De prijselasticiteit van de vraag of eigen prijselasticiteit van de vraag (vaak afgekort tot prijselasticiteit) is een uit de micro-economie afkomstige maatstaf voor de gevoeligheid van een prijsverandering van een goed op de gevraagde hoeveelheid van dat goed. De prijsverandering en de verandering van de gevraagde hoeveelheid worden beide uitgedrukt als percentages, zodat de uiteindelijke uitkomst dimensieloos is. De waarde is meestal een negatief getal, omdat een prijsverandering bijna altijd leidt tot een tegengestelde verandering in de gevraagde hoeveelheid. De prijselasticiteit van de vraag wordt gebruikt om het effect van een prijsverandering op de omzet te bepalen.

Binnen de micro-economie wordt de vraag naar een goed geanalyseerd volgens het ceteris paribus-principe, waardoor bij de berekening van de prijselasticiteit andere vraagbepalende factoren dan de prijs van dat goed (zoals inkomen, prijzen van andere goederen, het aantal vragers of hun voorkeuren) constant worden verondersteld.

Berekening Bij meetbare veranderingen Het gaat bij de bepaling van de prijselasticiteit om twee begrippen, prijs en gevraagde hoeveelheid, die met elkaar in causaal verband worden gebracht. Wiskundig gebeurt dit door de begrippen te delen, waarbij het gevolg (hier: de relatieve hoeveelheidsverandering) steeds boven de deelstreep en de oorzaak (hier: de relatieve prijsverandering) steeds onder de deelstreep staan. In formulevorm is dat:

Procentuele (of relatieve) veranderingen hebben als voordeel dat de uitkomst onafhankelijk is van de oorspronkelijke meeteenheden. Bij absolute veranderingen zal bij een keuze voor euro's en kilogrammen de uitkomst anders worden dan bij een keuze voor eurocenten en grammen. Bij procentuele veranderingen is de uitkomst dimensieloos. Dit maakt onderlinge vergelijkingen van elasticiteiten van verschillende goederen mogelijk. De procentuele veranderingen worden steeds berekend ten opzichte van de oude waarden.

Voorbeeld: Als de prijs van een goed stijgt van €2,00 naar €2,20, dan daalt de gevraagde hoeveelheid van 200 kg naar 150 kg. De prijselasticiteit bij deze combinatie van prijs en gevraagde hoeveelheid van dat goed is dan

De uitkomst van -2,5 betekent dat een prijsdaling van bijvoorbeeld 1% zal leiden tot een stijging van de gevraagde hoeveelheid met 2,5% (want ―2,5 × ―1% = +2,5%). Een prijsstijging van bijvoorbeeld 2% zal leiden tot een daling van de gevraagde hoeveelheid met 5% (want ―2,5 × 2% = ―5%).

Puntelasticiteit In de economische werkelijkheid zijn veranderingen in prijs of hoeveelheid altijd meetbaar. Er is dan sprake van een niet-continu functioneel verband tussen prijs en hoeveelheid. Toch kan het in de economische theorie, zeker bij een modelmatige aanpak, gewenst zijn de verbanden te beschouwen als een continue functie. De veranderingen dienen dan zo klein te worden gemaakt dat ze niet meer meetbaar zijn. De oude en nieuwe prijs vallen nu samen, waardoor ook oude en nieuwe hoeveelheid samenvallen. Er kunnen dan geen procentuele veranderingen meer worden vastgesteld. De hierboven gegeven formule van de elasticiteit voor meetbare veranderingen (segmentelasticiteit) zal moeten worden aangepast tot een formule voor niet-meetbare veranderingen, de puntelasticiteit:

gaat bij een onmeetbaar kleine verandering van de prijs over in:

De afgeleide formule voor de (punt)elasticiteit van de vraag luidt dus:

Hierbij staat voor het (partieel) differentiaalquotiënt van de verandering van de gevraagde hoeveelheid (qv) als gevolg van de verandering van de prijs (p). Wiskundig is dit quotiënt de richtingscoëfficiënt ofwel de eerste afgeleide van de vraagfunctie (of van de raaklijn bij een niet-lineaire functie). De functie moet dan wel expliciet in qv staan (dus de ongespecificeerde vorm qv=(p) hebben), omdat p hier de oorzaak, de onafhankelijke variabele is.

thumb|Figuur 1. Vraagcurve qv = ―2p+10 als p is uitgezet op de verticale as Voorbeeld: een vraagfunctie luidt qv=―2p+10, waarbij p de prijs (in geldeenheden) en qv de gevraagde hoeveelheid van een goed (in stuks) is. Uit de functie volgt dat als p=3 dan qv=4. De prijselasticiteit van de vraag bij deze combinatie is dan

Bij de grafische weergave van een vraagfunctie geldt in de economie de afspraak dat de prijs steeds op de verticale as wordt uitgezet, ook als zoals hier de prijs de onafhankelijke variabele is. Normaal staat in de wiskunde de onafhankelijke variabele op de horizontale as. De grafische weergave in figuur 1 van qv=―2p+10 met p op de verticale as is dan ook eigenlijk de weergave van p=―0,5qv+5. De hellingshoek van die afgebeelde curve wordt weergegeven door , dus het omgekeerde van . Het differentiaalquotiënt van qv=―2p+10 in figuur 1 is dan ook niet tan∠α = , maar . Hiermee dient rekening te worden gehouden als men een vraagfunctie qv=(p) grafisch wil weergeven met p op de verticale as of als men het differentiaalquotiënt van de vraagfunctie qv=(p) direct uit de grafiek wil aflezen terwijl p toch op de verticale as staat.

Prijselasticiteit van de vraag is meestal negatief, maar kan soms positief zijn De gevraagde hoeveelheid reageert meestal tegengesteld op een verandering van de prijs. Als de prijs van een goed stijgt, daalt de gevraagde hoeveelheid en als de prijs daalt, stijgt de gevraagde hoeveelheid. Wiskundig wordt die tegengestelde reactie weergegeven door het min-teken in de elasticiteitsuitkomst.

In de economische theorie wordt gebruik gemaakt van absolute getallen, waarbij wordt afgezien van het teken. Wanneer dan wordt gesproken over groter dan 1, bedoelt men bij een feitelijk negatief getal eigenlijk kleiner dan ―1. Omdat normaal de prijselasticiteit van de vraag een negatief getal is en om verwarring bij het gebruik van de termen groter dan en kleiner dan te vermijden, wordt hier steeds uitgegaan van de feitelijke waarde van de prijselasticiteit.

Slechts in uitzonderlijke gevallen beweegt de gevraagde hoeveelheid van een goed zich in dezelfde richting als de prijsverandering. De waarde van de prijselasticiteit is dan een positief getal. Als de prijs van deze goederen stijgt, stijgt ook de gevraagde hoeveelheid en als de prijs daalt, daalt ook de gevraagde hoeveelheid. Deze uitzonderlijke situatie geldt voor twee soorten goederen: Giffen-goederen. Bijvoorbeeld rijst als volksvoedsel in een land met een zeer laag inkomen per hoofd van de bevolking (dat bovendien voor het grootste deel wordt gebruikt voor de aanschaf van voedsel). Bij een prijsverlaging van rijst blijft weliswaar het nominale inkomen gelijk, maar stijgt de koopkracht (het reële inkomen) waardoor ander (beter of voedzamer) voedsel (iets) bereikbaarder wordt. Daarvan zal dan meer worden aangeschaft in plaats van rijst, zodat de vraag naar rijst door de prijsdaling per saldo zal afnemen. Omgekeerd zal bij een prijsstijging van rijst ander, beter voedsel nog minder betaalbaar worden en zal men (om toch zoveel mogelijk calorieën binnen te krijgen) in plaats daarvan meer rijst aanschaffen. Veblen-goederen (of snobgoederen). Deze goederen zijn door hun extreem hoge prijs exclusief, waardoor hun bezit als statusverhogend wordt beschouwd. Bij een eventuele prijsverlaging zal voor sommige vragers het exclusieve karakter verloren gaan, terwijl er door de toch nog hoge prijs nauwelijks nieuwe vragers bij komen. Per saldo neemt de vraag bij prijsverlaging af. Bij een prijsverhoging neemt het exclusieve karakter toe en wordt dit soort goederen nog aantrekkelijker. Een met snobgoederen verwante categorie ontstaat als consumenten de kwaliteit van goederen menen te kunnen beoordelen aan de hand van de prijs. Bij een duurder goed wordt aangenomen dat dat goed dan ook wel van betere kwaliteit zal zijn. Deze redenatie valt echter buiten de ceteris paribus-voorwaarde, omdat hier de behoefte van de consument aan het goed afhankelijk wordt gemaakt van de prijs van dat goed.

Relatie tussen de waarde van de prijselasticiteit en de omzet Vanuit aanbieders beredeneerd is de omzet van een goed het totaalbedrag van de verkopen van dat goed en bestaat uit prijs x verkochte hoeveelheid. Vanuit de vragers beredeneerd is dat hetzelfde bedrag als het totaal van de uitgaven naar dat betreffende goed, dat dan uit prijs x gekochte hoeveelheid bestaat. Als een prijsverandering invloed heeft op de gevraagde hoeveelheid zal het bedrag van de omzet worden beïnvloed door zowel die prijsverandering als ook de hoeveelheidsverandering. Omdat bij een prijsverandering de gevraagde hoeveelheid qv in tegenovergestelde richting verandert, is niet op voorhand vast te stellen wat er met de uitkomst van de omzet (p x qv) gebeurt. In welke mate qv reageert op een prijsverandering is immers afhankelijk van de uitkomst van de prijselasticiteit van de vraag. Hierbij speelt de uitkomst ―1 een grote rol.

Uitgaande van ―1 kan de waarde van de prijselasticiteit in drie categorieën worden ingedeeld: de waarde is kleiner (negatiever) dan ―1, de waarde bevindt zich tussen ―1 en 0 en de waarde is gelijk aan ―1. De uitzonderlijke situatie van een waarde groter dan 0 wordt hier buiten beschouwing gelaten.

Elastische vraag en omzet thumb|Figuur 2. Omzetvergelijking bij prijsdaling als de vraag elastisch is. De blauwe rechthoek is het effect van de prijsafname op de omzet. De paarse rechthoek is het sterkere effect van de hoeveelheidstoename op de omzet. De toename is groter dan de afname. Per saldo is de omzet gestegen. Als de prijselasticiteit van de vraag negatiever is dan ―1 spreekt men van een elastische vraag. De relatieve verandering van de gevraagde hoeveelheid is dan groter dan de relatieve prijsverandering. De gevraagde hoeveelheid reageert sterk op de prijsverandering. Bijvoorbeeld bij een prijselasticiteit van ―2,5 zal een prijsdaling van 10% leiden tot een vraagtoename van 25%, waardoor de omzet bij benadering toeneemt met 12,5%. Deze omzettoename is grafisch weergegeven in figuur 2. De omzet bij de oude prijs Po is rechthoek PoAQvoO. Het effect van de prijsafname op de omzet wordt weergegeven door de blauwe rechthoek PoACPn. Dit wordt door de elastische vraag teniet gedaan door het sterkere effect van de hoeveelheidstoename op de omzet, de paarse rechthoek CBQvnQvo. De omzet bij de nieuwe prijs Pn (rechthoek PnBQvnO) is dan ook groter dan de oude omzet. Het inzetten van een prijsdaling bij een elastische vraag om zo de omzet te vergroten is dan ook zinvol. Andersom zal bij een elastische vraag een prijsstijging juist leiden tot een relatief sterkere afzetdaling, waardoor de omzet afneemt. Het inzetten van een prijsstijging om zo de omzet te vergroten is bij een elastische vraag dan ook niet zinvol.

Inelastische vraag en omzet thumb|Figuur 3. Omzetvergelijking bij prijsdaling als de vraag inelastisch is. De blauwe rechthoek is het effect van de prijsafname op de omzet. De paarse rechthoek is het zwakkere effect van de hoeveelheidstoename op de omzet. De afname is groter dan de toename. Per saldo is de omzet gedaald. Als de prijselasticiteit van de vraag ligt tussen ―1 en 0 spreekt men van een inelastische vraag. De relatieve verandering van de gevraagde hoeveelheid is dan kleiner dan de relatieve prijsverandering. De gevraagde hoeveelheid reageert niet sterk op de prijsverandering. Bijvoorbeeld bij een prijselasticiteit van ―0,2 zal een prijsdaling van 10% leiden tot een vraagtoename van 2%, waardoor de omzet bij benadering