De Faliskische stad Falerii is een van de belangrijkste archeologische vindplaatsen in Etrurië. Op deze plaats ligt tegenwoordig het dorp Civita Castellana.

Er zijn in Civita Castellana vier bewoningsfasen geattesteerd. In de eerste, pre-urbane fase was de nederzettingskern gesitueerd op de Vignale heuvel die in de Villanofase (8e-7e eeuw v.Chr.) uitgebreid werd naar de hoogvlakte. In de daarop volgende Etruskische periode bereikte het stadsareaal haar grootste omvang en werden er stadsmuren gebouwd (5e eeuw v.Chr.). Als bondgenoot van grote Etruskische centra als Veii en Tarquinia nam Civita Castellana het op tegen Rome, aanvankelijk nog redelijk succesvol dankzij de sterke strategische positie van de stad. In 241 v.Chr. werd de stad echter door de Romeinen verwoest en werd een nieuwe nederzetting opgericht in de vlakte (Falerii Novi). Pas in de middeleeuwen zal het verlaten Civita Castellana opnieuw bewoond worden.

Opgravingen De eerste archeologische opgravingen in het territorium van Falerii Veteres vonden plaats in de tweede helft van de 19e eeuw, op een ogenblik dat Etruskische vondsten begeerd waren bij allerhande verzamelaars. Aangezien er weinig zichtbare resten bewaard waren te Civita Castellana en vanwege de uitstraling van grotere steden zoals Cerveteri, Veii, Chiusi, e.a. bleef het archeologisch materiaal te Falerii Veteres nog redelijk gespaard van de verzamelwoede. Anderzijds werden er door ontginning van tufsteen ook heel wat sporen vernietigd. De eerste archeologische opgravingen begonnen in 1883 onder leiding van A. Cozza en A. Pasqui, voornamelijk te Lo Scasato, La Penna en Celle (cf. infra). Ze concentreerden zich in hoofdzaak op de Etruskische en de Romeinse sporen in het Ager Faliscus. De resultaten van de opgravingen werden gepubliceerd in de Atti della Accademia nazionale dei Lincei. Notizie degli scavi di antichita en, zij het minder uitgebreid, in Forma Italiae. Carta Archeologica d’Italia (1881-1897) onder leiding van G.F.Gamurrini. Dit werk is, vanwege haar topografische aanduidingen, nog steeds onmisbaar voor elke archeologische studie over Civita Castellana. De meeste 19e-eeuwse opgravingsverslagen en topografische studies zijn onnauwkeurig en niet systematisch. Het archeologisch onderzoek was bijna volledig afhankelijk van toevallige vondsten. Bovendien richtten de opgravers zich vooral op de resten van de verschillende tempelconstructies in het gebied rond Civita Castellana, waarbij de andere aspecten van het archeologische onderzoek (necropolen, wegennet, urbanisatie, ...) verwaarloosd werden. Een belangrijke beperking is het ontbreken van enige stratigrafische observaties, waaraan overigens pas in de eerste helft van de 20e eeuw iets veranderde.

In het begin van de 20e eeuw ondernam E. Stefani nieuwe opgravingscampagnes bij Le Monache (cf. infra) en Sassi Caduti (cf. infra) en deed hij een poging om de verschillende vondsten in Civita Castellana in een historische context te plaatsen. In het interbellum besteedde men voor het eerst aandacht aan de prehistorische fase van de Falisken en hierbij moeten we vooral de American Academy in Rome vermelden, die de onderzoeksresultaten van diverse ongepubliceerde opgravingen en prospecties bundelden in een werk.

In 1929 publiceerde A. Dottorini een archeologische studie over de Faliskische necropolen in de omgeving van Civita Castellana. Dit werk wordt, bij gebrek aan nieuwe opgravingen, samen met de publicaties van Cozza en Pasqui (cf. supra) nog steeds gebruikt voor de identificatie de pre-Romeinse grafstructuren.

In 1940 stelde A. Andrén een catalogus samen van de Faliskische architecturale terracotta's op die de basis vormt voor het onderzoek naar de tempelarchitectuur te Civita Castellana.

De archeologische activiteit in het Ager Faliscus spitste zich vanaf de jaren 40 en 50 op andere Faliskische sites toe, zoals Corchiano, Fescennium, Sutrium, Nepi en Narce, die min of meer systematisch opgegraven werden, terwijl het onderzoek te Civita Castellana, de belangrijkste Faliskische stad, nog steeds steunde op losse vondsten. In deze periode vond tevens de uitbouw van het archeologische museum, het Museo dell’Agro Falisco, plaats, waarbij vooral de aardewerkverzameling een belangrijke uitbreiding kende. In 1957 publiceerden M.W. Frederiksen en J.B. Ward-Perkins een studie over het wegennet in het centrale en zuidelijke deel van het Ager Faliscus, die zowel de topografie als archeologie van het gebied omvat.

Vanaf 1963 verschenen er verschillende linguïstische studies over het Faliskisch waarbij vooral de werken van G. Giacomelli en E. Peruzzi interessant zijn voor het archeologische onderzoek vanwege het chronologisch kader dat ze voorstellen maar ook vanwege de reconstructie van de meeste Faliskische epigrafische bronnen (cf. infra).

In de eerste helft van de jaren 80 werden er twee belangrijke onderzoeken van P. Moscati over de topografie en de bewoning van Civita Castellana gepubliceerd in de Studi Etruschi. De studies van Moscati vormen thans de basis van de topografische kennis van de stad, en in het bijzonder van de heuvel Vignale, die de acropolis vormde van de Etruskische stad. Hij gaf bovendien op basis van eigen observaties en een kritische bespreking van de onderzoeksresultaten van Cozza en Pasqui (cf. supra). Op 28 mei 1987 vond er te Florence, onder leiding van G. Maetzke het 15e congres plaats van het Istituto nazionale di Studi Etruschi ed Italici, dat helemaal gewijd was aan de Faliskische cultuur en meer specifiek aan Civita Castellana. Dit werk geeft een beknopt historisch overzicht van de Faliskische cultuur van het neolithicum tot de vroege middeleeuwen en spitst zich vooral toe op de topografisch-archeologische onderzoekingen en in mindere mate ook op de linguïstische en epigrafische studies.

In analogie met de Etrusken zijn er geen directe Faliskische literaire bronnen bewaard, dat wil zeggen teksten door de Falisken zelf geschreven. We beschikken dan ook alleen over indirecte Romeinse bronnen die voornamelijk dateren uit de periode van de 1e eeuw v.Chr. tot de 1e eeuw n.Chr. De Faliskische cultuur onderging achtereenvolgens een Etruskische en een Romeinse beïnvloeding en werd omstreeks het midden van de 3e eeuw v.Chr. grondig geromaniseerd waardoor een complexe geschiedenis tot stand kwam die door de auteurs, bij gebrek aan oudere teksten, soms onduidelijk of vertekend werd voorgesteld.

Civita Castellana werd in de oudheid aangeduid met de naam Falerii Veteres. De naam kan men terugbrengen naar het mediterrane fala, met de waarschijnlijke betekenis van plateau met ronde top.

Het verband tussen het etnische aspect en de toponymie is zwak, in zoverre dat, ook als men aan de basis van Falerii een Falistii aanvaardt (de fonetische overgangen zijn heel normaal), men twee verschillende morfologische vormen onderscheidt, in -KO en in -YO. Zo zal de naam van het volk, die oorspronkelijk een veel bredere basis had, omwille van basisgelijkenissen, historisch vooral naar de bewoners van de hoofdplaats gaan verwijzen.

Het achtervoegsel "Veteres" voor de stad werd veelal weggelaten, maar na de verwoesting van de stad en de stichting van een nieuwe kolonie, Falerii Novi, werd "Veteres" toegevoegd om ze te onderscheiden van de nieuwe Romeinse stad. Soms worden ook de afleidingen "Faliscum" of "Faleria" gebruikt om Falerii Veteres aan te duiden. Deze varianten zijn echter te vermijden vanwege de mogelijke verwarring met het Aequum Faliscum, soms als Faliscum afgekort, en Faleria, een kleine Faliskische site, enkele kilometers ten zuiden van Civita Castellana.

Fysisch milieu Het gebied van Falerii ligt ten westen van de Tiber, dit is het tufsteenplateau van het noorden van Latium, afgebakend door een duidelijke noordwest grens, gevormd door de rivieren Paglia en Fiora. Dit komt bijna exact overeen met de moderne administratieve grens van Latium en de provincie Viterbo.

Geologische kenmerken Op uitzondering een kuststrook en een randgebied ten oosten en ten zuidoosten van de Soratte berg, is het hele gebied bedekt met vulkanische afzettingen, die het gevolg zijn van vulkaanuitbarstingen, die ca. 25000 jaar geleden plaatsvonden. Geologisch gezien is dit landschap heel jong. We kunnen vier verschillende fases van vulkanische activiteit onderscheiden, die achtereenvolgens plaatsvonden van het noordwesten naar het zuidoosten, waarbij in een eerste fase het grote vulkanische meer van Bolsena werd gevormd. In de tweede en derde fase werden respectievelijk de Cimino berg en de Sabatini bergen gevormd. De Albaanse Bergen (ten zuiden van Rome) ontstonden in de laatste fase. Het resultaat van deze intense vulkanische activiteit was een aaneenschakeling van vulkanische bergen, meren, evenwijdig met de Sabijnse heuvels en de zee. De Tiber liep oostelijk, in de vallei tussen de Sabatini bergen en de Albaanse Bergen. Behalve in de onmiddellijke nabijheid van de kraters en van de gestolde lava stromen, zijn de afzettingen bijna overal horizontaal afgezet. De vulkanische strata bedekken een formatie van kiezelhoudend zand, klei, afkomstig uit de pre-vulkanische fase. De bergflanken vertonen diepe erosiesporen, veroorzaakt door riviertjes. Dit fenomeen, typisch voor de hele regio, is het duidelijkst bij de convergerende bergengtes van Civita Castellana en is een belangrijke factor bij de inplantingskeuze van een nederzetting. De stad is gelegen aan de Treia, een zijrivier van de Tiber, ten oosten van de Cimino berg en de Sabatini bergen. De Cimino is een geïsoleerde berg met een diameter van 15km en een maximum hoogte van 3400 voet en het vulkanische Vico meer nabij de top. De Sabatini bergen vormen een complex geheel van bergen en kraters, geconcentreerd bij het grote vulkanische meer van Bracciano. Ten noorden van worden de Sabatini bergen verbonden met de zuidelijke hellingen van de Cimino berg. De aldus gevormde vallei was de natuurlijke verbindingsweg tussen het zuidoostelijke en centrale deel van Etrurië en hier bevond zich de Via Cassia. De zuidelijke arm van de Sabatini bergen strekt zich in oostelijke richting uit naar het Bracciano meer. Ten noorden ervan lag het Ager Faliscus, beheerst door de Treia rivier en een aantal kleine riviertjes, die in het noorden of het oosten uitmonden in de Tiber. Zuidelijk van dit gebied lag het Ager Veientanus en aan het oostzijde, waar de tufsteenformaties eindigen en het terrein afdaalt naar de Tiber bevond zich het Ager Capenas.

Vegetatie en klimaat Grote delen van het Ager Faliscus waren dicht bebost op het ogenblik dat de Romeinen in het begin van de 4e eeuw v.Chr. het zuiden van Etrurië binnentrokken. Deze bossen gaan terug tot de 9e eeuw v.Chr. en bestonden voornamelijk uit Spaanse kastanjelaars.