thumb|Een autobus van de NZH in 1966, links burgemeester Oscar Cremers. Hieronder een overzicht van het autobusmaterieel van het voormalige openbaarvervoerbedrijf NZH te Haarlem in de periode 1947-1967. De bussen zijn ingedeeld bij soort, tijdperk en (waar mogelijk) een aparte vermelding van aanschaf door vorige eigenaren. Nummers tussen haakjes wil zeggen dat de bussen later zijn vernummerd.

Verklaring van gebruikte typebenaming Men komt in dit artikel typebenamingen tegen als Leyland Royal Tiger Verheul. Leyland is daarbij het merk, Royal Tiger of Royal Holland Coach slaat op het type chassis dat bij de bus gebruikt is, en Verheul, Hainje of Den Oudsten is de bouwer van de carrosserie.

De eerste standaardbussen In de jaren na de bevrijding werd het wagenpark opnieuw opgebouwd met grote aantallen bussen in groen-crème standaardkleuren, die centraal waren ingekocht via het moederbedrijf Nederlandse Spoorwegen. Deze bussen werden vaak uitgewisseld tussen de verschillende NS-dochterondernemingen Citosa, EDS, GADO, LTM, NACO, NBM, NOF, NTM, NZH, Salland, SBM, SW, VAD, Velox, WSM, de tot Zuidooster gefuseerde MBS en Vitesse en de NS zelf, die dit materieel gebruikte voor treinvervangende busdiensten. Sommige Crossley-bussen, vooral uit de serie 1000/1100, waren nomaden die van de ene naar de andere eigenaar zwierven en soms meermalen bij een bepaald bedrijf terugkeerden, zo ook bij de NZH. Een gedetailleerde specificatie zou hier te veel ruimte vergen.

Een aantal NZH-Crossleys werd tot eenmanswagens verbouwd met onder andere een gewijzigde deurindeling ten behoeve van de stadsdiensten in Haarlem. Aan het eind van de jaren vijftig was een beperkt aantal Crossley-bussen in de grijze NZH-kleuren overgebracht. De Fords en Scania's waren toen al uit het wagenpark verdwenen. De laatste Crossley-bussen werden in juni 1962 afgevoerd. Merk/type Serie Bouwjaar Achtergrondinformatie AfbeeldingCrossley SD42/1/De Schelde1000 / 1100-enDe Schelde-Crossleys behoorden tot de lange versie (ruim 11 meter) en waren ontworpen door Verheul, die de bouw had uitbesteed aan de scheepswerf De Schelde te Vlissingen. Het bijzondere van deze carrosserieën was de toepassing van aluminium. Aanvankelijk werden daarmee enige problemen ondervonden, maar uiteindelijk bleken deze bussen minder last te hebben van roestvorming dan de andere typen. Ook de Crossley HOE9-dieselmotoren voldeden niet direct, maar nadat de blowers waren verwijderd, ging het beter. Omdat er uitsluitend met conducteur werd gereden, was er geen ingang voorin, maar uitsluitend een brede middendeur. De chauffeur zat in een afgesloten cabine voorin, met naast zich de motorkap. Van dit type had de NZH er 30 in dienst, maar niet allemaal tegelijk.Crossley SD42/1/Werkspoor1300-enDe Werkspoor-series waren qua techniek en indeling gelijk aan de 1000/1100, maar het Werkspoor-ontwerp was iets gestroomlijnder en er was staal in plaats van aluminium gebruikt. Bij de verbouwing tot eenmanswagen werd van een aantal van deze bussen de middendeur gehalveerd en een aparte ingang direct achter de vooras aangebracht. Bij de NZH hebben 31 Werkspoors gereden (niet allemaal tegelijk).Crossley SD42/1/Beijnes resp. Smit Appingedam1400-enBeijnes volgde geheel het Werkspoorontwerp. Ook van de 1400-en werd een aantal tot eenmanswagen verbouwd. De spoorrijtuigfabriek Beijnes had de bouw van bijna de helft van de serie uitbesteed aan carrosseriefabriek Smit te Appingedam. Bij de NZH reden (opnieuw niet allemaal tegelijk) 25 Beijnes- en 20 Smit-wagens. De laatste dienstrit van een NZH-Crossley werd op 12 juni 1962 gemaakt op lijn 20 (Haarlem - Den Haag) door de 1481 uit de door Smit gebouwde serie.Crossley SD42/1/Allan1500-enOok de Allan-bussen, waarvan er slechts vijf bij de NZH hebben gereden (drie maar heel kort), volgden het Werkspoor-model.Crossley SD42/2 met Engelse Crossley carrosserie1700 / 1800-enVan de kortere versie (ruim 10 meter) met de HOE7-dieselmotor (vanaf het begin zonder blowers) werd een deel door Crossley zelf opgebouwd. Kwalitatief voldeden deze carrosserieën niet aan de eisen, zodat al na enkele jaren de daken moesten worden vervangen. Een aantal werd verbouwd tot eenmanswagen conform de langere series. De NZH heeft er (niet allemaal tegelijk) 34 gehad.Crossley SD42/2/Aviolanda-Verheul1900 / 2000 / 2100-enVliegtuigfabriek Aviolanda bouwde de Verheul-versie van het kortere type. Van deze series werd een deel verbouwd tot eenmanswagen. In 1951 werden de 2074, 2075, 2093, 2102, 2105, 2106 en 2114 tot toerwagen ingericht, maar al in 1954 werden zij (en de 2071, 2079, 2083, 2088, 2091, 2098 en 2108) verbouwd voor de NS-autobusdienst Amsterdam-Den Haag en daartoe in donkerblauwe kleur gebracht. Zij ruilden hun achterasoverbrengingen met die van 11-meter Crossleys, zodat op de autosnelweg Amsterdam - Den Haag hogere snelheden konden worden behaald. In 1957 werden ze op deze lijn alweer afgelost door de 4170-4185, maar ze behielden de blauwe kleur. Van dit type bezat de NZH (alweer niet allemaal tegelijk) er 60.Scania Vabis B15V/Fokker-Verheul2200 / 2300-enSpeciaal voor de smalle wegen werden Scania-Vabis-bussen aangeschaft. Het model leek sterk op dat van de Aviolanda-Crossley, maar ze kwamen van een andere vliegtuigbouwer, Fokker. Voor de NZH, die zoveel Crossley-bussen had, waren de Scania's buitenbeentjes waarvan de schakeling door de chauffeurs subtieler moest worden aangepakt dan men gewend was. Daardoor waren ze niet populair bij het personeel. Doordat het NZH-net relatief weinig smalle wegen kende, waren de Scania's na verloop van tijd steeds minder nodig en werden ze aan andere bedrijven verkocht. Van het kleinere type met 4-cilinder dieselmotor heeft de NZH er 16 gehad.Scania Vabis B21D/Fokker-Verheul2400-enDe 8 bussen van de serie 2400 vormden de iets grotere versie met 6-cilinder motor. Hoewel zij uiteraard krachtiger waren dan hun kleinere soortgenoten, hebben zij bij de NZH evenmin goed voldaan. Omdat zusterbedrijven, zowel binnen als buiten het NS-concern, juist zeer tevreden waren over dit materieel, lag het voor de hand dat die zich over de NZH-exemplaren ontfermden. In 1957 waren alle Scania's van beide typen naar elders verdwenen.Ford Transit 149-59B/Verheul)2600-en194723 Ford-trambussen 2662-2684 voor de stadslijnen in Haarlem kwamen in 1947 in dienst. In tegenstelling tot de Crossleys en Scania's hadden zij een achterin geplaatste motor, wat voor die tijd een modern concept was. In 1948 werden van de Salland nog vier stuks overgenomen, de 2600, 2605, 2607 en 2609. In de jaren 1950-55 werden (op een na) al deze wagens verkocht aan particuliere busbedrijven. Zo kwamen 7 stuks terecht bij de Eltax, exploitant van de stadsbusdienst in Leiden. Alleen de 2683 bleef tot 1958 bij de NZH als haltekantoor in Den Haag en werd toen gesloopt.

De eerste DAF-bussen Merk/type Serie Bouwjaar Achtergrondinformatie AfbeeldingDAF B510S/Verheul-Schelde)2718, 2741-27451950In 1950 verschenen zes bussen van een nieuw DAF-type met een voorin geplaatste, uitschuifbare Waukesha 51:SV-motor. In maart werd de 2718 afgeleverd, in de herfst volgden de 2741-2745. Blijkbaar was de tijd nog niet rijp voor dit Nederlandse merk dat later een grote rol bij de NZH zou gaan spelen, want nog voor het einde van 1950 werden ze doorverkocht aan de NBM.

Bussen met geknikte voorruit Vergeleken met zusterbedrijven als NBM, WSM en Zuidooster, die zeer actief waren in het touringcarvervoer en eigen reisbureaus bezaten, had de NZH maar een bescheiden toerafdeling. Men was aangesloten bij het Reisbureau Cebuto van het gezamenlijke streekvervoer en verder werden dagtochten en rondritten georganiseerd. Uiteraard konden ook NZH-bussen worden gehuurd voor uitstapjes en schoolreisjes. Pas in 1966, bij het (overigens mislukte) Eagle-avontuur dat zich richtte op Amerikaanse toeristen, werden de zaken groots aangepakt.

De acht Crossleys uit de serie 2000/2100 die in 1951 tot reiswagen waren verbouwd, verloren die status alweer in 1954, waarna er 9 bussen in dienst kwamen die jarenlang de gehele NZH-toervloot vormden. Een bijzonderheid was het feit dat deze wagens namen hadden. Merk/type Series Bouwjaar Achtergrondinformatie AfbeeldingSemitoerbussen (Leyland en AEC)Leyland Royal Tiger/Verheul4019-40211954Door de Kennemerland, Waterland en Rijnland maakte de NZH in 1954 kennis met Leyland-bussen met underfloormotor. In tegenstelling tot de latere grote bestellingen stads- en lijndienstwagens waren zij niet zelfdragend, maar op chassis gebouwd. Ook introduceerden zij de geknikte voorruit. In 1960 werd de 4019 verkocht aan de Flevodienst en gingen de 4020 en 4021 naar de GADO.AEC Regal MkIV/Hainje5600-56021955In 1955 schafte de NZH drie AEC-bussen aan. Van de Spaarnestad, Sleutelstad en Amstelstad, ook met underfloormotor, waren uiterlijk en inrichting vrijwel gelijk aan die van de 4019-4021, hoewel chassis- en carrosseriebouwer anders waren. Voor het toervervoer bleek de vering van de AEC Regal MkIV, die goed voldaan heeft voor het stadsvervoer bij onder andere GVB Amsterdam en HTM Den Haag, niet comfortabel genoeg. In 1963-64, na de komst van de Van Hool-toerwagens, verhuisden ze naar de SBM.AEC Regal MkIV/Verheul5637-56391956/1957In 1956-57 kwam een vervolgserie van drie bussen. In tegenstelling tot de 5600-5602 hadden de door Verheul gebouwde Hofstad, Randstad en Duinland een vlakke, enigszins schuin aflopende voorruit in plaats van een geknikte. Bovendien waren ze donkergrijs van kleur, terwijl de vorige 6 wagens de lichtere grijstint hadden die inmiddels bij de Holland Coach-stadsbussen was ingevoerd. In 1964 gingen de 5638 en 5639 naar Leo Kors te Heemstede en in 1966 verhuisde de 5637 naar Van Maanen in Harderwijk.Leyland-Verheul LV4244, 42461958In 1958 kwamen bij NACO drie semitoers in dienst waarvan de 4245 al in 1967 uit beeld verdween. Bij de overgang naar NZH waren de 4244 en de 4246 tot lijndienstbus met middendeur verbouwd. De 4244 werd in 1973 afgevoerd, de 4246 bracht in 1975 zijn laatste weken door vanuit het zuidelijkste deel van het NZH-gebied.Stadsbussen (Leyland)Holland Coach 457/90/PC/Verheul5501-55551955/1956Omdat de Crossley-bussen, die de Ford-trambussen op de Haarlemse stadsdiensten waren opgevolgd, voor dat werk te zwaar en te log waren gebleken, werd gezocht naar een moderner, lichter en wendbaarder type. In 1955 en 1956 kwamen de eerste zelfdragende Holland-Coach stadsbussen in dienst, naar het voorbeeld van een serie voor GEVU Utrecht. Deze bussen waren gebouwd door Verheul. Ze waren voorzien van Leyland-componenten, waaronder als krachtbron de Leyland O.350-motor (90 pk = 66 kW). De 5501-5554 hadden dezelfde geknikte voorruit als de toerwagens 4019-4021 en 5600-5602. De 5555 werd in 1957 het prototype voor een eveneens geknikte, maar speciaal vormgegeven antireflectie-voorruit van Verheul-ontwerp. De gloednieuwe 5522 werd op 4 november 1955 gepresenteerd aan B & W van Amersfoort door de plaatselijke stadsvervoerder Nefkens, die zes Holland Coaches besteld had.

De komst van de LVS-series in 1966-67 betekende het begin van het einde. Een aantal exemplaren werd verkocht aan WSM, Flevodienst en WABO, dan wel verhuurd aan de NBM voor de stadsdienst Hilversum.