale Staf Officieren afgedeeld met een kolonel of generaal-majoor als plaatselijke Stafchef. Bij een divisie werd een majoor afgedeeld. Deze officieren stonden niet onder het ondubbelzinnig en exclusief gezag van de bevelvoerende commandant. Ze bleven onder controle van de Chef van de Generale Staf .
De Stafchef Het was regel dat de Stafchef van een Troepen Generale Staf met voorbijgaan van de bevelvoerende commandant van zijn eenheid, rechtstreeks met de stafchefs van hogere en lagere echelons kon corresponderen. Wanneer de adellijke erfelijke commandant van het betrokken legeronderdeel weinig geïnteresseerd was of ongeschoold en onbekwaam bood deze regeling een elegante oplossing om aan hem voorbij te gaan. De Stafchef was dan op zijn minst deelgenoot aan de beslissing en mede aansprakelijk. In het uiterste geval nam de Stafchef de facto het bevel waar.
De Kriegsakademie Pruisen en Beieren leidden elk hun eigen Generale Staf Officieren en gebeurlijk die van andere deelstaten op aan een eigen "Kriegsakademie". De "Kriegsakademies" en de Generale Staf Officieren waren de factoren die alle legers en legereenheden van het Rijk operationeel en staftechnisch op dezelfde lijn brachten.
Het Korps Generale Staf Officieren De krijgsmacht bekleedde een bijzondere plaats in de Duitse samenleving. De symbiose met de samenleving was totaal. In het bijzonder de Generale Staf in de betekenis van het apart korps officieren die dienden in de Grote Generale Staf, in een Troepen Generale Staf of andere voorbehouden posten had een sterk imago. “Generalstabsmäsig”, zoals in de Generale Staf, behoorde tot het dagelijks taalgebruik om een perfect werk, organisatie, onderneming te beschrijven. De Generale Staf Officieren waren als uitgekozen jonge officieren aan de “Kriegsakademie” opgeleid. Ze bleven hun hele loopbaan lid van het korps.
Oorspronkelijk waren veel officieren van de Generale Staf zogenaamde Pruisische Junkers, uit de klasse van al dan niet aristocratische grootgrondbezitters Oost van de Elbe. Deze klasse bekleedde door het grondbezit, het partijdige kiesrecht en hun verbondenheid met het Pruisische leger een machtspositie in Pruisen en later in gans het Rijk. Ze waren steunpilaren van het vorstenhuis, extreem conservatief, antiliberaal, antidemocratisch. Anderzijds behoorden ook een belangrijk aantal officieren van burgerlijke afkomst tot de Generale Staf. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, ongeveer de helft.Walter Görlitz Geschichte des deutschen Generalstabes von 1650-1945, Augsburg 1997, . p. 115 en 159.