Mediageweld is geweld dat getoond wordt door de media. Over de invloed hiervan op het gedrag van met name jongeren bestaan uiteenlopende theorieën.

Onderzoek naar mediageweld Het empirisch onderzoek naar de invloed van mediageweld op kinderen is er gekomen sinds de jaren 60 van de 20ste eeuw. De reden voor dit onderzoek was het ontstaan van geweld in de Amerikaanse binnensteden. Het empirisch onderzoek kan worden opgedeeld in vijf soorten experimenten.Patti Valkenburg, (2002). Beeldschermkinderen. Theorieën over kind en media. Boom Lemma Uitgevers: Den Haag

Laboratoriumexperiment Het laboratoriumexperiment of zuiver experiment vindt plaats in een laboratorium. Bij het onderzoek naar mediageweld worden een aantal kinderen aselect in twee groepen verdeeld. De eerste groep is de experimentele groep, die een gewelddadige film bekijkt. De tweede groep is de controlegroep, die naar een neutrale film kijkt of een groep die zelf geen film bekijkt. Na afloop van het experiment worden de gedragingen van de twee groepen met elkaar vergeleken. In de meeste gevallen was de experimentele groep agressiever. Dit uitte zich in het harder slaan op de poppen of het stellen van gewelddadiger gedrag naar hun leeftijdsgenoten.

Het laboratoriumexperiment heeft een hoge interne validiteit want de kinderen worden aselect in twee groepen verdeeld. Daarnaast worden alle externe factoren uitgeschakeld, die het gedrag van de kinderen kan beïnvloeden. Toch zijn er ook nadelen. Dit type onderzoek houdt geen rekening met de sociale context net omdat het in een labo plaatsvindt. Met andere woorden: er kan niet gesteld worden dat kinderen zich op dezelfde manier zouden gedragen in het dagelijks leven. Daarom heeft een labo-experiment een lage externe validiteit.

Veldexperiment Bij veldexperimenten proberen de onderzoekers de externe validiteit zo hoog mogelijk te houden door de kinderen in hun eigen omgeving te onderzoeken. Vaak worden bestaande groepen op locatie gebruikt om het experiment uit te voeren. Een Belgisch veldexperiment ging te werk door aan één groep een week lang gewelddadige films te tonen en een andere groep een week lang neutrale films te tonen.Leyens, J. P., Camino, L., Parke, R. D., & Berkowitz, L.(1975). Effects of movie violence on aggression in a field setting as a function of group dominance and cohesion. Journal of personality and social psychology De onderzoekers stelden vast dat personen die de gewelddadige films te zien kregen meer agressie gingen vertonen, maar het effect kwam alleen voor bij kinderen die van nature een agressieve aanleg hadden.

Een ander soort veldexperiment is het natuurlijk experiment. Een Canadees experiment vergeleek het gedrag van kinderen in een stad zonder televisie (Notel) en een stad met televisie. De kinderen werden eerst getest naar agressiviteit van hun gedrag. Twee jaar later kregen de kinderen in Notel ook een televisie en gingen de onderzoekers opnieuw hun gedrag na. Uit het experiment bleek, dat de kinderen uit Notel agressiever werden na het krijgen van een televisie.Joy, L. A., Kimball, M. M., & Zabrack, M. L. (1986). Television and children’s aggressive behavior. Academic Press: Orlando

Wel kunnen de onderzoekers nooit met zekerheid stellen dat het agressief gedrag alleen verklaard wordt door het zien van de gewelddadige films. De derde variabelen kunnen nooit helemaal uitgesloten worden, omdat ze vaak niet geweten zijn. Omdat deze variabelen niet getest kunnen worden, zullen de onderzoekers nooit een causaal verband kunnen aantonen.

Correlationeel onderzoek Dit soort onderzoek gaat na of er een verband is tussen twee variabelen. Het onderzoek speelt zich af in de leefomgeving van de geteste personen. Praktisch gaan onderzoekers te werk door te vragen hoeveel uur een persoon naar televisie kijkt en naar welke programma hij/zij kijkt. Daarna wordt nagegaan welk gedrag die persoon stelt. Dit kan door observatie, maar ook door personen te bevragen die de proefpersoon kennen.Mark L. Leary (2004). Introduction to behavioral research methods. Chapter 6: Correlational Research. Pearson Education, p. 142-163

Dit soort onderzoek heeft eenzelfde externe validiteit als een veldonderzoek. Het nadeel bij een correlationeel onderzoek is dat er alleen een verband kan worden aangetoond. Dit verband hoeft niet causaal te zijn, het zou bijvoorbeeld kunnen dat agressieve kinderen meer naar gewelddadige televisieprogramma's kijken. Correlationeel onderzoek heeft dus een lage interne validiteit.

Causaal-correlationeel onderzoek Causaal-correlationeel onderzoek, ook wel longitudinaal onderzoek genoemd, gaat dieper in op het correlationeel onderzoek. De correlatie tussen twee variabelen, x en y, wordt berekend op twee verschillende punten in de tijd. Als we bijvoorbeeld score van x op tijd 1 correleren met de scores van y op tijd 2 en x veroorzaakt y, dan zou die correlatie hoger moeten zijn dan wanneer we y op tijd 1 doen correleren met x op tijd 2.Mark L. Leary (2004). Introduction to behavioral research methods. Chapter 7: Advanced Correlational Research. Pearson Education, p. 167-185

Eron, Huesmann en collega'sLeonard D. Eron; L. Rowell Huesmann; Monroe M. Lefkowitz; Leopold O. Walder (1972). Does Television Violence Cause Aggression? hebben dergelijk onderzoek gedaan om de correlatie tussen mediageweld en agressief gedrag na te gaan. Zij onderzochten twee keer de deelnemers: één keer wanneer ze 8 jaar waren en nog eens wanneer ze 18 jaar waren. Volgens het onderzoek zou het kijken naar gewelddadige films op achtjarige leeftijd, leiden tot agressief gedrag op achttienjarige leeftijd. Er was geen sprake van een omgekeerd effect: agressief gedrag stellen op achtjarige leeftijd leidt dus niet tot het meer kijken van gewelddadige films op achttienjarige leeftijd.

Meta-analyse Een meta-analyse zal verschillende onderzoeken samenvoegen en herwerken tot één geheel. Enkele onderzoekers hebben dergelijk onderzoek gedaan om de relatie tussen agressief gedrag en het kijken van televisie na te gaan.H. Paik; G. Comstock. The Effects of Television Violence on Antisocial Behavior: A Meta-Analysis 1. Dit onderzoek toonde aan dat kinderen die veel met mediageweld in contact komen, meer kans hebben om agressief gedrag te stellen dan kinderen die in mindere mate met mediageweld in contact komen.

Theorieën over mediageweld De verschillende theorieën geven een verklaring voor de manier waarop mediageweld kan leiden tot agressief gedrag.

Sociale leertheorie Volgens de sociale leertheorie van Bandura (1973) wordt agressie net zoals vele andere gedragingen, aangeleerd.Jennings Bryant; Dolf Zillmann (2008). Media Effects: Advances in Theory and Research. Chapter 7: The Question of Media Violence. Lawrence Erlbaum Associates: Mahway NJ, p. 155-199 Een eerste manier waarop dit kan gebeuren is door directe ervaring. Kinderen leren, door het stellen van agressief gedrag en door het krijgen van een beloning die daarop volgt, nog meer agressief gedrag te stellen. Dit leren ze moeilijk af. Agressief gedrag kan ten tweede ook geleerd worden door het gedrag van anderen. Als kinderen zien dat iemand agressief gedrag stelt en daar later voor gestraft wordt, is de kans kleiner dat zij later hetzelfde gedrag zullen stellen. Bij deze tweede vorm van leren, spelen rolmodellen een grote rol.

Bandura heeft zijn theorie in verschillende experimenten getoetst, één daarvan was het bobo-doll-experiment. Hij liet kleuters een filmfragment zien, waar een volwassen man een grote pop sloeg en schopte. De kleuters werden in drie groepen verdeeld. De eerste groep kreeg dit fragment te zien waarbij de man op het einde beloond werd voor zijn daden. De tweede groep kreeg hetzelfde fragment, maar de man werd gestraft en de derde groep kreeg alleen het fragment te zien zonder dat de man gestraft of beloond werd. Daarna kregen de kleuters de kans om met de pop te spelen. De kinderen die de gestrafte man gezien hadden, stelden toen minder agressief gedrag ten aanzien van de pop dan de kinderen die de beloonde man te zien kregen. Omdat geweld in de media vaak naar voor komt als acceptabel of gerechtvaardigd, kunnen kinderen dit gedrag makkelijk aanleren.

Bandura legt nog de nadruk op de zelfregulerende processen van de kinderen. Dit wil zeggen dat agressie op televisie niet automatisch zal leiden tot agressief gedrag. Hij stelt dat het gedrag op televisie een rol speelt, de persoonlijke kenmerken en de kenmerken van de omgeving.

De cognitieve scripttheorie Scripts zijn de ideeën die een bepaald persoon heeft over hoe een bepaalde situatie zal verlopen.Sharon S. Brehm; Saul M. Kassin; Steven Fein; Ivan Mervielde; Alain Van Hiel (2006). Sociale Psychologie. Academia Press: Gent, p. 100 Mensen kunnen zich bijvoorbeeld perfect inbeelden wat er zal gebeuren als ze naar de dokter gaan. Volwassenen hebben enorm veel scripts die gevormd zijn door al hun ervaringen. Kinderen moeten die scripts nog leren of nog aanpassen. Als kinderen zien dat een geweld gebruikt wordt als reactie op bepaalde gedragingen, is het mogelijk dat ze meer agressieve scripts hebben dan kinderen die minder in contact komen met mediageweld. Deze scripts kunnen ervoor zorgen dat mensen meer agressie tonen in bepaalde situaties.

Primingtheorie Deze theorie leunt dicht aan bij de cognitieve scripttheorie. Ze gaat ervan uit dat een externe stimulus andere, gerelateerde geheugeneenheden kan activeren.Marc Brysbaert (2006). Psychologie. Academia Press: Gent Met andere woorden: priming zorgt ervoor dat bij een externe prikkel ook andere, verwante geheugeneenheden worden geactiveerd. Door het zien van geweld op televisie worden gewelddadige geheugenelementen uitgelokt, het gaat over emoties, gedachten en prikkels tot actie.

Onderzoek van Anderson en Murphy onderzocht dit effect van priming.Anderson C.A.; Murphy C.R. (2003). Violent video games and agressive behavior in young women. Aggressive Behaviour, 29, p. 423-429. Gearchiveerd op 20 juni 2013. Hun onderzoek bestond uit twee delen. In het eerste deel gingen vrouwelijke studentes 20 minuten een computerspel spelen. De ene helft van de vrouwen speelde Street Fighter, een gewelddadig spel en de andere helft speelde Oh No! More Lemmings een kinderspel. Na het spel moesten de proefpersonen in een ruimte gaan zitten tegenover een andere proefpersoon, voor het tweede deel van het experiment. Telkens wanneer er een toon klonk moesten ze zo snel mogelijk afdrukken. Wanneer een persoon trager drukte, kreeg die persoon een onaangenaam lawaai te horen. Wanneer de persoon sneller drukte mocht ze zelf kiezen hoe luid de toon zou klinken bij de andere persoon. Wat de deelneemsters niet wisten was dat er geen persoon was in de andere kamer, maar dat alles vooraf vastgelegd was. Elke proefpersoon kreeg dus dezelfde reeks van gewonnen en verloren beurten. De onderzoekers gingen dan na in welke mate er wraak werd genomen door het maximum lawaainiveau als straf te geven. De resultaten toonden aan dat de vrouwen die het gewelddadige spel speelde meer de maximumstraf gaven, dan de personen die het niet-gewelddadige spel speelden.

Dit onderzoek werd eerder al gedaan bij mannen, waar hetzelfde effect gevonden werd.Bushmann B.J. (1998). Priming effects of media violence on the accessibility of aggressive constructs in memory . Gearchiveerd op 3 december 2023.

Bij deze primingtheorie kunnen we kort de opwindingstheorie bespreken, die stelt dat de arousal verhoogt naarmate mensen eerder agressieve beelden zien. Deze verhoogde arousal kan nog een tijd doorgaan na het zien van een gewelddadige film. Dit kan zich dan uiten in agressief gedrag.

Gewenningstheorie