Oorwormen of huidvleugeligen (Dermaptera) zijn een orde van gevleugelde insecten.
Er zijn ongeveer 1800 soorten oorwormen beschreven; in vergelijking met andere insecten vormen de oorwormen een relatief kleine groep. In tegenstelling tot de meeste insecten zijn de oorwormen weinig gespecialiseerd. Alle oorwormen zien er ongeveer hetzelfde uit, alleen de kleuren en afmetingen kunnen enigszins verschillen.
Oorwormen zijn typisch kruipende insecten. Hoewel ze in aanleg vier vleugels bezitten, vliegen ze zelden tot nooit. Oorwormen houden zich op in plantendelen zoals bloemen, achter loszittende boomschors en onder bladeren. Ze verkiezen een vochtige omgeving omdat ze gevoelig zijn voor uitdroging. De meeste soorten zijn alleseters die leven van plantendelen, dood materiaal en kleine diertjes. In Europa is de bekendste en meest algemene vertegenwoordiger de gewone oorworm (Forficula auricularia). Deze soort komt in België en Nederland algemeen voor, daarnaast komen er nog enkele minder algemene soorten oorwormen voor.
Op enkele uitzonderingen na hebben alle oorwormen twee karakteristieke tangachtige aanhangsels aan het achterlijf. Ze worden hierdoor wel als 'eng' beschouwd omdat ze met de aanhangsels zouden steken. De achterlijfsaanhangsels worden weliswaar bij verstoring omhoog gehouden maar hebben voornamelijk een afschrikkende functie. Een oorworm kan niet steken met de aanhangsels zoals angeldragende insecten dat doen. Een 'kneep' van een oorworm is bij de mens wel voelbaar maar zal geen verwondingen toebrengen.
Naam thumb|260px|Oorwormen hebben een uniforme bouw, hier een soort uit India. De wetenschappelijke naam van de oorwormen is Derma(-)ptera. Deze naam betekent letterlijk huid-(derma) vleugeligen (ptera) en verwijst naar de dunne en vliezige achtervleugels waarmee een aantal soorten kan vliegen. De wetenschappelijke naam van de grootste groep van de oorwormen, de familie Forficulidae, verwijst naar de verharde achterlijfsaanhangsels, furficula betekent 'schaartje'.
Nederlandstalige naam De Nederlandse naam oor-worm is in twee opzichten onjuist; oorwormen zijn géén wormen en zijn evenmin aangepast aan een verblijf in het oor van dieren of mensen. Omdat ze dikwijls in nauwe spleten aangetroffen worden, werd wel gedacht dat ze zich in de gehooropening van mensen ophouden. Ook deden er verhalen de ronde over oorwormen die zich door het trommelvlies heen aten en eitjes legden in de hersenen. Een meer aannemelijke verklaring is dat de vorm van de opengespreide vliezige vleugels een gelijkenis vertoont met het menselijk oor. Oorwormen zijn echter nooit parasitair en kunnen zich niet handhaven in andere dieren. Er zijn wel enkele gedocumenteerde gevallen bekend waarbij een oorworm in de gehoorgang van een mens werd aangetroffen. Oorwormen zoeken de mens hierbij niet in huis op, dergelijke gevallen komen soms voor bij kampeerders die in het open veld slapen. De oorworm werd in vroeger tijden als traditioneel medicijn tegen doofheid gezien. De gedroogde en gemalen oorwormen werden vermengd met hazenurine. De zo ontstane 'oorwormolie' diende vervolgens in het oor te worden aangebracht. Sommige Nederlandstaligen gebruiken eerder oorwurm dan oorworm. Dat is ook terug te horen in de uitdrukkingen "Een gezicht als een oorwurm" (kijken met een bozige, vertoornde blik) en een oorwurm in de muziek.
Andere talen De vermeende gewoonte om in oren te kruipen is in de naamgeving van de groep terug te vinden in vele talen. In het Duits worden ze "Ohrwürmer" genoemd en in het Engels "earwigs", analoog aan het Nederlandse oorworm. Oorwormen hebben verschillende Nederlandse namen die per dialect verschillen. Ze voeren vaak terug op het kruipen in de oren of de lichaamsaanhangsels. In het Fries worden oorwormen wel aangeduid met ear(ke)krûper, foarkestekker, knypsturt, eartyk en knyptange, in Groningen en Drenthe (Nedersaksisch) als knieptange en oortiek, in Overijssel gaffeltange en in de Achterhoek met gaffeltand. In het West-Vlaams spreekt men van een oorebeeste. In het Urks dialect is de aanduiding skallebieters.
Verspreiding en habitat Oorwormen hebben een wereldwijde verspreiding en komen voornamelijk voor in begroeide gebieden waar voldoende schuilplaatsen voorhanden zijn. Alleen in heel koude of erg droge streken zoals woestijnen komen geen oorwormen voor. De meeste soorten leven in warme en vochtige, tropische gebieden in Azië en Amerika. In het centrale en noordwestelijke deel van Europa komen slechts zeven soorten oorwormen voor. Sommige oorwormen hebben een zeer klein verspreidingsgebied doordat ze geografisch geïsoleerd zijn geraakt. Een voorbeeld is Labidura herculeana, die alleen gevonden is op het Atlantische eiland Sint-Helena.
De meeste oorwormen kunnen in het geheel niet vliegen, omdat ze geen functionele vleugels hebben en ook de sterk gevleugelde soorten vliegen slechts zelden. Oorwormen kunnen hierdoor in de regel geen grote afstanden afleggen zoals veel andere insecten als libellen en vlinders. Sommige oorwormen hebben zich desondanks verspreid over verschillende werelddelen wat te danken is aan het internationale goederentransport van planten en andere producten waarin zich oorwormen bevinden.
In België en Nederland
In België en Nederland komen van nature vijf verschillende soorten oorwormen voor. De bekendste soort is de grote of gewone oorworm (Forficula auricularia). Deze soort wordt 10 tot 16 millimeter lang, heeft een donkerbruine kleur en grote tangachtige achterlijfsaanhangsels waarvan de lengte echter variabel is. Andere soorten die in België en Nederland voorkomen zijn de bosoorworm, de kleine oorworm, de zandoorworm en de soort Apterygida media, die nog geen Nederlandstalige naam heeft. De zandoorworm is met een lengte tot 26 millimeter de grootste vertegenwoordiger. Anechura bipunctata is een soort die zuidelijker in Europa voorkomt en in de Alpen tot boven de boomgrens kan worden aangetroffen. Naast de inheemse soorten wordt ook de uit warme omstreken afkomstige ringpootoorworm (Euborellia annulipes) waargenomen in kassen, waar deze als plaag kan optreden.
Uiterlijke kenmerken thumb|300px|Lichaamskenmerken van de oorworm. Oorwormen hebben een typische insectachtige bouw, met vooraan de kop of cephalon (A), daarachter het borststuk of thorax (B) en ten slotte het achterlijf of abdomen (C). Achter de kop is het halsschild of pronotum (1) gelegen, deze plaat bedekt het voorste deel van het borststuk. Het achterste deel draagt de voorvleugels (2) en de achtervleugels (3). Het achterlijf wordt beschermd door platen, de tergieten (4) aan de bovenzijde en de sternieten aan de buikzijde. Oorwormen hebben een langwerpig, afgeplat lichaam met aan de achterzijde twee duidelijk zichtbare achterlijfsaanhangsels of cerci (5). De achterlijfsaanhangsels zijn bij de juveniele dieren of nimfen draadachtig van vorm. Bij de volwassen exemplaren zijn ze echter sterk vergroot en verhard, stijf en tangachtig. Dergelijke structuren komen bij andere insecten niet voor waardoor de oorwormen eenvoudig van alle andere groepen zijn te onderscheiden.
De meeste oorwormen worden tot enkele centimeters lang, uitschieters kunnen nog langer worden maar dergelijke soorten komen alleen voor in tropische streken. De soort Labidura herculeana kan een lengte bereiken van meer dan 8 centimeter en is de grootst bekende moderne soort. Vrijwel alle oorwormen hebben een roodbruine tot bruine of grijze tot zwarte kleur, slechts enkele soorten hebben meer bonte kleuren.
Kop left|thumb|260px|Delen van de kop. Aan de voorzijde van de kop zijn twee paar tasters aanwezig, die aan de bovenzijde worden de labiale palpen of liptasters (1) genoemd en die aan de onderzijde de maxillaire palpen of kaaktasters (2). De oorworm heeft bijtende monddelen (prognaath) aan de voorzijde van de kop. De kop draagt twee duidelijk gesegmenteerde antennes (3), die bij de meeste soorten vrij lang zijn. Het aantal segmenten kan oplopen tot 52 maar meestal is het aantal kleiner. Bij de bekende gewone oorworm komen 15 segmenten voor. De antennes hebben een tastzintuiglijke functie en dienen om prooien en soortgenoten op te sporen. De ogen (4) zijn klein en kraal-achtig en meestal vrij goed zichtbaar door de lichtere kleur van de kop. Oorwormen verschillen van veel gevleugelde insecten doordat ze geen ocelli hebben. Deze structuren komen wel voor bij enkele grote insectengroepen zoals de kevers, de vliesvleugeligen, de rechtvleugeligen en de libellen. Ocelli zijn drie kleine 'bij-oogjes' aan de bovenzijde van de kop. De voorouders van de oorwormen hadden wel ocelli, maar zijn deze in de loop der evolutie weer verdwenen. De voorzijde van de kop of clypeus (5) is bij veel soorten onbehaard. De bovenzijde van de kop wordt beschermd door een plaat die het kopschild of vertex (6) wordt genoemd.
Borststuk Het borststuk wordt aan de voorzijde beschermd door het halsschild of pronotum. Het grootste deel van het borststuk is gelegen onder de vleugels en het borststuk draagt - net als bij alle insecten - drie paar poten aan de onderzijde en in principe twee paar vleugels aan de bovenzijde; een paar voorvleugels of elytra en een paar achtervleugels of tegmina.
De bovenzijde van het borststuk wordt beschermd door de verkorte voorvleugels, aan de onderzijde wordt het lichaamsdeel beschermd door de drie hier aanwezige platen, die corresponderen met de drie delen van het borststuk. Aan de voorzijde van het borststuk, de prothorax, wordt de onderzijde beschermd door het prosternum, in het midden (aan de mesothorax) door het mesosternum. Aan de achterzijde van het borststuk ten slotte is het metasternum aanwezig onder de metathorax. Elk borststuksegment draagt een paar poten. De poten kunnen heel verschillend zijn in vorm en grootte, de meeste soorten hebben korte en stevige poten maar er zijn ook soorten, zoals bewoners van grotten, die juist lange en sprieterige poten hebben. Wat oorwormen wel allemaal gemeen hebben is de bouw van de voet of tarsus; het gelede uiteinde van de poot. Deze bestaat uit drie segmenten, terwijl alle andere insecten in principe vijf leden hebben. De soorten uit de familie Forficulidae zijn verder te herkennen aan het tweede (middelste) tarsusdeel, dat twee lobben draagt.
Achterlijf thumb|260px|Bij de dreighouding van de oorworm worden de cerci omhoog gekromd. Het achterlijf bevat de organen, zoals de darmen en de voortplantingsorganen. Het achterlijf van de meeste insecten - zoals kevers en wantsen - is door de aanwezigheid van de verharde voorvleugels goed beschermd maar door het ontbreken van dergelijke beschermende schilden is het achterlijf van oorwormen grotendeels geëxposeerd. Het is verhoudingsgewijs lang en afgeplat en duidelijk gesegmenteerd. Aan de bovenzijde wordt het beschermd door de rugplaten of tergieten, aan de onderzijde door de buikplaten of sternieten. Het achterlijf van de mannelijke oorworm heeft altijd 10 segmenten, een vrouwtje heeft er acht.
Cerci Het uiteinde van het achterlijf draagt de kenmerkende pincet-achtige achterlijfsaanhangsels. Deze structuren worden bij insecten de cerci genoemd en de speciale vorm van de cerci van oorwormen wordt forceps genoemd, wat 'schaar' betekent. De forceps zijn stijf en solide, iedere cercus bestaat uit een enkelvoudig deel en is niet gesegmenteerd.
De soorten uit de kleine onderorde Hemimerina, die als primitief worden beschouwd, hebben draadvormige aanhangsels (filiform). Soorten uit de onderorde Arixenina hebben staafvormige aanhangsels (bacilliform). Bij deze twee groepen zijn de cerci wel gesegmenteerd en dragen een lichte beharing, ze dienen als tastzintuig. Bij de meeste insecten die achterlijfsaanhangsels bezitten zijn deze gesegmenteerd, met als uitzondering veel rechtvleugeligen.
Seksuele dimorfie