miniatuur|Winkel-, hotel- en woongebouwen zijn veelvoorkomende vormen van eigendom. Eigendom in juridische zin is het recht van een rechtssubject om over een zaak (stuk grond, voorwerp, hoeveelheid contant geld enz.) of goed naar eigen goeddunken te beschikken en anderen van deze beschikking in of uit te sluiten. Wanneer een natuurlijke persoon iets in eigendom heeft heet dit particulier-, privaat- of privé-eigendom; iets dat eigendom is van een gemeenschap heet gemeenschappelijk of collectief eigendom; eigendom in handen van een staat heet publiek eigendom of staatseigendom. De rechthebbende van de eigendom van een zaak of goed wordt eigenaar genoemd. Sinds de afschaffing van het feodalisme heeft iedere burger in België en Nederland het recht goederen in eigendom te hebben.

In het dagelijks spraakgebruik en in andere wetenschappen dan het recht wordt bezit vaak als synoniem van eigendom gebruikt. Zowel het Belgisch als het Nederlands recht maakt hier echter een onderscheid: bezit is hier slechts het feitelijk kunnen beschikken over een zaak – de zaak kan bijvoorbeeld ook geleend, gehuurd, gepacht of gestolen zijn. In deze laatste gevallen is juridisch sprake van houderschap (of detentie), niet van eigendom.

De manier waarop eigendom in een samenleving is geregeld is een van de meest fundamentele onderdelen van een maatschappijordening, omdat dit de economische verhoudingen bepaalt: wie is eigenaar van grond, delfstoffen of industrie, in het Marxisme schaarse productiemiddelen genoemd? Deze vraag heeft in de loop van de geschiedenis conflicten opgeleverd, variërend van filosofisch debat tot oorlogvoering. In de Amerikaanse, Franse en Russische revolutie speelden eigendomsrechten een centrale rol. Vanaf de Tweede Wereldoorlog tot eind jaren tachtig van de 20e eeuw waren eigendomsrechten een bron van conflicten in Oost-West verhoudingen. Tegenwoordig is het recht op eigendom als grondrecht in vrijwel alle nationale grondwetten van staten ter wereld opgenomen.

Begripsgeschiedenis Er bestaat geen wereldwijd geldend begrip voor eigendom, de belangrijkste regionale mensenrechtenverdragen bevatten wel artikelen over het recht op eigendom en het is als grondrecht in vrijwel alle nationale grondwetten van staten ter wereld opgenomen.

Liberale opvattingen miniatuur|310x310px|Titelpagina van Lockes Two Treatises of Government; editie uit 1690. Het hedendaagse eigendomsbegrip in West-Europa en de Verenigde Staten vindt zijn oorsprong in het liberale denken van de vroegmoderne tijd. Van de vroege liberalen meenden Hobbes en Hume dat eigendom in particuliere hand een onnatuurlijk verschijnsel was, en dus enkel ingesteld kon worden door de staat: in de natuurtoestand behoort de aarde aan de gehele mensheid toe.

Een andere filosofie van de eigendom is te vinden bij John Locke. Het alleenbeschikkingsrecht op land rechtvaardigde Locke op basis van productieve arbeid: in zijn tweede Treatise on Government poneerde Locke eerst dat ieder mens eigendom over zijn lichaam heeft, en daarmee eigendom over de vruchten van zijn arbeid. Zijn stelling luidt dan, dat het eigendomsrecht op grond overgaat op degene die de grond bebouwt, doordat deze zijn arbeid en de grond met elkaar vermengt. Hier voegde hij aan toe dat de vruchten van de arbeid van een knecht aan de baas toekwamen, niet aan de knecht, en ook voor slavernij maakte hij een uitzondering.

Locke zette zich met zijn theorie af tegen de feodale rechten die in het zeventiende-eeuwse Europa nog opgeld deden, en was grotendeels gebaseerd op een geïdealiseerde voorstelling van de Europese kolonisatie van Amerika, waar Locke zelf als investeerder bij betrokken was. Op Europa, waar de eigendom van alle grond al vergeven was, was zijn theorie nauwelijks van toepassing. Een probleem met Lockes voorstelling van zaken is dat de oorsprong van eigendom als vreedzaam wordt voorgesteld, terwijl deze in werkelijkheid aan beide zijden van de oceaan een gewelddadig proces was: in Amerika betekende het de onteigening van de Indianen door koloniale oorlogen, in Europa het proces van gedwongen omheining en verdrijving van boeren van hun land.

Socialistische opvattingen miniatuur|296x296px|Pierre-Joseph Proudhon (portret door Gustave Courbet) stelde de vraag, Wat is eigendom? De Franse revolutie legde eigendom vast als een droit inviolable et sacré, een "onschendbaar en heilig recht". Met de opkomst van het industriële kapitalisme kwam echter ook de socialistische kritiek op het eigendomsrecht tot stand: de socialisten zagen dat er een klassenmaatschappij was ontstaan met een groot verschil tussen de eigenaars en de niet-eigenaars van grond en productiemiddelen. De vraag naar de aard van eigendom werd expliciet gesteld door Pierre-Joseph Proudhon, in Wat is eigendom? (1840), met als conclusie: "eigendom is diefstal". De anarchist Proudhon nam Lockes woorden serieus en dreef het rechtenvertoog van de liberalen tot zijn uiterste conclusie: als eigendom het gevolg is van arbeid, zei Proudhon, dan is het systeem van loonarbeid onrechtvaardig, aangezien de ontvanger van loon geen eigendom verkrijgt over hetgeen hij produceert.

De kritiek van de eigendom werd nog verder gedreven door Karl Marx, die meende dat Proudhon was blijven steken in de liberale rechtsverhoudingen; net als Hobbes en Hume herkende Marx in de instelling van eigendom een functie van het staatsgeweld (de zgn. primitieve accumulatie). Marx en Engels pleitten in het Communistisch manifest (1848) voor de revolutionaire afschaffing van het burgerlijk-liberale stelsel van eigendom en vervanging daarvan door collectieve vormen van eigendom, waarin in ieder geval de productiemiddelen (grond en kapitaalgoederen) door de werkenden beheerd zouden worden. Zij zagen in de kapitalistische maatschappij, met haar neiging om eigendom in de handen van weinigen te concentreren, een natuurlijke voorloper van de communistische maatschappij.

De marxistische idee van eigendom werd in Europa op grote schaal, althans in naam, in de praktijk gebracht in marxistisch-leninistische staten. De eigendom van productiemiddelen was hier echter voornamelijk staatseigendom, niet collectieve eigendom, gerechtvaardigd met de idee dat de staat het volk vertegenwoordigde. Eigendom van consumptiegoederen was wel particulier en sommige van deze staten stonden eigendom van kleine ondernemingen toe.

Sinds de val van de communistische staatsvormen in Europa is de particuliere vorm van eigendom opnieuw de dominante vorm, hoewel democratisch opgestelde wetten overwegend aan overheden de mogelijkheid bieden om hier beperkingen aan op te leggen, binnen de grenzen van het recht.

Op kleine schaal werden en worden de ideeën in de praktijk gebracht door samenwerkende burgers die onder meer bedrijven, banken, ziekenhuizen, winkels en productiemiddelen in collectieven en coöperaties bedrijven waar alle deelnemers gezamenlijk eigenaar zijn en opbrengsten aan alle deelnemers toekomen.

Juridisch Oudheid, Middeleeuwen en Verlichting De manieren waarop bezit, eigendom en eigendomsoverdracht geregeld zijn, kent sinds de ons bekende oudheid veel verschillende vormen. Het wetboek van de Babylonische koning Hammurabi uit circa 1750 v. Chr. kent een regel voor eigendomsverkrijging door verjaring. Een voorbeeld uit het Romeinse recht is de mancipatio. Van vroeg middeleeuwse Germaanse stammen wordt vermoed dat er geen privé-eigendom bestond, alles hoorde aan de stam dus als iemand overleed was het niet nodig de erfenis te verdelen.

In Engeland kwam in 1215 het Magna Carta tot stand waar rechtsbedeling en eigendom als de twee belangrijkste rechten voor de opstandige adel verankerd werden.

Nederland heeft in de vroege middeleeuwen, net als heel Europa ten noorden van de Alpen, een wijdverbreid stelsel van gemeenschappelijk gebruik door kleine boeren van eigendom van een grootgrondbezitter als de kerk, koning, hertog of graaf gekend. Zo konden de bewoners van een groter dorp of stad van voedsel, kleding en schoeisel worden voorzien. Begrippen als de brink en de meent stammen uit die tijd.

Volgens recent onderzoek kenden de inheemse bewoners van de Verenigde Staten waarmee de Nederlandse kolonisten in contact kwamen, omstreeks 1626 geen eigendom van grond. De gouverneur van de Nieuw-Nederland, Peter Minuit sloot in dat jaar een overeenkomst waarbij hij meende een enorm stuk land te hebben verworven voor 60 gulden. De handel wordt vaak afgeschilderd als een sluwe zet van de Nederlanders maar Russell Shorto toonde in een in 2004 uitgegeven boek aan, dat de indianen het begrip van wettelijk eigendom van land niet kenden. Ze dachten bij de overeenkomst waarschijnlijk dat ze de grond tijdelijk aan de Nederlanders verhuurden of hen tijdelijk het recht gaven om de grond met hen te delen.Russell Shorto, The Island at the Center of the World, The Epic Story of Dutch Manhattan and the Forgotten Colony That Shaped America, New York, Doubleday (2004) online ter beschikking gesteld

Het gedachtegoed van de grote schrijvers uit de verlichting leidde tot een algemene scepsis tegenover gemeenschappelijk eigendom. Dat had in Nederland tot gevolg dat gemeenschappelijk eigendom niet in het Burgerlijk Wetboek is opgenomen. Desondanks kent de Nederlandse praktijk veel gemeenschappelijk eigendom, onder meer door het huwelijksvermogensrecht dat tot 2018 gold, waardoor mensen die in het huwelijk traden van rechtswege gezamenlijk eigenaar werden van dat wat voorheen privévermogen was. Ook veel erfenissen zijn vanaf overlijden tot de verdeling gemeenschappelijk eigendom van de erfgenamen.

Gedurende lange tijd werden in meerdere culturen grote groepen mensen uitgesloten als het om het recht op eigendom ging, zoals vrouwen, vreemdelingen en horigen. In Nederland konden getrouwde vrouwen tot 1957 niet zelfstandig eigendom verwerven, in België tot 1958.

Napoleontisch recht La propriété est le droit de jouir et disposer des choses de la manière la plus absolue, pourvu qu'on n'en fasse pas un usage prohibé par les lois ou par les règlements. (Eigendom is het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, mits men er geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of met de verordeningen.) Artikel 544 Franse Code civil (art. 544 Belgisch Oud Burgerlijk Wetboek (1804), art. 625 Nederlands BW (1838)).

Het eigendomsrecht verleent aan de eigenaar rechtstreeks het recht om het voorwerp ervan te gebruiken, hiervan het genot te hebben en erover te beschikken. De eigenaar heeft de volheid van bevoegdheden, behoudens de beperkingen die door wetten, verordeningen of door de rechten van derden worden opgelegd. Artikel 3.50 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek.

Eigendom bestaat uit drie componenten: usus (of ius utendi): recht op gebruik van het goed fructus (of ius fruendi): recht op het genot en de vruchten van het goed abusus (of ius abutendi): recht van beschikking op het goed.

Belgisch recht Op 1 september 2021 trad in België een nieuw boek 3 goederenrecht in werking. De wetgever had als doel het goederenrecht meer functioneel te maken in plaats van zuiver conceptueel, wat zou moeten resulteren in een grotere rechtszekerheid. De definitie van het eigendomsrecht staat in artikel 3.50 BW: Het eigendomsrecht verleent aan de eigenaar rechtstreeks het recht om het voorwerp ervan te gebruiken, hiervan het genot te hebben en erover te beschikken. De eigenaar heeft de volheid van bevoegdheden, behoudens de beperkingen die door wetten, verordeningen of door de rechten van derden worden opgelegd. Deze omschrijving ziet ook op onlichamelijke goederen en beperkt zich dus niet enkel tot lichamelijke goederen.

Nederlands recht Eigendom is geregeld in Boek 5 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek. Artikel 1, eerste lid luidt: Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben.