Operatie Sneeuwvlok (Duits: Schneeflocke) is de codenaam van een grote Duitse razzia die plaatsvond op 21 november en 22 november 1944 in Den Haag, Rijswijk en Voorburg. Deze actie maakte deel uit van het door de Duitse bezetter gevoerde beleid om Nederlandse mannen tussen 17 en 40 jaar op te pakken en als dwangarbeider voor de Arbeitseinsatz naar Duitsland te deporteren. Naar schatting tussen de 13.000 en 15.000 mannen uit Den Haag en omliggende gemeenten werden opgepakt en naar Duitsland afgevoerd.
De razzia In de vroege ochtend van 21 november 1944 trokken Duitse eenheden zonder noemenswaardige voorafgaande waarschuwing Den Haag, Rijswijk en Voorburg binnen. Straten werden afgezet, controleposten ingericht en woningen systematisch doorzocht op mannen binnen de vastgestelde leeftijdscategorie. Via pamfletten en een officieel bevel waren mannen opgeroepen zich te melden met warme kleding, stevige schoenen, dekens, eetgerei en boterhammen voor één dag. Velen vertrouwden deze oproep echter niet en zochten een schuilplaats, mede vanwege de razzia in Rotterdam tien dagen eerder, waarbij circa 52.000 mannen waren opgepakt en weggevoerd — een gebeurtenis die als indringende waarschuwing had gefungeerd. Omdat slechts betrekkelijk weinigen op straat gingen staan, begonnen de huiszoekingen ’s morgens om tien uur.
Bij Operatie Sneeuwvlok in Den Haag was het verrassingseffect daardoor grotendeels verloren gegaan. Via ondergrondse netwerken en uitzendingen van Radio Oranje circuleerden al waarschuwingen voor een op handen zijnde razzia. Ook enkele politieagenten die de avond voorafgaand aan de actie waren ingelicht, waarschuwden bewoners nog op het laatste moment. Hierdoor doken duizenden mannen tijdig onder, op vaak geïmproviseerde en benauwde schuilplaatsen, variërend van kelders en zolders tot keukenkastjes en ruimtes onder vloeren. In sommige gezinnen werd een stofzuiger gebruikt als alarmsignaal. Hoewel de elektriciteit door de bezetter was afgesloten, wist men dat bij het systematisch doorzoeken van de stad tijdelijk de stroom zou worden ingeschakeld. Zodra een in het stopcontact gestoken aangezette stofzuiger begon te werken, waarschuwde het plotselinge lawaai de aanwezigen op tijd.
Ondanks deze voorzorgsmaatregelen wisten de Duitse autoriteiten alsnog een groot aantal mannen op te pakken. Hoewel het aantal lager lag dan oorspronkelijk beoogd, werden naar schatting tussen de 13.000 en 15.000 mannen uit Den Haag en omliggende gemeenten opgepakt en naar verzamelplaatsen afgevoerd, drie keer minder dan verwacht. Hoewel er veel geschreeuw van de Feldwebel was, geweerschoten klonken en luidsprekerauto’s met veel lawaai de mensen opriepen om de straat op te gaan, maakten veel Duitse soldaten zich niet bijzonder druk. Sommige Duitse soldaten voerde hun werk opvallend laks uit. "Nächstes Mal besser verstecken", kreeg een verstopt persoon te horen die door een Duitser onder een bed werd gevonden voordat de soldaat doorliep. Opvallend was het relatief grote aantal brandweerlieden onder de opgepakten, die veelal hadden aangenomen dat hun beroep hen zou vrijwaren van deportatie. Zelfs leden van de NSB bleken niet gevrijwaard, wat bij hun tegenstanders openlijk tot leedvermaak leidde.
Verzamelpunten en deportatie
Op 21 en 22 november 1944 werden naar schatting ongeveer 8.000 mannen uit Den Haag en circa 5.000 uit Rijswijk en Voorburg opgepakt voor dwangarbeid. De opgepakte mannen werden op verschillende verzamelplaatsen in Den Haag bijeengebracht, zoals het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen aan de Zwarteweg, het Gymnasium Haganum aan de Laan van Meerdervoort en delen van de Haagse dierentuin aan de Benoordenhoutseweg (de plaats waar nu het Provinciehuis staat).
Op 22 november werden 7.000 opgepakte mannen te voet naar het Slachthuisterrein aan de Laakkade geleid, waar rijnaken lagen afgemeerd. Onder bewaking werden zij in de ruimen van deze schepen ondergebracht. De transporten verliepen via Rotterdam, over de Lek en het Merwedekanaal, langs Utrecht naar Amsterdam. Vandaar ging de reis verder over het IJsselmeer, onder meer richting Kampen. Meer dan zevenduizend Hagenaars kwamen terecht in de Van Heutszkazerne in Kampen. De anderen moesten naar Utrecht en verder gelegen plaatsen lopen.
In Kampen werd de grote groep opgesplitst en over verschillende locaties in Nederland verspreid. Vanuit daar volgde later de verdere deportatie naar Duitsland. De opgepakte mannen werden ingezet voor dwangarbeid in dorpen en steden, maar ook in werk- en strafkampen, vaak in de nabijheid van grote havens en belangrijke industriële centra zoals Hamburg, Dresden, Leipzig, Kiel en Danzig. Ongeveer 3.000 Nederlandse dwangarbeiders uit Den Haag en andere steden kwamen in Kamp Rees terecht. Tussen december 1944 en eind maart 1945 overleed 10% van deze mannen.
Terugtocht en onbegrip bij thuiskomst Na de ineenstorting van het Hitler-regime ondervonden veel voormalige dwangarbeiders grote moeilijkheden bij hun terugkeer naar huis. Velen legden te voet een maandenlange, chaotische tocht naar het westen af, omdat het treinverkeer nog geruime tijd onmogelijk was en het passeren van de Grebbelinie verboden bleef. Pas op 2 juni 1945 arriveerde in Den Haag de eerste trein met gerepatrieerde dwangarbeiders.
De ontvangst was vaak moeizaam. Teruggekeerde dwangarbeiders stuitten op onbegrip en hardnekkige misvattingen. Zo leefde bij velen het idee dat zij vrijwillig naar Duitsland waren vertrokken, terwijl anderen hen verweten niet te zijn ondergedoken. Mede om hun belangen te behartigen werd in september 1945 een organisatie voor ex-dwangarbeiders opgericht. Deze hield in 1947 op te bestaan. Pas veertig jaar later, in 1987, werd opnieuw een vereniging met een vergelijkbaar doel opgericht: de Vereniging Ex-Dwangarbeiders Nederland Tweede Wereldoorlog.
Tijdens de Duitse bezetting werden naar schatting tussen de 500.000 en 600.000 Nederlandse mannen gedwongen om in nazi-Duitsland te werken, wat neerkwam op ongeveer 20 procent van de mannelijke beroepsbevolking. In één op de acht Nederlandse gezinnen was een man of zoon tewerkgesteld. Ongeveer 30.000 van deze mannen overleefden de dwangarbeid niet; zij kwamen om het leven door bombardementen, ziekte of uitputting.
Monument Om deze 13.000 à 15.000 dwangarbeiders uit Den Haag te herdenken, werd op 1 november 1999 het monument Dwangarbeiders onthuld op de plaats waar vroeger de Haagse dierentuin stond en tegenwoordig het Provinciehuis.
Andere razzia's Den Haag had eerder te maken gehad met kleinere razzia's. Op 11 juni 1941 was de eerste razzia op joden in Den Haag. Op 16 mei 1944 was een razzia waar speciaal Roma's en Sinti's gezocht werden. Zij werden naar kamp Westerbork afgevoerd. De meesten kwamen niet terug.
Sneeuwvlok Categorie:Tweede Wereldoorlog in Den Haag Categorie:Geschiedenis van Leidschendam-Voorburg Categorie:Geschiedenis van Rijswijk Categorie:Gebeurtenis in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog Categorie:Dwangarbeid tijdens de Tweede Wereldoorlog Categorie:1944