thumb|Paardentram in de Gravenstraat (Den Haag) in 1902 thumb|Bij de koetsier van een paardentram Een paardentram is een tram die wordt voortgetrokken door een trekdier, vrijwel altijd een paard. Het gebruik van muildieren kwam ook voor. In uitzonderingsgevallen werden ook ossen gebruikt.

De paardentram was in veel landen van grofweg 1870 tot 1929 een populair vervoermiddel in veel steden en op het platteland. De paardentram is voortgekomen uit de paardenspoorweg en de omnibus. De paardentram zorgde voor een, voor die tijd, comfortabele en goedkope vorm van vervoer.

De paardentram is in het begin van de 20e eeuw vrijwel overal verdrongen door andere vormen van openbaar vervoer.

Het ontstaan van de paardentram miniatuur|Gebruik van een paardenspoorweg voor openbaar vervoer, op de lijn Budweis - Linz

Rails worden al honderden jaren gebruikt. Het ging in de begintijd om houten rails waarover mensen karren duwden, bijvoorbeeld steenkool uit een mijn naar een plek waar het werd overgeladen. Later, het oudst bekende voorbeeld is uit 1722, werden ook paarden voor dat doel ingezet. Dankzij de inzet van paarden konden ladingen over grotere afstanden worden vervoerd. Hiermee ontstond de paardenspoorweg. Het ging vrijwel uitsluitend om het vervoer van grondstoffen zoals steenkool en kalksteen.

De paardenspoorweg werd al snel ontdekt als een manier om mensen te vervoeren. In 1807 ontstond er voor het eerst openbaar vervoer op een spoorlijn. Dit was een voorloper of een vroege vorm van de paardentram.

Lijnen waarover paarden dienst deden om wagens of rijtuigen voort te trekken, werden in het Brits-Engels vaak aangeduid met tramway. Het Britse bedrijf The Dutch Tramway Company Ltd. legde in Nederland de eerste paardenspoorweg aan. Deze lijn werd gebruikt voor reizigersvervoer, dus als openbaar vervoer. Het Engelse woord tramway raakte in het Nederlands taalgebruik ingeburgerd. Later werd dit verbasterd tot paardentram en paardentramlijn.

Naast paardentramlijnen heeft Nederland ook enkele, zij het korte, paardenspoorwegen gekend. Een bekend voorbeeld hiervan is de paardenspoorweg die vanaf station Klarenbeek naar een zagerij leidde. Ook vanaf station Lemelerveld was een dergelijke paardenspoorweg in gebruik. Die lijn werd gebruikt om suikerbieten te vervoeren van het station naar de beetwortelfabriek (suikerfabriek). Dergelijke paardenspoorwegen vallen niet onder de paardentram; ze werden tenslotte niet gebruikt voor openbaar vervoer.

Op de meeste paardentramlijnen is het reizigersvervoer verreweg het belangrijkst. In het Nederlands taalgebruik wordt geen onderscheid gemaakt tussen waar het vervoer plaatsvindt (binnen of buiten de bebouwde kom), ook is het niet relevant of de tramlijn een eigen baan heeft, of in het wegdek verwerkt ligt. In bijvoorbeeld het Engels en het Duits wordt daarin wel onderscheid gemaakt. Het Engelse tramway tot slot, kreeg kort na de introductie van het begrip in Nederland, in het Verenigd Koninkrijk een andere betekenis. Daarmee worden nu alleen nog spoorlijnen aangeduid die in het wegdek verwerkt zijn. Het Nederlandse trambaan is niet hetzelfde als het Engelse tramway of het Duitse Straßenbahn.

Opkomst van de paardentram thumb|Aankondiging van de komst van de paardentram in Den Haag, 5 april 1864 Het eerste gebruik van een paardentram vond plaats in 1807 in Wales. Het reizigersvervoer vond plaats op een spoorlijn waarover ook kalksteen werd vervoerd. In 1827 werden op het vasteland van Europa paardentrams in gebruik genomen, te beginnen in Frankrijk met de spoorlijn Saint-Étienne - Andrézieux in 1827. De langste paardentramlijn die in gebruik is geweest, was die tussen České Budějovice (destijds Budweis), Linz en Gmunden. Op deze 197 km lange lijn met houten rails verzorgden zeshonderd paarden het vervoer van zout en reizigers. Ten opzichte van de postkoets heeft een paardentram minder rolweerstand en was die niet afhankelijk van de slechte wegen uit die tijd. De sporen waren aangelegd met zo beperkt mogelijke hellingen zodat de paarden zoveel mogelijk vracht konden trekken. Deze economische voordelen waren echter onvoldoende om de aanleg van dure infrastructuur voor personenvervoer te rechtvaardigen, behalve bij intensief vrachtvervoer (voor die tijd). De route van de paardenspoorweg Budweis-Gmunden is tegenwoordig grotendeels een toeristische route.upperaustria.com/oestereich-tour/detail/4300013458/the me-path-entlang-der-pferdeeisenbahn-horse-drawn-railway-in-gmunden.html Een deel van de houten spoorbaan is later gereconstrueerd, evenals een voertuig. Bij Rainbach im Mülkreis. Over korte afstand kunnen toeristen meerijden.ausflugtipps.at/redaktionelle-aysflugtipps/artikel/detail/5564/pferdeeisenbahn.html

De echte doorbraak zou plaatsvinden in de Verenigde Staten. New York had in 1832 een primeur: voor het eerst werd een spoorlijn in de openbare weg aangelegd. De rails van deze New York and Harlem Railroad staken 15 cm boven het wegdek uit, wat nogal een obstakel was voor het overige verkeer.

Na de uitvinding van de groefrails in 1852 konden de rails op gelijke hoogte met het wegdek worden aangelegd. Dankzij deze uitvinding nam de aanleg van tramlijnen een hoge vlucht.

thumb|left|Alphonse Loubat, wiens uitvinding van de groefrails zorgde voor de doorbraak van de tram

De eerste paardentram in Nederland reed in 1864 tussen Den Haag en Scheveningen. De eerste paardentram in België reed in 1869 in Brussel tussen het Ter Kamerenbos en de Schaarbeeksepoort.Davies, W.J.K. (2006) The vicinal story, Light Railways in Belgium 1885 - 1991. Welwyn Garden City: Light Rail Transit Association

In de jaren die volgden werd de paardentram erg populair. In veel landen kwamen wetten die bepaalden dat tramlijnen aan minder strenge regels dan spoorlijnen moesten voldoen. In Nederland werd in 1878 de Spoorwegwet zelfs niet van toepassing verklaard voor eenvoudige spoorlijnen, waar ook tramlijnen onder vielen. Ook werd bepaald dat de eenvoudige spoorlijnen buiten het toezicht van de staat vielen. Het werd daardoor gemakkelijk en goedkoop tramlijnen aan te leggen.

De keuze tussen een stoomtram of een paardentram was vaak een financiële kwestie. De aanleg van de trambaan van een stoomtram is duurder, en daar kwam de aanschaf van de locomotieven nog bij. De exploitatie van een stoomtrambedrijf was ook duurder, maar dat hing ook af van de af te leggen afstanden. Daar stond tegenover dat een stoomtram sneller was en zwaardere ladingen kon vervoeren. Op lijnen waar het goederenvervoer een belangrijke rol speelde, werd daardoor sneller een stoomtram aangelegd. Hetzelfde geldt voor langere lijnen. Paardentramlijnen van tientallen kilometers lengte waren een uitzondering. De tramlijn Zuidbroek - Ter Apel was, doordat de paardentram op andere lijnen door stoomlocomotieven was vervangen, zelfs de langste paardentramlijn op ijzeren rails van Europa.Klomp, R.G. (1980) De Eerste Groninger Tramway-Maatschappij. Stadskanaal: Roorda. Weger, G.R. de & Jansen, A.G. (1999) Stoomtramwegmaatschappij Oostelijk Groningen 1915-1918. Hilversum: Schuyt & Co De lijn van Zuidbroek naar Ter Apel was 45 km lang.

Voor de komst van de (paarden)tram was men, in de gevallen dat er geen station in de buurt was, voor het openbaar vervoer aangewezen op trage en (bij wegvervoer) oncomfortabele vormen van openbaar vervoer, zoals de omnibus, de postkoets, trekschuit en de beurtvaart, al hebben deze vormen van openbaar vervoer niet in alle landen bestaan.

De komst van de (paarden)tram werd door veel plaatsen beschouwd als een opheffing uit het isolement.

Situatie in Nederland In 1878 werd het in Nederland mogelijk, in de Spoorwegwet zo genoemde, eenvoudige spoorlijnen aan te leggen. Dit naast de gewone spoorlijnen en de lokaalspoorwegen. De bepalingen uit de Spoorwegwet waren in het geheel niet van toepassing op de eenvoudige spoorlijnen, maar daar stond tegenover dat de asdruk niet meer dan 10 ton mocht zijn en niet harder gereden mocht worden dan 15 km/h. Wijk Jurriaanse, N.J. van (1978) lokaalspoor- en tramenwegen van de hollandsche ijzeren spoorwegmaatschappij. Rotterdam: wyt.

Vanaf dat moment werd de (paarden)tram populair. Onderstaande tabel illustreert de opkomst van de paardentram in Nederland.

Jaar Aantal lijnen 1875 2 1885 19 1895 35 1905 46 Tabel 1, toename aantal paardentramlijnen

Verschillende soorten Paardentramlijnen werden, als de als paardenspoorwegen aangelegde lijnen van vóór 1850 buiten beschouwing worden gelaten, vaak gebruikt als de afstanden niet al te groot waren. Een tweede voorwaarde was dat het aandeel van het goederenvervoer beperkt moest zijn. Bij langere afstanden werd eerder gekozen voor een stoomtram. Goederenvervoer kwam bij paardentrams vrijwel nooit voor. Een stoomtram was in dat geval efficiënter.

Paardentramlijnen kunnen worden ingedeeld in drie categorieën: de stadstram, de interlokale tram en de stationsverbinding.

Stadstram thumb|Paardentrams op het stadsnetwerk van Amsterdam, periode 1895-1900 In veel steden werden lijnen aangelegd waarover binnen de stad reizigers werden vervoerd. Een stoomtram als stadstram was een uitzondering. In sommige landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, bestond er wetgeving die bepaalde dat stoomtrams binnen de stad geen rook uit mochten stoten. In die gevallen moest er met cokes worden gestookt, in plaats van het gebruikelijke vetkool. Cokes is een minder geschikte brandstof voor locomotieven en bovendien duurder.

In het Verenigd Koninkrijk werd in 1865 de zogenoemde red flag act aangenomen, die het gebruik van stoomtrams nog verder ontmoedigde. In deze wet werd onder meer de snelheid van stoomtrams beperkt tot 4 mph en binnen steden zelfs tot 2 mph (ongeveer 6 en 3 km/h). In bepaalde gevallen diende iemand met een rode vlag voor de tram uit te lopen om het verkeer te waarschuwen.

In vrijwel alle grote(re) steden ontstonden paardentramnetwerken. In Nederland hebben zeventien steden stadstrams gekend. Ook steden als Londen, Parijs en Berlijn kregen een (uitgebreid) netwerk van paardentrams. De paardentram werd een belangrijk middel van vervoer binnen de steden. De inwoners van New York namen zelfs 247 keer per jaar de paardentram.Morris, E.A. (2007) From Horse Power to Horsepower. Access Magazine. Gearchiveerd op 3 december 2023.

De stadstrams reden vaak met een hoge frequentie. In bijvoorbeeld Utrecht konden de reizigers op elke lijn elke 6,5 minuut een tram verwachten.

Interlokale tram Een interlokale tram reed tussen twee plaatsen in, vaak niet in een agglomeratie. Het gaat dan vaak om korte afstanden van een kleinere plaats naar een stad. Een interlokale tram wordt ook wel streektram of plattelandstram genoemd. Een interlokale tram reed met een minder hoge frequentie.

Een voorbeeld van een interlokale tram is de tramlijn Gouda - Bodegraven.

Stationsverbinding Een tussenvorm was de stationsverbinding. Het ging in dergelijke gevallen om een korte tramlijn, van een dorp of stad zonder eigen station naar het dichtstbijzijnde station. De tramlijn eindigde dus niet, zoals bij de interlokale tram, in een stad. Een voorbeeld van een dergelijke verbinding is de tramlijn Oudewater - Papekop.

Ook werden dergelijke stationsverbindingen wel aangelegd naar stations van de stoomtram. Het was vaak te kostbaar om een zijlijn van de stoomtram ook met een stoomtram te bedienen.

Neergang thumb|Een van de laatste paardentrams in New York in 1917