thumb|De filosofen (1917) door Michail Nesterov met Pavel Florenski (links) en Sergej Boelgakov (rechts) Russische filosofie slaat op een reeks filosofische stromingen en denkers die voornamelijk of enkel in Rusland actief zijn of waren en daarom ook sterk door de Russische cultuur en geschiedenis getekend worden. Een andere mogelijke definitie is: "zichzelf als filosofie bepalend denken in de Russische of een daaraan nauw verwante taal (Oudslavisch, Oekraïens, Wit-Russisch) en/of in een aan Rusland gebonden filosofische cultuur."Van Der Zweerde, E., "Russische Filosofie tussen Eigenheid en Moderniteit", p. 12. Grotendeels door toedoen van het eigen karakter van de Russische filosofie valt zij moeilijk binnen de geschiedenis van de westerse filosofie te plaatsen, maar loopt ze er eerder parallel mee.
Typerende kenmerken van de Russische filosofie zijn een sterke religieus-orthodoxe dimensie, het debat rond de slavofilie en in de hedendaagse filosofie een sterke band met het marxisme en communisme. Een ander kenmerk is dat vele Russische filosofen niet zozeer academisch en systeemfilosoof zijn, maar vaak in de eerste plaats schrijver. De band met de Russische literatuur is dan ook sterk zichtbaar, onder anderen bij Fjodor Dostojevski en Lev Tolstoj. Mede door deze band vertoont de Russische filosofie een sterke interesse in onderwerpen zoals creativiteit, vrijheid, politieke filosofie, nationalisme, religie en mystiek.
Geschiedenis Het begin van de Russische filosofie thumb|Grigori Skovoroda (1722-1794) wordt beschouwd als de eerste echte Russische filosoof De eerste sporen van filosofisch denken in Rusland zijn terug te leiden tot de opkomst van het christendom. De kerstening van het Kievse Rijk vond plaats in 988, toen Vladimir de Grote zich liet dopen. Stappen daartoe waren al gezet door Cyrillus en Methodius in de 9e eeuw, die de Bijbel in oudkerkslavisch vertaalden. Als gevolg van deze bekering begonnen langzamerhand christelijke werken, voornamelijk van de kerkvaders in het Russisch vertaald te worden. Zo werden de theologische werken van Johannes Damascenus al in de 12e eeuw in het Russisch vertaald.Losski, N.O., History of Russian Philosophy, p. 10. Ook het werk van Pseudo-Dionysius de Areopagiet, met commentaren van Maximus Confessor, werd in de 14e eeuw vertaald. Samen met werken van vele andere oosterse kerkvaders werden deze bewaard in de Russische kloosters.
Een gevolg van het feit dat de belangrijkste schriften reeds vroeg vertaald werden in het Russisch was dat het Russische denken grotendeels werd afgesloten van de Latijnse en zeker de Griekse traditie in de filosofie en dus al vroeg geïsoleerd raakte. Een ander element dat dit nog eens versterkte was het Oosters Schisma in 1054 dat een geloofsbreuk betekende tussen de oosters-orthodoxe kerken en de Rooms-Katholieke Kerk. Deze vertalingen hebben er wel voor gezorgd dat de Russische clerus zelf begon het theologisch en filosofisch werk van Byzantium verder te ontwikkelen, dat ook nog qua geloof dicht bij Rusland aansloot. Een belangrijke inspiratiebron was bijvoorbeeld Johannes Damascenus, die een invloedrijke zesvoudige definitie van de filosofie opstelde. Echter de Val van Constantinopel in 1453 zorgde ervoor dat Rusland zijn inspiratiebron, namelijk het Byzantijnse Rijk, kwijtraakte. Hierdoor ging het land zich nog meer op zichzelf richten en beschouwden sommigen, waaronder Philotheus van Pskov (1465-1542), Moskou als het 'derde Rome' (na Rome en Constantinopel die beide het geloof kwijt waren)., "Russian Philosophy", bezocht op 15-01-2013, in , Routledge Encyclopedia of Philosopohy, London, Routledge, 1998.
Pas in de 17e eeuw, door het veroveren van Wit-Rusland en Oekraïne, sijpelde de scholastiek, dat in de veroverde gebieden bekend was, in Rusland binnen. In het begin waren het vooral theologen die filosofisch actief waren, zoals de metropoliet Pjotr Mogila (1596-1646) en de bisschop Feofan Prokopovitsj (1681-1736). Zo hield Prokopovitsj zich bezig met het bestrijden van het werk van Benedictus de Spinoza en wilde de rede met het geloof verzoenen. De eerste 'leek' die aan filosofie deed, soms beschreven als de eerste Russische filosoof, was Grigori Skovoroda (1722-1794)., "Russian Philosophy", Internet Encyclopedia of Philosophy, 2008, bezocht op 14-01-2013. Skovoroda was in de eerste plaats een rondtrekkende leraar en moralist en hij wordt dan ook weleens de "Russische of Oekraïense Socrates" genoemd., "Skovoroda - Pedagoog van het innerlijk", Pokrof - Oosterse christenen, kerken en culturen, Vol. 55, nr. 1, 2008, p. 18. Zijn overgeleverde werken, die pas postuum zijn gepubliceerd, zijn voornamelijk geschreven in dialoogvorm. In zijn werk baseerde hij zich vooral op de Bijbel, maar stond ook al onder de invloed van het neoplatonisme en het Duits mysticisme. Zijn filosofie bestond voornamelijk uit een dualisme dat hij terugvond in de mens, de kosmos en de Bijbel. Elk van deze drie had een binnenkant en een buitenkant met unieke eigenschappen.
De Russische verlichting Onder de overheersing van de Tataren en het daaropvolgend isolationisme van het Tsaardom Rusland stond de Russische filosofie voornamelijk stil en werd zij grotendeels afgesloten van elk contact met de westerse wijsbegeerte. Het was pas bij Peter de Grote, die de deur naar Europa openzette dat er terug beweging kwam in het Russisch intellectueel leven en dat er een grote instroom kwam van westerse invloeden. Zo begon enerzijds de Verlichtingsfilosofie van onder anderen Voltaire zijn invloed uit te oefenen op de Russische adel. Anderzijds zette dit ook een nieuwe impuls in het religieuze denken in gang en geconfronteerd met het verdeelde Westen, ging men in Rusland zoeken naar het "ware Christendom". In de 18e eeuw verscheen de vrijmetselarij in Rusland en raakte al snel wijdverspreid. Dit vindt men onder anderen terug bij Nikolaj Novikov (1744-1818) en Michail Speranski (1772-1839).
thumb|left|Aleksandr Radisjtsjev (1749-1802) De voornaamste filosofische invloeden die toen speelden, waren die van mystieke denkers zoals Jakob Böhme en Saint-Martin. Ook Russische vertalingen van het werk van Thomas a Kempis, diens De imitatione Christi, en Johann Arndt werden uitgegeven. Voorbeelden van Russische intellectuelen uit die tijd waren Novikov, die het als zijn taak zag het 'ware Christendom' te verspreiden en Johann Schwarz (1751-1784), een Duitser die aan de staatsuniversiteit van Moskou, opgericht door Michail Lomonosov (1711-1765), doceerde. Vele van deze intellectuelen hadden echter wel problemen met de staat, zeker na de Franse Revolutie in 1789, en werden door Catherina de Grote verbannen naar Siberië. Catherina II was echter geen tegenstander van de Russische intelligentsia. Zo stuurde zij verscheidene jongere intellectuelen naar de Europese universiteiten, zoals de universiteit Leipzig, om daar rechten en andere studies op te nemen. Een ander voorbeeld is Semjon Desnitski (1740-1789) die naar Glasgow gestuurd werd en er vertrouwd raakte met de Schotse verlichtingsdenkers zoals Adam Smith.
De filosoof Aleksandr Radisjtsjev (1749-1802) was ook een van deze jonge intellectuelen. Radisjtsjev raakte in Leipzig vertrouwd met de sociale en politieke filosofie van Rousseau, Locke, Montesquieu, Helvetius, Leibniz en Herder. Voor Radisjtsjev resulteerde dit in zijn bekend boek Reis van Petersburg naar Moskou (1790) waar hij zich tegen vormen van autocratie en lijfeigenschap afzette. Hij schreef ook meer filosofische traktaten zoals zijn Over de mens en zijn sterfelijkheid en onsterfelijkheid (1796). Hierin probeerde hij de 'materiële' argumenten tegen de onsterfelijkheid van de ziel te ontkrachten en zo te bewijzen dat de ziel onafhankelijk van het lichaam bestond. Zo wees hij bijvoorbeeld op de gelijkenissen tussen natuurlijke krachten, zoals elektriciteit, en de ziel die beide niet 'vernietigd' kunnen worden. Ook zette hij zich af tegen de opvatting van Helvetius die alle kennis reduceerde tot zintuiglijke kennis. Radisjtsjev stelde dat als men bijvoorbeeld met één oog naar een object keek en vervolgens met het ander, we moeten erkennen dat we twee zintuiglijke indrukken hebben. Als we echter met beide ogen kijken lijkt het alsof we er maar een hebben. Er zit aldus een verschil in zintuiglijke kennis en kennis in de ziel. Andere belangrijke denkers uit deze tijd waren Michail Sjtsjerbatov (1733-1790) en Denis Fonvizin (1744-1792).
19e-eeuwse Russische filosofie In de 19e eeuw nam de Russische filosofie steeds in omvang toe. Voornamelijk na een periode, die begon rond 1830, van sterk enthousiasme voor het Duits idealisme van Kant, Fichte, Schelling en Hegel, bijvoorbeeld in de zogenaamde любомудры-groep (ljoebomoedry; "zij die houden van kennis"). Schellings natuurfilosofie en esthetica werkte vooral door in het werk van Michail Pavlov (1773-1840), Danilo Vellanski (1774-1847), Aleksandr Galitsj (1783-1848) en Nikolaj Nadezjdin (1804-1856). Zo stelde Pavlov dat alle kennis door intellectuele intuïtie bereikt werd en dat ervaring slechts bestond ter bevestiging van deze intuïtie. Vele van deze denkers waren niet in de eerste plaats filosofen zoals men het nu begrijpt, maar eerder 'wetenschappers'. Zo was Pavlov professor in de fysica, Vellanski professor in de fysiologie en Nadezhdin de eerste Russische etnograaf.
thumb|Aleksej Chomjakov (1804-1860)
Slavofielen Het eerste onafhankelijke Russische denken is terug te vinden in het westerlingen-slavofiliedebat: de vraag of Rusland zich al dan niet moet spiegelen aan het Westen of anderzijds een eigen Russisch identiteit moet uiteenzetten. De grondleggers hiervan waren Aleksej Chomjakov (1804-1860) en Ivan Kirejevski (1806-1856), maar eerste aanzetten kunnen al gevonden worden in het werk van Nikolaj Gogol (1809-1852). Zij wilden deze sterke Duitse invloed op het Russische denken doorbreken en grepen weer sterker terug op het christelijke denken van de oosterse kerkvaders. De westerse filosofie verwierpen zij, grotendeels doordat ze het te rationalistisch, dualistisch, positivistisch en eenzijdig vonden. De Russische filosofie had dan ook de taak om het menselijk leven weer in zijn 'geheel' te denken en zowel plaats maken voor het verstand als voor het hart en het geloof. Hoewel zij zelf geen filosofisch systeem uiteenzetten, legden zij wel de eerste bouwstenen voor een filosofische traditie in Rusland, namelijk die van slavofiele denkers die een systematische christelijk wereldopvatting wilden uitwerken.Losski, N.O., History of Russian Philosophy, p. 14. Een belangrijk artikel van Kirejevski was Over de mogelijkheid en noodzaak van nieuwe principes voor de filosofie (1856). In feite was dit een inleiding in een geambieerd groter werk, maar Kirejevski stierf door cholera in 1856 toen hij zijn zoon in Sint-Petersburg ging bezoeken.
Chomjakov schreef gelijkaardige werken waarin hij de westerse kennisopvatting hekelde en had ook verschillende discussies met Kirejevski. Zelf legde hij vooral de nadruk op het 'metalogisch' karakter van het geloof en de intuïtieve kennis, maar ook op de noodzaak van het organische geheel van de christelijke kerk: pas als (gelovige) gemeenschap (sobornost) kon het Russische volk tot waarheid komen. Waarheid wordt dus niet bereikt door een elite of door een hiërarchie in de Kerk, maar door de gelovige gemeenschap in zijn geheel. Pas in deze sobornost kan vrijheid en eenheid op de juiste wijze gecombineerd worden, terwijl er in het rooms-katholicisme eenheid zonder vrijheid is, en in het protestantisme vrijheid zonder eenheid.Losski, N.O., History of Russian Philosophy, p. 34-37.