De Tartaarse helm is het twintigste stripverhaal uit de reeks van Suske en Wiske, geschreven en getekend door Willy Vandersteen. Het verhaal werd – als onderdeel van de blauwe reeks – van 9 mei 1951 tot en met 16 juli 1952 gepubliceerd in het stripweekblad Kuifje.
De eerste albumuitgave was in 1953. Destijds was het het derde verhaal in de blauwe reeks en kreeg hier albumnummer 2. In 1971 werd De Tartaarse helm heruitgegeven in de Vierkleurenreeks, waarin het albumnummer 114 kreeg. In deze heruitgave zijn enkele pagina's weggelaten, om aan de standaardnorm van 58 pagina's te voldoen. De integrale versie van De Tartaarse helm verscheen in 1995 alsnog opnieuw in de reeks Suske en Wiske Klassiek.
Locaties België, de Kempen met villa van Lambik, Brugge (het “Venetië van het Noorden”), het Zwin bij Knokke, Muide, de stompe torens van Damme, Muyde en Oostkerke, herberg, Venetië met het Dogepaleis, het San Marcoplein en de kathedraal, het gebied van de Grote Koeldai-Khan, de Adriatische zee, de kust van Dalmatië, Cyprus, Palestina, Jeruzalem, Cathay, Lido, de Syrische woestijn, Tigris, Eufraat, Bagdad met paviljoen met koperen koepel, poort, door de Mongoolse steppe, post van de vergulde wacht, Kambula, paleis.
Personages Suske, Wiske, Lambik, hypnotiseur / landloper Priem, pachter, meester Giovanni Rabakol, Italiaans zeeman, spion uit Genua (man met groene mantel) en zijn rabauwen, Luigi (dwerg / lilliputter), Venetianen, vazenhandelaar, Genuezen, Doge van Venetië, fakir, Jezabel en moeder, koopman, sultan Bassel el Kebir en diens mannen, sultan Bibars en diens mannen, de veertiende dalai lama (gids), karavaan, krijgers, Marco Polo en zijn mannen, Tsji Ling, de Tataren, ministers, rebellen van de Vallei van het Zingend Zand.
Het verhaal
Lambik is na zijn vorige avontuur in Mocano in een villa in de KempenZie De bronzen sleutel gaan wonen. Suske en Wiske komen hier vaak sporten. Op een dag schieten de kinderen een oude landloper te hulp die wordt mishandeld door de pachter. 's Avonds vertelt Lambik, die zich de laatste tijd enorm toelegt op het schermen, dat hij in het Brugge van de dertiende eeuw, (het "Venetië van het Noorden") zou willen leven om het daar op te kunnen nemen tegen de beroemdste schermer van die tijd, Giovanni Rabakol. Die nacht verschijnt de landloper onverwacht in het huis van de vrienden en hij hypnotiseert Suske en Wiske. Als Lambik de man betrapt, legt die uit dat hij in werkelijkheid een voormalige bekende hypnotiseur is, die aan lager wal is geraakt als gevolg van een oogoperatie. Nu voelt hij zijn krachten echter weer terugkeren. Hij wil de vrienden enkel belonen voor hun goede zorgen. Dit doet hij door hen via hypnose een avontuur in het verleden te laten beleven, precies volgens Lambiks wens. Hierdoor belanden Suske, Wiske en Lambik in een gezamenlijke droom in het 13e-eeuwse Brugge. Ze zijn al hun eerdere herinneringen aan hun eigen tijd kwijt voor zolang de hypnose duurt.
Alle schepen van het westen komen langs het Zwin bij Knokke op hun weg naar Brugge. Een Italiaanse zeeman komt de herberg binnen waar de drie vrienden op dat moment ook zijn. Hij heeft een wijnkruik bij zich, die is bedoeld voor Rabakol. Een onbekende man die gekleed gaat in een groene mantel doorsteekt de kruik, waar geen wijn maar een persoon in blijkt te zitten, en maakt zich daarna uit de voeten. De gewonde in de kruik is een kleine man genaamd Luigi. Lambik ontmoet even later op straat Rabakol. Ze nemen Luigi mee naar Rabakols huis om hem daar verder te verzorgen, heimelijk gevolgd door de man met de groene mantel (die het hoofd is van de spionagedienst van Genua) en diens rabauwen. Als Luigi weer bij bewustzijn is, vertelt hij zijn verhaal: hij is door de Doge van Venetië als boodschapper gestuurd, vanwege de dreigende oorlog met Genua. Er ligt een boot voor hem en Rabakol klaar in het Zwin. Het verhaal van Luigi is heimelijk afgeluisterd door de man met de groene mantel, die hierna opnieuw kan ontsnappen. De “Regina della Adriatico” ligt ter hoogte van Muide en de vrienden rijden met een koets langs de dijk. Wiske ziet vuren branden op de stompe torens van Damme, Muyde en Oostkerke. Rabakol en Luigi gaan met een visser naar het schip, de vrienden zien het wegvaren en komen in een herberg bij Venetianen. Ze ontdekken dat Rabakol en Luigi zijn misleid en op een Genuees schip zijn beland.
De ondervraging van Luigi op de “Potenna” wordt voorkomen doordat de mannen zien dat ze gevolgd worden, de gevangenen worden bevrijd. De man met de groene mantel verdwijnt in het water. Het schip vaart naar Venetië. Rabakol gaat naar het Dogepaleis en Suske, Wiske en Lambik zien intussen het San Marcoplein en de kathedraal. Rabakol wordt in de val gelokt door een vazenhandelaar, maar Luigi ontsnapt en waarschuwt de vrienden. De gevangen Rabakol dreigt door de Genuezen te worden ingemetseld, maar Lambik kan hem redden. Rabakol gaat hierna alleen naar het paleis van de Doge, want Lambiks voet moet eerst door een steenhouwer uit een bak cement worden bevrijd.
De Doge vertelt de voorgeschiedenis. In 1260 vertrok de jonge Marco Polo samen met zijn vader Nicolo Polo en zijn oom Maffeo Polo vanuit Tana (de zee van Azov) naar de Tartaren van de Gouden Horde. Bij de tweede tocht in 1271 namen ze de 17-jarige Marco opnieuw mee. Marco Polo woont nu in CathayDe middeleeuwse naam van China, in het gebied van de Grote Koeblai Khan. Hij is daar achter het bestaan van een geheim wapen gekomen, en nu wil hij aan iemand uit Europa een helm van de Tartaren overhandigen waarin dit grote geheim zit verborgen. Rabakol is degene die hiervoor door de Doge is uitverkoren. De tocht zal gaan langs de Adriatische zee, de kust van Dalmatië, Cyprus en Jeruzalem, waar een gids de reiziger verder naar Cathay zal brengen. Er wacht een schip voor Rabakol in Lido. Intussen laat een Genuese spion laat een postduif wegvliegen. Om middernacht houden Rabakol en Lambik opnieuw een duel met houten zwaarden. Kort daarna wordt Rabakol slachtoffer van een aanslag met een pijl. Hij zal hierna lange tijd moeten revalideren, en zijn opdracht uitvoeren is nu voor hem onmogelijk. Suske, Wiske en Lambik gaan in Rabakols plaats aan boord van de “Livorno". Op Cyprus wordt proviand ingeladen, maar het is dan windstil. 's Nachts zien de vrienden ineens een man op het water lopen, die zegt dat hij vanuit Bagdad is gestuurd en zal zorgen voor regen en wind. Hierna verloopt de zeereis ineens voorspoedig en ze komen aan in Palestina. Ze zien Jeruzalem, dat in handen is van de muzelmannen. De gedaante die ze eerder op zee zagen lopen verschijnt opnieuw in een olijfboom, waar hij de vrienden waarschuwt voor naderend gevaar.
Suske en Wiske gaan op paarden verder. Lambik wil een kameel hebben. Hij koopt een exemplaar met te korte poten, Jezabel, en begeeft zich daarmee in de Syrische woestijn. De moeder van dit dier is geraakt door een mes en is in Jeruzalem achtergebleven, ogenschijnlijk stervende of al dood. De vrienden steken de Tigris en de Eufraat over. Wiske krijgt bij het kampvuur opnieuw een visioen van de man die ze eerder op zee en in de olijfboom zagen; hij vertelt nu dat de gebodstabel gestolen is door iemand met een zwarte tatoeage. Lambik vecht met een leeuw, maar als hij bij het kamp terugkomt blijkt dit te zijn overvallen. De kinderen moeten gevankelijk door de woestijn lopen. Als Wiske uitgeput ineenzakt dreigt ze door de overvallers te worden doodgeschoten. De kinderen worden onverwacht gered door de sultan van Bagdad, Bassel el Kebir. Bassel el Kebir legt uit dat de overvallers van Suske en Wiske in dienst zijn van de concurrerende Egyptische sultan Bibars; zij hebben Armenië en Perzië al verwoest. Bassel el Kebir is zelf uit Bagdad verdreven en naar de rots SesamEen verwijzing naar de bekende spreuk Sesam, open u gegaan. Lambik kan nog net deze rots binnenglippen door de deur en hoort dat de gids van wie ze inmiddels meerdere visioenen hebben gehad, de dalai lama uit Tibet is. Er trekt een karavaan van Bibars langs. Lambik verzint een list om Bagdad te heroveren: hij en Suske en Wiske zullen stiekem met deze karavaan meereizen, waarbij de kinderen zich zullen verbergen in twee vazen op de rug van Jezabel. In Bagdad zal Lambik eerst ter afleiding voor wat gedoe met Bibars zorgen. Deze list lukt en Suske en Wiske openen de poort van Bagdad, zodat Bassel el Kebir en diens mannen de stad ongehinderd kunnen innemen. De vrienden gaan naar een paviljoen. Daar ontmoeten ze hun ogenschijnlijke gids; het is inderdaad de dalai lama wiens visioenen ze eerder hebben gezien, alleen draagt hij nu ineens een groen masker. Wiske vermoedt dat er iets niet klopt en heeft het gevoel dat er nog iemand in het paviljoen aanwezig is.
De vrienden reizen door de Mongoolse steppe en ontmoeten krijgers. Lambik moet de zogeheten "proef met een put" doorstaan, waarbij hij terwijl hij is ingegraven rechtstreeks door een adder zal worden aangevallen. Met een list doorstaat Lambik deze proef, waarna de vrienden als gasten welkom worden geheten. Tsji Ling haalt hen op. Dan worden ze bij een post van de vergulde wacht overvallen door rebellen van de Vallei van het Zingend Zand. Lambik breekt uit en ontmoet Marco Polo, ze gaan met hem naar Kambula. Lambik moet nu de Tartaarse helm in ongeschonden staat naar de Doge van Venetië zien te brengen. Suske en Wiske gaan intussen weer op zoek naar de dalai lama, maar die is niet bij de Tartaren. Op de terugweg zien Suske en Wiske wel een visioen van de dalai lama, die waarschuwt dat er een verrader onder hen is, zonder te zeggen wie. Lambik gelooft het verhaal van de twee kinderen niet, hij laat de dalai lama met het groene masker slapend zien in zijn bed in het paleis. Dan volgt er een nieuwe aanval van rebellen en Lambik voegt zich bij de mannen van Marco Polo. De Tartaarse helm geeft hij intussen in bewaring aan de gemaskerde dalai lama. Dan verschijnt de echte dalai lama weer in een visioen. De rebellen vluchten, maar Suske en Wiske worden ontvoerd. Lambik vindt hen terug, maar wordt dan ook gevangengenomen door de gemaskerde dalai lama, die de Genuees met de groene mantel blijkt te zijn. Om ongehinderd te werk te kunnen gaan deed hij het voor iedereen voorkomen alsof hij bij de schipbreuk was omgekomen. De Genuees probeert de drie vrienden en Jezabel uit wraak van het leven te beroven, wat mislukt. Er volgt een tweegevecht met zwaarden tussen hem en Lambik, maar dan redt Lambik de Genuees onverwacht van een slang. De Genuese spion krijgt hierna diep berouw omdat uitgerekend een van zijn hoofdvijanden zo'n edelmoedige daad voor hem verricht. Hij geeft zich nu volledig over en schenkt Lambik zijn helm en een paard.
De vrienden gaan naar Bagdad en bevrijden daar de dalai lama uit het paviljoen met de koperen koepel, waar hij door de Genuees was ingemetseld. De dalai lama heeft lange tijd zonder eten en drinken weten te overleven dankzij zijn sterke wil. Hij kan bovendien op afstand geluiden en beelden tonen; dit verklaart zijn eerdere verschijningen aan de vrienden. Onderweg terug brengen de vrienden in Bagdad nog een kort bezoek aan Bassel el Kebir, die dankzij hun hulp weer op de troon zit. Wanneer ze uiteindelijk terugkomen in Jeruzalem, blijkt Jezabels moeder hier dankzij de goede zorgen van de koopman van haar wond te zijn hersteld. Jezabel blijft verder bij haar.