De Burakumin (Japans: 部落民, letterlijk: de mensen van het dorp) zijn een autochtone minderheid in Japan die al eeuwenlang gediscrimineerd wordt. Deze discriminatie is gebaseerd op de beroepen die hun voorouders uitoefenden en door zowel het shintoïsme als het boeddhisme als onrein werden beschouwd wegens hun contact met de dood.

Oorzaak discriminatie Herkomst De Burakumin stammen af van de Eta (穢多) en Hinin (非人), de verschoppelingen van de samenleving na de invoering van het standensysteem in de Tokugawaperiode.

Andere theorieën over de afkomst van de Burakumin lopen uiteen, sommige zijn zelfs ongeloofwaardig.Drie theorieën rond hun herkomst. Gearchiveerd op 30 maart 2018. In veel theorieën worden de voorouders van de Burakumin als niet-Japans beschouwd, hoewel ze op geen enkel punt verschillen van de doorsnee-Japanner. Deze theorieën zijn ontstaan toen de mythe ‘De Japanners als homogeen ras’ sterk leefde. De Japanners wilden zich distantiëren van deze paria's; ze hoorden niet bij de normale samenleving. De theorie dat de Burakumin van de Eta en Hinin afstammen wordt het meest ondersteund.

De invloed van het shintoïsme en boeddhisme Het shintoïsme (神道, shintō) is de autochtone godsdienst van Japan waar de begrippen reinheid en onreinheid een belangrijke rol spelen. De meeste goden, zielen en geesten gelden als rein. De mens kan rein worden en het bovennatuurlijke nastreven door een reeks van rituelen uit te voeren.Vroeger waren deze rituelen zeer uitgebreid. Een overblijfsel is bijvoorbeeld het wassen van de handen en het spoelen van de mond alvorens een shintoheiligdom te betreden. Al wat te maken heeft met de dood is onrein. Door de komst van het boeddhisme uit China (midden 6e eeuw) werd deze theorie over onreinheid versterkt. In het boeddhisme is het doden van levende wezens tegen de vijf voorschriften.

Kegare (穢れ, bezoedeling) is een term uit het shintoïsme die een grote invloed heeft op de Japanse samenleving. Alle contact met onreine zaken zoals de dood, bloed, ziekte, geboorte en het eten van vlees kan tot kegare leiden.Vrouwen die menstrueren worden als onrein beschouwd, ook de geboorte is een onreine gebeurtenis. In sommige streken van Japan is de onreinheid van vrouwen onuitwisbaar. Ze worden gemeden bij grote shintoïstische plechtigheden. Meisjes in de prepuberteit daarentegen zijn uiterst rein en assisteren vaak bij de plechtigheden. Het is de bron van alle kwaad en ongeluk, daardoor moet men bepaalde reinigingsrituelen uitvoeren om zich van deze bezoedeling te ontdoen. In de hedendaagse Japanse samenleving ligt de nadruk meer op geestelijke of spirituele oorzaken van kegare. Toch spelen de bovenstaande oorzaken, zeker de dood, nog steeds een rol.Het bijwonen van een uitvaartplechtigheid is nog steeds bezoedelend. Het reinigingsritueel hiervoor is een beetje zout over de schouder gooien.

Onaanraakbaarheid Beroepen waar men in contact komt met de dood, bloed en vuil werden onaanvaardbaar door de invloed van het shintoïsme en boeddhisme. Oorspronkelijk ging het vooral om slachters, grafdelvers, leerlooiers en vuilnismannen. Later kwamen daar ook handarbeiders bij, zoals schoenmakers, mandenmakers en bamboeverwerkers.

Deze mensen werden in Japan de Eta (穢多) genoemd, een discriminerende term die letterlijk ‘vol vuil’ betekent.Eta. Gearchiveerd op 30 maart 2018. Door hun bezigheden bleven ze permanent onrein en werden ze onaanraakbaar; alle soorten reinigingsrituelen verloren hun werking. Om andere mensen niet aan te tasten, moesten ze buiten de stad wonen en contact met gewone burgers was enkel mogelijk als ze er de toelating voor hadden.

De onaanraakbaarheid van mensen op vlak van geloof is niet alleen in Japan aanwezig. In India, Nepal en Pakistan (Dalit) zijn gelijkaardige situaties. Ook elders in Azië zijn er (minder bekende) voorbeelden, zoals de Baekjeong van Korea en de Ragyabas van Tibet.

Terminologie Term Karakters Uitleg Eta 穢多 Mensen die als vervuild beschouwd worden. Het eerste karakter is hetzelfde als dat van de hierboven besproken term, kegare (穢れ) en staat voor allerlei soorten vuil. Het tweede karakter betekent veel, in combinatie met het eerste karakter: veel vuil, een overmaat van vuil. Hinin 非人 Mensen die als onmenselijk beschouwd worden. Het eerste karakter is een voorvoegsel gebruikt bij ontkenning, het tweede staat voor mens. In combinatie: de niet-mensen. Heimin 平民 Een term om het gewone volk aan te duiden. Kort na de Meiji-restauratie werd door het emancipatie-edict (1871) iedereen verheven tot Heimin, met uitzondering van de Eta en Hinin. Shinheimin 新平民 Letterlijk: het nieuwe gewone volk. Door de invoering van het emancipatie-edict werden ook de Eta en Hinin tot gewone burgers verheven. Ze kregen echter shin (新) als voorvoegsel, waardoor ze toch nog te onderscheiden waren van het gewone volk. Tokushu buraku 特殊部落 Letterlijk: speciale dorpen. Deze werd gebruikt omdat de term Shinheimin te discriminerend was. De nieuwe term werd al snel op een andere manier geschreven, namelijk 特種部落. Dezelfde uitspraak, maar één karakter verschil: 種 (shu), wat soort betekent. 特種 (tokushu, speciaal soort) verwijst naar het taboe dat de Burakumin van een ander ras afstammen. Burakumin 部落民 Letterlijk: de mensen van het dorp. Buraku (部落) staat voor dorp en min (民) voor het volk. Deze term verleent de voorkeur van de Burakumin zelf en wordt nu nog steeds gebruikt. Op zich een neutrale term, maar door de geschiedenis heen kreeg het de negatieve connotatie van de Burakuminminderheid. Hierdoor geven Japanners de voorkeur aan een ander woord, 集落 (shūraku) of 村 (mura), als ze het over een dorp hebben. Hisabetsu Buraku 被差別部落 Letterlijk: Buraku die gediscrimineerd worden. Een term die vooral door Japanse scholieren wordt gebruikt. Mikaihō Buraku 未解放部落 Letterlijk: Buraku die nog geëmancipeerd moeten worden. Een term die vooral door Burakuactivisten wordt gebruikt. Dōwa 同和 Officiële term die de regering en gemeenten gebruiken in verband met integratieprojecten voor de Burakumin.

Geschiedenis Ontstaan van een kaste De Eta waren erfelijk belast met de onreinheid van hun beroepsactiviteiten en ze aten vlees, wat verboden was volgens het boeddhisme. Ze werden beschouwd als een gevaar voor de samenleving en werden verplicht om zich in geïsoleerde gemeenschappen buiten de stad te vestigen. De eerste nederzettingen dateren vanaf het midden van de Heianperiode (± 9e eeuw). De Eta waren de belangrijkste groep van hun kaste, daarom werd de naam al snel overgedragen op de gehele kaste.

Door de aard van hun beroep slaagden sommige Eta er in een soort van respect te verwerven, ze waren de enigen die aan lederbewerking en dergelijke deden. In tijden van oorlog hadden de machtige daimyō (landheren) een uitgebreide wapenuitrusting nodig, dus lokten ze de Eta met geld naar hun domein. Begin 21e eeuw is nog altijd 80% van de Burakugemeenschappen gevestigd in de omgeving van een versterkte burcht uit die periode. Na de stichting van het bakufu in de Tokugawaperiode brak er een periode van duurzame vrede aan en was de bloeiperiode voor de Eta voorbij.

Tijdens de Tokugawaperiode voegden ook de Hinin (非人) zich bij de kaste. Dit waren vooral entertainers, zwervers en criminelen.Bijvoorbeeld: poppenspelers, acteurs, dansers, ... Maar ook; prostituees, bedelaars, waarzeggers... Ook zij hadden onaanvaardbare beroepen, maar hun status was niet erfelijk. Voor de Tokugawaperiode was het mogelijk om van hun status verlost te geraken door een respectabel beroep te beginnen.

De Eta en Hinin vielen buiten het standensysteem en konden niet aan hun status ontsnappen; ze mochten hun kaste niet verlaten.Bij een kaste is er zo goed als geen kans op ontsnapping uit de omstandigheden. Bij een klasse daarentegen is er meer flexibiliteit en ook de mogelijkheid om hogerop in de samenleving te geraken. In het begin van de Tokugawaperiode werd dit systeem in wetten vastgelegd. Contact met de gewone samenleving werd onmogelijk, gemengde huwelijken waren taboe.Men vreesde dat als er een Eta in de familie kwam, de hele familielijn voor eeuwig aangetast zou worden. Omdat ze een gevaar voor de samenleving zouden vormen, moesten ze duidelijk herkenbaar gemaakt worden door bijvoorbeeld een vaste kledingstijl. Een paar wetten als voorbeeld: het werd verboden voor Eta een traditionele Japanse haarsnit te dragen. Sandalen mochten alleen van ruw stro zijn. In sommige gebieden werden ze verplicht speciale herkenningstekens te dragen, zoals een gele kraag. Naar de Meijiperiode toe ging de situatie sterk achteruit en werden er meer discriminerende wetten uitgevaardigd.In een rechtszaak van 1859 zei een stadsambtenaar: “Het leven van een Eta is 1/7 van het leven van een Japanner waard.”

Emancipatie Tijdens de Meiji-restauratie (1868) werd het standensysteem afgeschaft en iedereen tot burger (平民, Heimin) verheven, de Eta en Hinin niet meegerekend. Dit gebeurde pas in 1871 door de invoer van Edict nr. 61. De Eta en Hinin werden nieuwe burgers, (新平民, Shinheimin). Dit was de administratieve term, waardoor ze nog steeds van het gewone volk te onderscheiden waren. In totaal werden er ongeveer 280.311 Eta, 23.480 Hinin en 79.095 andere verschoppelingen geregistreerd. De Etadorpen werden eindelijk op de kaart gezet.Voor de Meijirestauratie werd zoveel mogelijk informatie over Etadorpen verzwegen. Ze stonden ook niet op de landkaart, men ontkende hun bestaan.

Voor de Meijiperiode hadden de Eta een monopolie op bepaalde soorten van de economie. Niet alleen als slachter en leerbewerker, maar ook op bijvoorbeeld de productie van schoeisel of trommels. De komst van grote bedrijven zorgde voor verandering en leidde tot werkloosheid en armoede. Daarboven moesten ze vanaf nu ook belastingen betalen.

De situatie van de Shinheimin verbeterde echter niet, de oude discriminatie zette zich voort. De boeren eisten dat de Shinheimin weer tot hun status van Eta en Hinin vervielen. Ze werden door het emancipatie-edict immers op dezelfde hoogte gesteld en dit was niet in voordeel van de boeren. In 1875 vonden er 11 boerenopstanden plaats, waarbij veel Shinheimindorpen geplunderd en vernield werden.In mei 1875 werden er 18 Shinheimin gedood en 11 zwaargewond. Later in juni waren er 100.000 betogers die 2.200 Shinheimindorpen plunderden en vernielden. Ook de regering zorgde voor oproer. In het handboek voor gewoonten en gebruiken (van 1880, door de Minister van Justitie) stond te lezen dat de Shinheimin de laagste van alle mensen waren, bijna naar het dierlijke toe.

Omdat de term Shinheimin als denigrerend beschouwd werd, begon men nieuwe termen uit te vinden maar dit bracht geen verbetering. Men vond altijd wel een manier om de outcasts te blijven discrimineren. De Burakumin als term ontstond in het begin van de 20e eeuw; het is de meest neutrale term en wordt nu nog steeds gebruikt.

Voornaamste ontwikkeling van organisaties voor de rechten van de Burakumin De eerste organisaties die vochten voor de rechten van de Burakumin kwamen tot stand door het oproer dat de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten in de jaren 1880 veroorzaakte. Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten. Gearchiveerd op 4 maart 2016. De Yūwa werden rond die tijd opgericht. Dit waren discussiegroepen voor de Burakumin onder leiding van de regering, die eerder een onderdrukkende werking hadden. De eerste organisatie met een nationaal karakter was de Fellow Citizens Integration Society, opgericht in 1903. Dit waren welgestelde Burakumin die als doel hadden de Burakumin op hetzelfde moreel niveau te krijgen als dat van de doorsnee Japanner. Het principe bij beide organisaties was dat de Burakumin zelf de grootste inspanning moesten leveren om door andere Japanners te aanvaard worden.

thumb|left|Vlag van de SuiheishaDe vlag bestaat uit een rode doornenkroon op een donkere achtergrond. De Doornenkroon staat voor de lange lijdensweg van de Burakumin. Het rood voor de socialistische invloeden; in combinatie met de donkere achtergrond: rouw om de gevallen slachtoffers.