...die Revolutie niet begrepen!... (2005) is een historische roman die geschreven is door Cynthia McLeod-Ferrier. In ...die Revolutie niet begrepen!... vertelt McLeod over de gebeurtenissen in Suriname vanaf 1979 tot het einde van de jaren tachtig. Door haar protagonist Rita, een doorsnee Surinaamse vrouw, te plaatsen in het Paramaribo van deze periode, geeft zij in zes hoofdstukken een impressie van dit deel van de geschiedenis. Rita is onderwijzeres en haar zoon wordt vlak voor de coup opgeroepen om in dienst te gaan. Een verteller beschrijft chronologisch het vertelheden waarbij Rita een belangrijke focalisator is. Er worden veel gebeurtenissen beschreven en dialogen gevoerd waarin die gebeurtenissen een belangrijk thema zijn. Dit wordt afgewisseld met cursief afgedrukte dagboekaantekeningen in de ik-vorm. Rita beschrijft in haar dagboek het familieverleden maar ook de actualiteit. McLeod bedient zich zo nu en dan van het Sranan en ook het Nederlands kent af en toe een Surinaamse toonzetting. Srananteksten worden verklaard met noten aan het eind van ieder van de zes hoofdstukken, die de geschiedenis chronologisch vertellen.

Historische gebeurtenissen in …die Revolutie niet begrepen!…

In het eerste hoofdstuk ‘Rita’ maken we kennis met diverse personages waaronder de ex-man van Rita die vlak na de onafhankelijkheid verdergaat met een andere vrouw in Holland, haar dochter die in Holland studeren gaat en haar zoon Peter die tegen het einde van dit hoofdstuk opgeroepen wordt voor militaire dienst. Een groot gedeelte bestaat uit dagboekaantekeningen waarin Rita verhaalt over het verleden van haar familie. In het hoofdstuk ‘Onrust’ beschrijft McLeod de situatie vlak voor de staatsgreep van 25 februari 1980. Dit deel zal later in dit artikel gerelateerd worden aan andere bronnen over deze periode. Het derde hoofdstuk ‘Coup’ beschrijft de periode van 25 februari tot half augustus 1980. Het begint met de coup en vertelt het verloop en vervolg hiervan. Zaken die onder meer beschreven worden, zijn de avondklok, de contrarevolutionaire tegencoup en intern gedoe bij de Nationale Militaire Raad. Er hangt een gespannen sfeer en mensen kunnen zomaar worden opgehaald en vastgehouden zonder enige vorm van proces. Ook zijn er geruchten over martelingen. Uiteindelijk wordt in de tweede week van augustus de noodtoestand uitgeroepen en de avondklok wordt ingesteld op 19 uur. De president, Johan Ferrier treedt af en Chin A Sen neemt zijn positie over. Hij draagt de regeermacht over aan de legerleiding: Bouterse en Horb. De Grondwet wordt voor onbepaalde tijd geheel in werking geschorst. Het hoofdstuk ‘Decreten’ begint met de beëdiging van de regering Chin A Sen-Haakmat op 15 augustus 1980. Met de Grondwet buiten werking ontstaat een periode van bestuur door middel van decreten. Er wordt gesproken van verkiezingen in oktober 1982. Er wordt afgerekend met de ‘oude politiek’ en Bouterse die ondertussen Opperbevelhebber is van het leger, zegt in een toespraak dat er voorlopig geen verkiezingen zullen komen. Mannen die oorspronkelijk deel uitmaakten van de coup verdwijnen achter de tralies en er zijn geruchten over de positie van Chin A Sen. Het bedrijfsleven klaagt en er ontstaat gemor vanuit de samenleving. Op 11 maart 1982 is er sprake van een nieuwe coup (de Rambocuscoup) en lijkt de macht te zijn overgenomen door luitenant Rambocus maar dit houdt geen stand en drie dagen later is alles weer zoals het was. Er is opnieuw sprake van onrust en protest en men vraagt om democratie en verkiezingen. Het hoofdstuk besluit met het bezoek van Maurice Bishop aan Suriname en het conflict tussen Bouterse en Daal. Dan volgt ‘8 december’ in dit hoofdstuk beschrijft Mc Leod de decembermoorden en de periode daarop tot maart 1983. Op p. 186 schrijft Mc Leod op een verder zwarte pagina “Suriname zal nooit meer hetzelfde zijn.” Ook Roy Horb sterft. Hij zou zichzelf van het leven hebben beroofd. Het boek sluit af met ‘Dictatuur’ en in dit laatste hoofdstuk wordt de situatie vanaf maart 1983 beschreven tot augustus 1987. Mc Leod schrijft hoe gespannen de sfeer is, hoe mensen zonder duidelijke reden worden opgepakt en hoe andere mensen het land verlaten. Economisch gaat het slecht. In het najaar van 1980 is president De Miranda van de Centrale Bank weggestuurd en na de revolutie in 1988 is de gehele goudvoorraad op. Er ontstaat schaarste en de munt devalueert. Het gevolg hiervan is dat er rijen voor de winkels staan en dat er een illegaal wisselcircuit ontstaat dat later in het openbaar verdergaat. Uiteindelijk besluit de regering ertoe het geld te veranderen. Op 9 november 1986 wordt dit aan het volk medegedeeld. Er is inmiddels verzet uit militaire hoek. Ronnie Brunswijk en zijn Jungle Commando komen veelvuldig in schietconflicten met de militairen terecht en eind november vindt er een militaire actie plaats in het Marowijnegebied waarbij veel burgers vermoord worden door de militairen. Eind januari 1987 wordt het protest van leerlingen tegen de schaarste aan brood, op de vierde dag ervan met veel geweld beantwoord. Vanuit de bevolking is er ook protest en kerkdiensten worden aangegrepen om als basis te dienen voor demonstraties. Op 30 september 1987 wordt een referendum gepland over de nieuwe grondwet. Na het aannemen van de grondwet zouden er op 25 november 1987 verkiezingen volgen.

Geschiedenis "We cannot know the past except through its texts : its documents, its evidence, even its eyewitness accounts are texts” (Hutcheon 1988: 16).

Michiel van Kempen schreef naar aanleiding van eerder werk van Mc Leod in zijn Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur dat zij een vorm schiep “waarmee ze de geschiedenis van Suriname, die was neergelegd in academische studies, teruggaf aan het Surinaamse volk” (Van Kempen 2003: 1050-1051). Ervan uitgaande dat zij de geschiedenis teruggeeft aan het volk, is het de vraag om welke geschiedenis het gaat en om hoe betrouwbaar de historische feiten die zij beschrijft, zijn. Een selectie in de roman genoemde feiten zal in dit artikel in relatie gebracht worden met andere (contemporaine) bronnen. Mc Leod werkt veel met concrete data waardoor die relatie goed te leggen is. De selectie is beperkt tot de prerevolutionaire periode die in het boek aan de orde komt. Dit correspondeert met het tweede hoofdstuk uit de roman. Alvorens zal eerst een beschrijving van enkele ideeën volgen van het onderscheid tussen geschiedschrijving en het genre van de historische roman.

Narratief en wetenschap Er wordt een onderscheid verondersteld tussen geschiedschrijving en het genre van de historische roman maar dit is niet altijd even goed af te bakenen. In haar proefschrift doet Nina-Marié Marais (2005) onder meer uitspraken over het functioneren van historische romans als geschiedschrijving en over hoe zij deel uitmaken van het historiografisch discours. Zij beschrijft in haar inleiding de problematische, hiërarchische onderscheiding tussen literatuur en geschiedschrijving. Onder meer aan de hand van werk van Hayden White en Frank Ankersmit stelt zij:

“Hulle het aangetoon dat ‘n analogie getrek kan word tussen historici en skrywers se werkswyse omdat historici soos skrywers op ‘n subjektiewe wyse historiese feite selekteer en orden in ‘n narratiewe formaat”(Marais 2005: 10).

(Zij hebben aangetoond dat er een analogie gemaakt kan worden tussen de werkwijze van historici en schrijvers omdat historici net als schrijvers op een subjectieve wijze historische feiten selecteren en ordenen in een narratieve opmaak.)

F. van Oostrom (1992) onderscheidt de beide genres van elkaar met de termen ‘projectie’ en ‘reconstructie’. Hij maakt een vergelijking tussen Umberto Eco's De naam van de roos en zijn eigen Het woord van eer om dit verschil te illustreren. De naam van de roos typeert hij als een “demonstratie van Eco's mens- en wereldbeeld” waarin de selectie van Middeleeuwse gegevens in dienst staat van dat hedendaagse wereldbeeld. In dit verband spreekt hij van projectie. Zijn eigen werk beschouwt hij als objectiever, hoewel dus niet puur objectief. Hij stelt hier dat de selectie van hoofdbronnen gestuurd is door wat de historische situatie aan teksten aanbood. Hier gaat het om een “klinische, wetenschappelijk-(re)construerende benadering [om] een stuk van ons lineaire verleden te beschrijven en te duiden” (Van Oostrom 1992: 282-283). Een punt is dat een “klinische, wetenschappelijk-(re)construerende benadering” nog geen garantie is voor pure feitelijkheid. Het betreft hier immers een tekst en geen feit. Pamela Pattynama spreekt in dit verband van her-herinneringen. Hiermee doelt zij op het feit dat ieder herinneringswerk plaatsvindt in het heden. Contemporaine herinneringsprocessen oefenen hun invloed uit. Iedere tekst is hier een herneming van oude fragmenten. Een tekst wordt zo een plaats waar een herinnering aan een feit, herinnerd wordt in plaats van het feit zelf (Pattynama 2007: 8).

...die Revolutie niet begrepen!... geeft veel historische details maar het is evident dat de personages in het werk fictief zijn en als literair middel fungeren om de geschiedenis te vertellen. Vanuit het perspectief van Van Oostrom is ...die Revolutie niet begrepen!...op te vatten als een projectie van het mens- en wereldbeeld van McLeod dat zij projecteert op de recente geschiedenis van Suriname. Zij doet dit tegen een achtergrond die een reconstructie is van gebeurtenissen die zich in die periode hebben afgespeeld. De verschillende perspectieven die de personages bieden, geven een veelheid aan visies op de gebeurtenissen in die periode.

In hoeverre is het geheel aan feiten dat gepresenteerd wordt in ...die Revolutie niet begrepen!... op te vatten als betrouwbare bron voor kennis van de geschiedenis? In navolging van onder meer Jaques Derrida en André Brink kan geschiedenis zelf beschouwd worden als een tekst (Brink 1998: 41). De geschiedenis wordt immers gevat in taal, buiten die taal is denken onmogelijk, valt ze niet te begrijpen. Ze heeft al betekenis en geeft teksten een context waarbinnen deze teksten hun betekenis krijgen. Dorothea van Zyl beschrijft de consequentie van de linguistic turn als volgt:

“Na die sogenaamde "linguistic turn" van veral die sewentiger- en tagtigerjare is die besef binne die humaniora en sosiale wetenskappe gevestig dat die werklikheid ‘buite’ of ‘agter’ die taalkonstruksies wat ons kennis konstitueer slegs deur taal bereikbaar is” (Van Zyl 1999: 2). (Na de zogenaamde linguistic turn van vooral de jaren zeventig en tachtig is het besef binnen de humaniora en sociale wetenschappen gevestigd, dat de werkelijkheid ‘buiten’ of ‘achter’ de taalconstructie die onze kennis constitueert, slechts door middel van taal bereikbaar is.)

Ook Linda Hutcheon is een dergelijke mening toegedaan. Zij stelt: "We cannot know the past except through its texts : its documents, its evidence, even its eyewitness accounts are texts.” (Hutcheon 1988: 16). Dit alles ondermijnt het idee dat een klinische, empirisch-wetenschappelijke beschrijving van de ‘harde feiten’ tot de mogelijkheden behoort. Het impliceert ook dat het leggen van een relatie tussen ...die Revolutie niet begrepen!... en ‘dé geschiedenis van Suriname’ in dit artikel eveneens gebaseerd is op andere teksten en dus altijd gerelativeerd kan worden.

Het hoofdstuk ‘Onrust’ in relatie tot andere bronnen