thumb|350px|Leuven aan het einde van de 19e eeuw.
Dit artikel behandelt de geschiedenis van Leuven tot 1968.
De vroegste bewoners (tot 58 v.Chr.) In 130.000 v.Chr. waren de eerste mensen aanwezig in de streek. Hiervan getuigen enkele afslagen van vuursteen, gevonden rond Leuven. De eerste vaste bewoning kwam er echter pas rond 3500 v.Chr. Resten hiervan zijn onder andere het Monarkengraf en de naastgelegen ringwalheuvel in het Heverleebos in het zuiden van de gemeente.
Rond 160 v.Chr. leefden er twee stammen: de Nerviërs en de Eburonen, de Nerviërs ten westen en de Eburonen ten oosten van de Dijle. Ze bouwden hun nederzettingen vooral op de hoogten rond de Dijlevallei. Hun hutten waren van hout en leem, ze leefden van veeteelt en landbouw. Ook was er wol- en aardewerkproductie.
De Romeinen (58 v.Chr. - 3e eeuw) Toen Julius Caesar Gallië onderwierp, werden de Eburonen gedecimeerd, of als Toxandriërs verjaagd, maar niet uitgeroeid. De nieuwe bewoners waren de Tungri, waar ook Tongeren naar vernoemd werd, en waar de Eburonen in opgingen.
De Dijle was de grens tussen de Civitas Nerviorum (ten westen) en de Civitas Tungrorum (ten oosten), volgens historicus en Leuvens stadsarchivaris Edward Van Even. Deze indeling werd door de Kerk gebruikt tot in 1559 (bul Super Universas). Dit had tot gevolg dat het Leuvense gewest lange tijd tot twee bisdommen behoorde: Kamerijk (oorspronkelijk dioecesis Nerviorum) en Luik (oorspronkelijk dioecesis Tungrorum). De woongebieden langs Dijle en Demer waren voor de Nerviërs en dus het latere bisdom Luik.http://www.fabrice-muller.be/liege/histoire/diocese.html. Gearchiveerd op 22 mei 2023. Uit opgravingen is gebleken dat rond 50 n.Chr. er bebouwing was in het centrum van het huidige Leuven. De locatie van deze nederzetting - op het kruispunt van de weg Tienen-Elewijt en de Dijle - was zeer gunstig. Rond Leuven werden enkele Romeinse villa's gebouwd. Leuven en omstreken waren evenwel dicht bebost.
Na de invallen van de Germanen in de 3e eeuw was het inwonertal sterk verminderd.
De eerste nederzetting en het graafschap Leuven (8e eeuw - 1150) thumb|250px|Een restant van de eerste omwalling in het Sint-Donatuspark.In de 8e eeuw werd de bevolking tot het christendom bekeerd. Hubertus van Luik is hier een belangrijke naam. De eerste kerken werden gesticht, zoals vermoedelijk ook de Sint-Pieterskerk in Leuven.
Rond 700 telt Leuven enkele woonkernen. Vooral het huidige stadscentrum werd bewoond. Rond het jaar 1000 werden op andere delen van het grondgebied - langs de grote wegen - nederzettingen gesticht, bijna steeds met een kapel. Leuven telde ook een kleine groep vrije edelen.
In 870 was Leuven de hoofdstad van een gelijknamig graafschap. Dat graafschap besloeg het gebied tussen de Demer en de Dijle en tussen de Wasbeek en de Lobeek. Leuven werd waarschijnlijk als hoofdplaats gekozen door zijn gunstige ligging aan de Dijle en heirbaan Boulogne-Keulen. In 884 veroverden de Noormannen Leuven en konden er hun winterkamp opslaan omdat een Frankisch leger er niet in slaagde hen te verdrijven.
In 891 werd voor de eerste keer de naam Lovanium of Loven vermeld en wel in de Annales FuldensesAnnales Fuldenses 891 (trad. ). Gearchiveerd op 8 juli 2023. naar aanleiding van de Slag bij Leuven, waarbij Arnulf van Karinthië er de Vikingen wel kon verslaan. Voor deze naam zijn twee mogelijke verklaringen:
Loven: lo staat voor bos en ven voor moeras. Een mogelijke betekenis voor Leuven is dus een moeras in het bos (dit is de Germaanse versie). Lovanium (ook: Luvanium) zou snel water betekenen, naar een snelstromend beekje ten zuiden van de huidige stad, waar de eerste bebouwing was geconcentreerd (dit is de Romaanse versie).
De eerste graaf van Leuven die in geschreven bronnen wordt vermeld, was Lambert I van Leuven, achterkleinzoon van Reinier I (875-915), die tussen 910-915 markgraaf was in het koninkrijk Lotharingen. Via zijn huwelijk met Gerberga van Neder-Lotharingen, dochter van hertog Karel van Neder-Lotharingen, verwierf hij eveneens een graafschap in de Brabantgouw, het zogenaamde graafschap Brussel, gelegen tussen de Zenne en de Dijle.
Lambert I gaf Leuven een nieuw aanblik. De oude burcht, die in 884 door de Noormannen veroverd is geweest, werd verplaatst naar een eiland in de Dijle. De eerste handel begon ook op te komen. Godfried I liet een nieuwe Sint-Pieterskerk bouwen, in Maasromaanse stijl. De kerk werd weldra de grootste van de regio: het schip was 24 meter lang en 8 meter breed, de zijbeuken waren 4 meter breed. Later kwam hier een toren bij en een crypte. De kerk was een teken van de groeiende welvaart en bevolking.
Het oudste stadsziekenhuis stond ook in Leuven. In 1080 stichtte Heryward het Sint-Pietersziekenhuis, waar armen een maaltijd en logies konden krijgen. In 1150 werd de eerste stenen omwalling gebouwd, ter vervanging van een aarden wal. Zo moesten de handel en nijverheid bevorderd worden. De omwalling was 2750 meter lang.
In 1085-1086 werd een tweede graafschap (gesitueerd tussen de Dender en de Zenne) uit de Brabantgouw onder vorm van landgraafschap door keizer Hendrik IV aan Hendrik III van Leuven in leen gegeven. Dit landgraafschap werd in 1183 tot hertogdom verheven, waardoor de institutionele grondslag van het hertogdom Brabant werd gelegd.
Het bestuur ging ook vooruit. Tussen 1100 en 1130 trad het Leuvens recht in werking, dat door de graven van Leuven ook werd opgedrongen aan andere steden. Rond 1140 was er ook reeds een schepenbank. Leuven was rond 1150 een echte stad geworden.
In 1106 had Godfried I van Leuven bovendien ook het hertogdom Neder-Lotharingen van de Duitse keizer in leen gekregen, waarin als ambtsleen het markgraafschap Antwerpen vervat zat. In 1190, meer bepaald op de landdag van Schwäbisch Hall, werd het hertogschap in Neder-Lotharingen echter alle gezag ontnomen. In ruil verkregen de graven van Leuven het recht om hertogelijk gezag uit te oefenen binnen hun eigen territoria. Dit wordt historiografisch als het ontstaan beschouwd van het hertogdom Brabant. Godfried probeerde het oosten van de stad wat dichter te bevolken, onder andere door de stichting van de Abdij van Park.
In 1055, 1130 en 1176 woedden in Leuven grote stadsbranden.
Tot 1252 mochten er in de kapellen geen sacramenten toegediend worden, buiten hosties uitdelen. Ook mochten er geen begrafenissen gehouden worden. In 1252 werd Leuven ten slotte opgedeeld in vijf parochies.
De eerste bloei (1150-1350) alt=|rechts|miniatuur|Ets van de Leuvense vleeshal, gebouwd in de 17e eeuw nadat de vorige was afgebrand. In 1914 werd het gebouw vernield, waarna het Matthieu de Layensplein op de vrijgekomen plaats werd aangelegd. thumb|250px|Het Groot Begijnhof Hoewel in 1267 Brussel de hoofdstad van het hertogdom werd, bleef Leuven nog lange tijd belangrijker dan Brussel. Jan I verplaatste waarschijnlijk zijn residentie naar Brussel omdat de Leuvenaars geprotesteerd hadden tegen zijn aanstelling.
De macht van Leuven groeide echter, onder andere door de geldnood van de hertogen. Die moesten daarom geld lenen van de steden. De steden kregen in ruil nieuwe voorrechten. Zo was in 1234 het grootste deel van het Loo, het gemeentebos, eigendom van de stad. In datzelfde jaar werden ook hun rechten opnieuw omschreven. Leuven hoefde niet langer te betalen voor zijn stadswallen. Alleen de plaatselijk rechtbank (zeven schepenen, onder leiding van een meier) mocht in Leuven recht spreken.
De bevolking groeide gestaag. Enkele duizenden inwoners woonden nu in Leuven. Die bevolking kon echter niet onderhouden worden bij gebrek aan voldoende landbouwgrond en daarom weken velen uit. Maar de groei zorgde ook ervoor dat men niet meer boer hoefde te worden. Een beroep in de handel of de nijverheid werd mogelijk.
Daar waren wel gebouwen voor nodig. In 1216 telde Leuven onder meer een vishuis, een broodhuis (op de huidige Grote Markt), een vleeshal (huidige Matthieu de Layensplein) en een lakenhal, die tegenwoordig deel uitmaakt van de Katholieke Universiteit Leuven.
Deze hallen waren eerst eigendom van de hertog, later van de stad. Ook liet de hertog wegen en bruggen aanleggen. Een voorbeeld van de groeiende nijverheid is de wolindustrie. Rond 1250 trokken relatief veel textielarbeiders vanuit Vlaanderen naar Leuven.
Nu was er een grote bevolkingsgroei: rond 1300 waren er 20.000 inwoners. Na 1340 kwam er echter weer een terugval. Het zou tot 1800 duren voordat dit aantal weer behaald werd.
De kloosterorden kwamen ook naar Leuven, zoals de minderbroeders (in 1233), de augustijnen (in 1248) en de Magdalenazusters (in 1248). Ook de begijnenhoven - het Groot Begijnhof (in 1232) en het Klein Begijnhof (rond 1275) - werden gebouwd.
De bebouwing was in de stad zelf nog erg landelijk: slechts enkele straten waren gekasseid, de bebouwing was niet aaneengesloten, maar ertussen stonden tuinen en wijngaarden. Ook waren, buiten de kerkelijke gebouwen en de huizen van enkele rijke patriciërs, alle huizen van hout en leem.
Leuven verliest aan belang (1350 - 1400) Brussel werd weldra groter en rijker dan Leuven. Ook Antwerpen groeide. Intussen staken sociale spanningen de kop op in Leuven. De lonen waren laag, de kans op hongersnood groot. De hertog kon het steeds minder goed vinden met de stad. Bovendien verminderden de lakenindustrie en de wijnhandel. Daarbij kwam dan nog de uitbreking van de Brabantse Successieoorlog in 1355, net toen Leuven diep in de geldbeugel moest tasten voor een nieuwe omwalling. Deze werd in 1360 opgeleverd en was meer dan zeven kilometer lang.
De dure vestingsmuren werden voorzien van acht poortgebouwen, waarbij de stad letterlijk gesloten kon worden.Edward van Even, Louvain dans le passé et dans le présent, Leuven, Edition Auguste Fonteyn, 1895. De namen van de acht poortgebouwen zijn de volgende, met de oudste namen tussen haakjes vermeld: de Diestse poort (Dorpstrate Buiten-Poort; Vlierbeekse poort); de Tiense poort (Hoelstrate Buiten-Poort); de Parkpoort; de Naamse poort (Poort te Hove ter Beke; Hoovepoort; Heverse Poort); de monumentale Tervuurse poort (Groefpoort; Bankpoort; oude Brusselse poort) waarbij de reizigers die door de poort gingen onder de wortels van bomen stapten; de Brusselse poort (Wyngaerdenpoort; Vilvoordse poort); de Mechelse poort (Wilselse poort; Buiten-Borch poort) en ten slotte de Kanaalpoort (Utlake poort; Sint-Jobspoort; Aarschotse poort; Vaartpoort).
Op het hoogste punt werd nog een (te) dure toren gebouwd, genaamd Grote Toren, die later Verloren Kost werd genoemd, want deze vestingstoren werd nauwelijks gebruikt. De nieuwe vesting was nodig om de 'buitenparochies' van Leuven zoals Sint-Kwintens en Sint-Jacobs te beschermen tegen invallen van de Vlaamse graaf Lodewijk van Male. De omwalde oppervlakte van de stad werd op die manier bijna zeven keer groter. Tot 1750 werd er echter alleen gebouwd rond de grote wegen, pas tijdens de 20e eeuw raakte het gebied helemaal dichtgebouwd.
De stichting van de universiteit (1400 - 1600) thumb|250px|De westgevel van de Sint-Pieterskerk, die drie torens had moeten dragen. thumb|250px|Het stadhuis van Leuven.|alt=|links thumb|De pestepidemie van 1578
Omstreeks 1400 werden enkele nieuwe nijverheden geïntroduceerd in Leuven: de linnenweverij, de lederbewerking, ... De bevolking werd weer rijker, en zo steeg ook het bier- en wijnverbruik, zodat nieuwe brouwerijen konden ontstaan.
In 1410 kreeg de Sint-Pieterskerk een nieuw koor. Daarna werd de oude kerk geleidelijk afgebroken en vervangen door een driebeukige kerk in Brabantse gotiek. Sulpitius van Vorst leidde de werken tot zijn dood in 1439. Jan II Keldermans en Matthijs de Layens volgden hem op. Het oorspronkelijke plan is, zoals bij zovele grote kerken, nooit helemaal uitgevoerd. De torens zouden 168 meter hoog moeten worden, maar geraakten ten gevolge van stabiliteitsproblemen niet boven de 50 meter.https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/42127 Na een instorting werden ze zelfs nog lager.