Diplodocus is een geslacht van uitgestorven sauropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Diplodocidae, dat leefde tijdens het Laat-Jura, ongeveer 150 miljoen jaar geleden, in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

Het eerste fossiel van Diplodocus werd in 1877 ontdekt in de Verenigde Staten. Het dier kreeg in 1878 van de beroemde Amerikaanse paleontoloog professor Othniel Charles Marsh zijn naam, die 'dubbele balk' betekent. Die naam slaat niet op de vorm van het lichaam, zoals vaak te lezen valt, maar op de balkvormige dubbele uitsteeksels aan de onderkant van de staartwervels. De eerst benoemde typesoort is Diplodocus longus. Later werden er nog drie soorten benoemd: Diplodocus lacustris, Diplodocus carnegii en Diplodocus hayi. De soorten verschillen maar weinig van elkaar, maar bij D. lacustris gaat het vermoedelijk om een andere dinosauriër; D. hayi is later hernoemd tot Galeamopus. Een probleem is dat de fossielen die oorspronkelijk als D. longus benoemd zijn van zulke slechte kwaliteit waren dat die naam niet meer toepasselijk is op andere vondsten, hoewel er daarvan veel ooit bij ondergebracht zijn. De enige echte soort die dan overblijft, is D. carnegii waarvan enkele vrij complete skeletten bekend zijn.

Diplodocus was een erg langgerekt dier dat zeker vijfentwintig meter lang kon worden en twaalf ton zwaar. Er bestaat een nauw verwante soort, Seismosaurus hallorum, waarvan veel geleerden denken dat het eigenlijk een grote Diplodocus-soort is die Diplodocus hallorum genoemd kan worden, welke naam dan het onbruikbare D. longus kan vervangen voor het oude botmateriaal. Als dat waar is, werd Diplodocus nog veel groter, tot ver boven de dertig meter lengte. Toch was Diplodocus niet zo zwaar voor zijn grootte. Veel botten waren lichtgebouwd en hol van binnen om gewicht te besparen en verbonden met grote luchtzakken in de romp die ook zorgden voor een goede ademhaling. Misschien betekende dit dat het dier warmbloedig was. In ieder geval groeiden de jongen na het uitkomen uit het ei erg snel.

Diplodocus had een lange nek, een kortere zware romp en een erg lange staart die niet over de grond sleepte maar horizontaal gehouden werd. Hij stond recht op de poten waarvan vooral de achterpoten lang en stevig waren. De voorpoten waren wat korter en dunner. Diplodocus kon door zijn rechte achterpoten niet rennen maar wel vrij snel stappen. De nek droeg een kleine langwerpige kop met hoge neusgaten en vooraan lange tanden die als een hark werkten. Daarmee trok het dier naalden van naaldbomen, die heel werden ingeslikt en in de grote buik verteerd. De wetenschappers zijn het er niet over eens waarvoor de lange nek diende. Sommigen denken dat de nek schuin omhooggehouden kon worden om in de boomtoppen te eten. Anderen denken dat de hals niet sterk gebogen kon worden en dat het dier zich ook niet op de achterpoten kon oprichten. In plaats daarvan zou het alleen lage planten gegeten hebben. Diplodocus kon zich verdedigen tegen roofdieren, zoals Allosaurus, met zijn lange staart die als een zweep werkte en misschien ook met zijn lange scherpe duimklauwen. De kleur van Diplodocus is onbekend, maar hij had hoornstekels op zijn rug en bijna zeker een geschubde huid.

Diplodocus is een van de bekendste dinosauriërs geworden doordat in het begin van de twintigste eeuw de schatrijke Amerikaanse staalfabrikant Andrew Carnegie kopieën van het skelet dat hij had laten opgraven van de Diplodocus-soort die naar hem vernoemd werd, D. carnegii, aan de keizers, koningen en presidenten van andere landen gaf om ze in hun nationale musea te zetten.

Vondsten en naamgeving thumb|Marsh benoemde de eerste twee diplodocussoorten

Het eerste Diplodocus-skelet werd in augustus 1877 gevonden bij Cañon City, Colorado, door Benjamin Franklin Mudge, nabij de ranch van Marshall Parker Felch. Hij groef het op samen met Samuel Wendell Williston. Beiden waren medewerkers van de paleontoloog Othniel Charles Marsh die in 1878 de typesoort van het geslacht, Diplodocus longus, beschreef en benoemde. De geslachtsnaam, afgeleid van het Klassiek Griekse διπλόος (diploos), 'dubbel', en δοκός (dokos), 'balk', verwijst naar de vorm van de uitsteeksels aan onderkant van de staartwervels die niet alleen voorste, maar ook achterste takken hebben. De soortaanduiding betekent 'lang' in het Latijn, vermoedelijk een verwijzing naar de opvallende lengte van het dier. Marsh gaf voor dit deel van de naam geen etymologie, maar het specimen was op dat moment het langste bekende landdier, waarvan hij de lengte op vijftien meter schatte. left|thumb|Brown en Osborn met AMNH 223 Het in 1877 gevonden holotype YPM 1920 kwam uit Felch Quarry 1 in de Garden Park-vindplaats, uit lagen uit het Kimmeridgien - Tithonien, ongeveer 152 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een linkerachterpoot zonder voet, vijf rechter middenvoetsbeenderen en drie staartwervels. Meer skeletdelen waren bewaard gebleven, onder andere het bekken, maar werden wegens hun slechte brokkelige kwaliteit maar weggegooid; de methode om ze met gips te beschermen pasten de Amerikaanse opgravers in die tijd nog niet toe en ze hadden haast om de ongeduldige Marsh zo snel mogelijk van nieuwe fossielen te voorzien, vooral ook omdat een team van diens rivaal Edward Drinker Cope in de omgeving werkte en men bang was dat die een bepaalde soort eerder zou benoemen. Bij dezelfde gelegenheid werden de holotypen van Allosaurus fragilis en Othnielia rex gevonden. Overigens was het verlies voor onze kennis van Diplodocus vermoedelijk niet groot: in 1998 concludeerde Kenneth Carpenter dat op de delen van de staart na de botten van het holotype vermoedelijk aan Apatosaurus en wellicht een nog andere, niet te identificeren, sauropode toebehoren. In 2015 trok men daaruit de consequentie D. longus tot een nomen dubium te verklaren; een petitie aan de International Commission on Zoological Nomenclature om een vervangend neotype vast te stellen werd in 2016 ingediend, met de suggestie om dit de later benoemde D. carnegii te laten zijn. Dit werd echter afgewezen in 2018. In september 1883 vond Felch de eerste mogelijke schedel van Diplodocus, specimen USNM 2672, eerder YPM 1921, en in september 1884 een tweede, USNM 2673. In 1883 werd ook een losse ruggenwervel gevonden, USNM 4713. Andere mogelijke schedels zijn AMNH 969 (gevonden door Peter Kaisen in 1903), CM 11161, CM 11162, CM 11255 en CM 3452. Alleen bij dit laatste exemplaar is de schedel echter aan een nek verbonden zodat echt een verband met Diplodocus bewezen kan worden; in 2015 was die nek echter nog niet beschreven. Zekere schedels zijn dus onbekend. In 1897 groef Barnum Brown specimen AMNH 223 op, toentertijd het meest complete. In 2015 concludeerde een studie dat dit specimen van Seismosaurus (D. hallorum) was.

In 1884 benoemde Marsh een tweede soort: Diplodocus lacustris, op grond van het kleinere specimen YPM 1922, door Arthur Lakes opgegraven in Lakes Quarry 5 bij Morrison in Colorado. De soortaanduiding betekent 'van het meer' in het Latijn en is een humoristische verwijzing naar de naam Lakes. Sinds de jaren negentig van de twintigste eeuw wordt aangenomen dat het hier een nomen dubium betreft: door de slechte kwaliteit van de fragmentarische resten, slechts bestaande uit bijna vergane stukken van de snuit en bovenkaaksbeenderen waarin alleen nog de tanden goed bewaard zijn, kan niet vastgesteld worden om welke soort het precies gaat. Vermoedelijk is het exemplaar afwijkend omdat het een juveniel dier is. Het vertegenwoordigt wel het eerste schedelmateriaal dat ooit van een sauropode beschreven is. In 2015 werd geopperd dat het om een fossiel van Camarasaurus zou gaan. left|thumb|Een replica van D. carnegii thumb|USNM 10865 in het Dinosaur National Monument In 1901 benoemde John Bell Hatcher een derde soort: Diplodocus carnegii op grond van een vrij volledig op 4 juli 1899 door Arthur Coggeshall ontdekt skelet, vanaf 1900 opgegraven door Jacob Lawson Wortman, CM 84, in de 1900 Carnegie Quarry D(3), in de Sheep Creek-vindplaats in Albany County, Wyoming. De soortaanduiding eert de staalmagnaat Andrew Carnegie die in 1898 een expeditie op touw gezet had om een gigantische sauropode te vinden die door William Harlow Reed, een vroegere medewerker van Marsh, gemeld was. Die werd in feite niet aangetroffen maar het gave skelet van een Diplodocus, in de buurt waarvan ook andere gedeeltelijke skeletten werden opgegraven, maakte veel goed. Carnegie gaf vele replica's van het opgestelde skelet aan musea over de hele wereld weg. Deze reconstructie is echter een composiet van acht verschillende specimina, met ook nog delen van CM 94, CM 307, CM 21775, CM 33985, HMNS 175, USNM 2673, en AMNH 965, waarbij de ontbrekende handen door een eerdere foute identificatie door Henry Fairfield Osborn werden aangevuld door de voeten van Camarasaurus!

left|thumb|HMS 175, tegenwoordig Galeamopus

Een vierde soort werd in 1924 benoemd door William Holland, de directeur van het Carnegie Museum, op grond van een robuust skelet, HMS 175 (eerder CM 662) dat door William Utterback in 1902 bij Sheridan was gevonden in de Red Fork Powder River Quarry A: Diplodocus hayi. De soortaanduiding eert Oliver Perry Hay. De fragmentarische vondst bestaat uit delen van de schedel, de wervels en de ledematen. De staartwervels zijn vrij kort en minder uitgehold. De voorste ledematen van de Carnegie-replica's bestaan uit afgietsels van de armen van CM 662 die op schaal gebracht zijn. In 2015 werd deze soort benoemd als een apart geslacht Galeamopus.

thumb|De wervels van USNM 10865 met daarachter Gilmore

Andere overblijfselen van Diplodocus zijn in de twintigste eeuw in dezelfde Morrisonformatie aangetroffen, die zich uitstrekt over de middenwestelijke staten van de Verenigde Staten: Colorado, Utah, Montana en Wyoming. Vele honderden specimina zijn nu bekend, waarvan de meeste uit kleinere fragmenten en losse botten bestaan, maar die ook nieuwe, bijna volledige skeletten omvatten. Daarbij ontbreekt doorgaans de schedel: vijf skeletten zonder, waaronder het vrij complete WDC-FS001A, zijn aan D. carnegii toegewezen en verder honderden losse beenderen. Vooral het Dinosaur National Monument in Utah leverde vanaf 1909 belangrijke vondsten op die aan D. longus zijn toegewezen, de skeletten USNM 10865 en DNM 1494 en de schedel CM 11161. Volgens Carpenter staan die echter in vorm tussen D. longus en D. carnegii in en zouden wellicht een nog onbenoemde soort kunnen vormen. Ook het belangrijke specimen AMNH 223 zou hieraan kunnen toebehoren. In 2015 werden naast AMNH 223 ook DMNS 1494 en USNM 10865 aan Seismosaurus/Diplodocus hallorum toegewezen. De verschillen tussen de benoemde Diplodocus-soorten zijn overigens gering en beperken zich grotendeels tot de proporties van de wervels — YPM 1920 heeft wat kortere staartwervels dan CM 84 — de vorm van de richels op de wervelzijden en de hoek van de doornuitsteeksels, waarbij de getoonde variatie vaak niet groter is dan kan worden aangetroffen tussen de verschillende wervels van een enkel individu of zelfs de linker- en rechterkant van eenzelfde wervel. Het holotype komt uit wat oudere lagen dan de andere exemplaren en zou een eerdere evolutiefase van dezelfde populatie kunnen vertegenwoordigen. Charles Whitney Gilmore achtte in 1932 D. carnegii een jonger synoniem van D. longus.

Sinds 2006 wordt vaak aangenomen dat Seismosaurus, een geslacht benoemd op grond van een zeer groot exemplaar, of identiek zou zijn aan D. longus of een aparte soort in dat geslacht zou vertegenwoordigen: Diplodocus hallorum. In dat laatste geval kan naar keuze echter ook de naam Seismosaurus gebruikt worden, zoals verschillende onderzoekers blijven doen. Als D. longus als een nomen dubium beschouwd wordt, is Seismosaurus/Diplodocus hallorum de vervangende naam voor de belangrijkste exemplaren die ooit aan die eerste soort toegewezen zijn.

Beschrijving Algemene bouw en grootte left|thumb|350px|Een groottevergelijking met de mens