thumb|350px|Het Huningameer op de kaart van Theodorus Beckeringh (1781)
Het Huningameer of Huiningameer, ook Eeckelsmeer of Oostwoldermeer genoemd, was een veenmeer of meerstal in de Nederlandse provincie Groningen. Het lag bij het huidige gehucht Meerland in de gemeente Oldambt. Het meer is in 1849 definitief droog gelegd. Het voormalige meer vormt sinds 2006 de kern van het Oldambtmeer. Het had een oppervlakte van ongeveer 450 hectare.
Geschiedenis
Ontstaan en gebruik Het meer lag in een van de noordelijkste uitlopers van Bourtangerveen en ontstond rond 1500 toen grote delen van het veen wegspoelden als gevolg van overstromingen vanuit de uitdijende Dollard. Het oorspronkelijke meerstal, dat zich verder in de richting van Midwolda uitstrekte, raakte hierdoor bedekt met overslagklei.G.A. Strating en G. Venema, De Dollard of geschied,- aardrijks- en natuurkundige beschrijving van dezen boezem der Eems, Groningen 1855, p. 13-15. Het gebied werd doorkruist door het riviertje de Oude Ae, dat bij Ekamp ontsprong. Deze buurtschap wordt in 1554 voor het eerst vermeld. De verkaveling van Oostwold en Finsterwolde liep oorspronkelijk door tot aan de Tjamme (nu Raai), die hier de grens met Winschoten vormde. Het meer stond aanvankelijk in verbinding met de Tjamme en de Oude Ae.
Het meer wordt voor het eerst in 1564 genoemd als Eckels Mehr.Groninger Archieven, 2100, inv.nr. 1103, p. 426. Op.kaarten staat het ook als Fledder (= 'moeras', 1616),Barthold Wicheringe, Inclytis ac potentibus Frisiae inter Amasum ac Lauicam sitae [...], 1616. Mogelijk is er sprake van een verwisseling met het streekje Vledder te Finsterwolderhamrik. Eeckelsmeer (1634, ca. 1667),Cornelius Pijnacker, Drentia Comitatus Transiselaniæ tabula II, 1634. De naam Eeckelsmeer was volgens A.J. Smith mogelijk ontleend aan de familie Van Eeck, die hier in de 17e eeuw landbezit had. Nicolaes Visscher I, Dominii Groningae nec non maximae partis Drentiae novissima delineatio, ca. 1667. Oostwoltermeer (bed[ijckt]) (1635)Barthold Wicheringe, Groninga Dominium. 1635. of Huninga Meer (ca. 1680).Nicolaas Visscher, Groningae et Omlandiae dominum vulgo de Provincie van Stadt en Lande, 1680-1684
Het meer was vermoedelijk eigendom van de familie Huninga, die de eerste initiatieven tot drooglegging nam. Deze familie woonde op het oldt Steenenhuys (1636) in Oostwold (rond 1775 vervangen door een deftige boerderij); een andere tak van de familie resideerde op de Huningaborg te Beerta.Boerderijenboek Beerta, nr. 115 en 21. Volgens overleveringen stond de burcht van de Huninga's uit Oostwold oorspronkelijk midden in het meer, in het verlengde van de Huningaheerd. Mogelijk ging het om een 17e-eeuws buitenhuis in de nieuwe polder. Een artikel uit 1903 schrijft over de restanten hiervan het volgende:
Nog wijst men de plaats daarvan aan, nog zijn enkele sporen van grachten enz. aanwezig. In de wandeling noemt men dit heemsteê midden in het veld de Vossenberg. Ouden van dagen herinneren zich nog, dat hier breede grachten, gedeeltelijk echter al dicht gegroeid waren. Ook heeft men er veel puin, scherven, enz. gevonden. Thans [d.w.z. in 1903] is nog zichtbaar, waar de grachten, die het kasteel omsloten, geweest zijn. Vier wegen liepen op de burcht aan.De Telegraaf, 1 september 1903.. Zo ook A. Smith, Geschiedenis van de provincie Groningen, Groningen 1849, p. 114. Dit betreft kennelijk de kruising tussen het Papegat, de Oude Molensloot en het verlengde van de Oude Meerlandsche weg. Gearchiveerd op 3 augustus 2023.
Het Huningameer stond in de 18e eeuw grotendeels onder water en vormde toen het domein van roerdompen en andere watervogels. Omstreeks 1775 kon het meer nog "met scheepjes bevaren" worden en verschafte het "aan menige visser zijn bestaan".Smith, Geschiedenis, p. 114. Laurentius (A.J. Smith), 'Wandelingen door het Oldambt, XIX', in: Nieuwsblad van het Noorden, 9 november 1906. Het meer was niet diep, want op de provinciekaart van Theodorus Beckeringh uit 1781 staat vermeld dat het "somers bijna droog" lag. A.J. de Sitter schrijft in de Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden (1794) dat het meer "nu grootendeels toegroeit". Dorpspredikant Lambertus van Bolhuis noemt het "eene groote vlakte van laag en moerig land, met eenige diepten". Hij vermoedde dat het ontstaan was "uit overstrooming der Dollertswateren, die wel eenig boven veen 'er af gespoeld konden hebben".Lambertus van Bolhuis, Tweetal van plegtige redevoeringen: welker eene over Jezaj. LXVI: 1,2, uitgesproken op den 12den van Wijnmaand 1777, ter inwijding van een nieuw kerk-gebouw te Oostwold (...), Groningen 1778, p.. 74-75. Het ijzerhoudende kleidek werd echter vooral gevormd door toestromend veenwater. De ontwatering verliep oorspronkelijk via de Oude Ae richting Goldhoorn, waar vanouds ook het zeewater kon binnendringen. Later stond het meer in verbinding met de Tjamme. De rechtgetrokken loop van de Oude Ae was nog in de 18e eeuw te volgen; ernaast liep een weg naar Ekamp.Groninger Archieven, inv.nr. 1526, inv.nr. 1349: Kaart van de dijk en de ringsloot om het Oostwolder Meer met aangrenzende landen, door Arnoldus Tideman, 1706. Zie ook inv.nr. 1348 (vermoedelijk de definitieve versie) en 1350 (kopie uit 1714).Groninger Archieven, 1536, inv.nr. 1020: Schetskaarten van het Oostwoldermeer en de aanzwettende landen, tweede helft achttiend eeuw. Zie ook inv.nr. 1019 en de kladkaarten inv.nr. 1021, 2313 en 2314.
Bemaling en drooglegging De eerste pogingen om het meer droog te leggen dateren uit het begin van de zeventiende eeuw. De Groningse stadsbestuurder en oud-hoogleraar Johan Huninga (1584-1639) nam hiervoor in 1629 het initiatief, in samenwerking met jonker Johan Sickinghe (1576-1652).Groninger Archieven, toegang 572, inv.nr. 47: Overeenkomst tussen Johan Sickinghe en Johan Huninga van Oostwolt over samenwerking bij de indijking van 't meer in Oostwolt en Finsterwolde, 1629. Zie ook toegang 731, inv. nr. 7073: Rechtelijke archieven Beerta, fol. 456 en 459 (24 februari 1629).Johan Huninga verkocht de helft van het meer in 1629 aan Egbert Boelens te Scheemda. Boerderijenboek Wold-Oldambt, dl. 1, p. 147. Er was sprake van een ringdijk (de latere Noorderringdijk en Zuiderringdijk) en een ringsloot met een poldermolen die uitwaterde op de Tjamme bij Beerta. De ringdijk ter hoogte van de Oude Ae werd in de negentiende eeuw vlintendam genoemd. Het meer werd in afzonderlijke kavels verdeeld, net als dat bij de droogmakerijen in Holland en Friesland gebeurde. Volgens een kaart van omstreeks 1638 was het meer toen inmiddels droog en verkaveld.Nationaal Archief, Hingman, cat.nr. 3083: Kaart van landen en venen aan de Dollard, door Cornelius Edzkens, ca. 1638. De kaart toont twee poldermolens aan het einde van de Klinkerweg te Oostwold, die het water via een kanaal (het Oostwoldermeer-zijldiep) naar de Dollard afvoerden; later loosden ze hun water via het Koediep. De oevers van het kanaal werden Ooster- en Westerdiepswal genoemd.
De ontwatering schoot echter tekort. De ingelanden van Oostwold sloten daarom in 1639 een nieuwe overeenkomst met Beerta over de afvoer van het water via de Tjamme. Johan Huninga zou ervoor zorgen dat het veenriviertje verder uitgediept zou worden tot aan het Grote Diep (Beertsterdiep) en dat er duikers aangelegd zouden worden.
Ook de poldermolens waren geen succes. In 1666 klaagde molenbouwer Pieter Pieterse uit Zaandam dat de rekeningen niet betaald waren; zijn erfgenamen procedeerden negen jaar later nog over betaling van de achterstallige penningen. Het meer werd in 1695 voor 800 gulden bij opbod verkocht aan burgemeester Reinold Clinge, die was opgegroeid op de Ennemaborg, nu bewoond door zijn zus en zwager Wilhelmus Hora. Een eerdere poging om de beide molens voor 400 gulden op afbraak te verkopen, mislukte.Groninger Archieven, toegang 1534: Volle gericht, inv.nr. 4008 (IIIx 74), fol.40v-41 (3 en 5 oktober 1695). De molen aan de Tjamme werd in 1701 afgebroken, een andere "oude molen" staat nog afgebeeld op een aantal kaarten gemaakt door landmeter Arnoldus Tideman in 1706, maar hij was kennelijk defect.J.P. Koers, 'De Huninga's in Oostwold en Beerta', in: Duvekoater. Tijdschrift voor regionale historie, nr. 59 (april 2017), p. 22-26. Grote delen van het meer bestonden vermoedelijk uit rietmoerassen. De belangrijkste bezitter in deze tijd was borgbezitter dr. Frederik Sibinga van Oostwold. Omstreeks het begin van de 18e eeuw werden de ringsloot en de dijken verder naar buiten gelegd om vergroting van het meer tegen te gaan.
Toch lag het meer aan het einde van de 18e eeuw weer grotendeels droog en waren de wegen en verkavelingssloten hersteld. Er groeide bijna niets dan russen. In 1780 werd de meerhut verhuurd aan de "opzigters van het vee ... dat in het Meerlant geweidt wordt", die daarmee tevens het recht kregen "om eenig Hoey te winnen".Een hut met gebruik van tuin en koeweide te Meerland (1780), Groninganus, 27 mei 2010. Gearchiveerd op 9 april 2023. Een deel van het gebied werd opnieuw verkaveld. Een kaart uit 1809 laat zien dat het centrale deel van het Meerland uit moerassige graslanden bestond. Aan de oost- en westkant bevonden zich de betere weilanden, terwijl op de hoogveenrand aan de zuidkant wat akkerbouw werd bedreven. De bewoning was beperkt tot een drietal verhoogde erven; in het noordoosten bevond zich verder een verlaten ronde warf. Men beweerde dat hier oorspronkelijk nog meer huizen stonden.Volgens Smith, Geschiedenis, p. 114, strekte de bewoning zich in het noordeinde nog verder uit. Voor de afwatering maakte men gebruik van een uitwateringssloot langs de Westweg (de huidige Groeveweg) richting het Koediep. Twee doorbraakkolken getuigden van eerdere stormvloeden.Groninger Archieven, 817, inv.nr. 1355.2: Kaart van Oostwold en de ten zuiden daarvan gelegen Meerlanden, 1809.Groninger Archieven, 817, inv.nr. 1745: Kaart van Oostwold en de ten zuiden daarvan gelegen Meerlanden, 1815-1819..
In het begin van de 19e eeuw werd aan de noordkant van het meer een kleine poldermolen (een spinnenkop) geplaatst, die het water uit het meer naar het Koediep afvoerde.Molendatabase, nr. 9174.Volgens de Beschrijving van de provincie Groningen behorende bij de waterstaatskaart, bewerkt bij de Directie Algemene Dienst van de Rijkswaterstaat, Den Haag 1961, p. 52, zou het molentje dateren uit 1817. Hij staat echter nog niet afgebeeld op de kadasterkaart van 1832. Gearchiveerd op 28 oktober 2022. Ook werden wijken gegraven die het gebied ontsloten. Vanaf 1830 werd er op de hogere percelen haver verbouwd, maar bij winterdag stonden de landerijen nog onder water en boden ze plek aan watersnippen, roerdompen en meeuwen.J.H. Roemeling, ‘Slijk- en kleibemesting’, deel 1, in: Landbouw-Courant, 9 november 1865. Aan de zuidkant van het meer werd turf gebaggerd.