Arthur Vincent Lourié (Russisch: Артур Винцент Лурье, Artoer Vincent Loerje) (Propojsk, nu: Slawharad, Gouvernement Mogiljow, 14 mei 1891In anderstalige wikipedia staat 13 mei 1891, maar er bestaan vele andere bronnen, die als geboortedatum 14 mei 1891 documenteren, zie: Arthur Lourié Gesellschaft Basel (gearchiveerd) Werklijst in het Duitstalige Russisch muziekarchief Biografie Geboortedatum in: Wolfgang Suppan, Armin Suppan: Das Neue Lexikon des Blasmusikwesens Volgens de Juliaanse kalender is Lourié op 1 mei geboren. In de 19e eeuw was het naar de Gregoriaanse kalender derhalve 13 mei, maar sinds 1900(!) 14 mei. – Princeton, 12 oktober 1966) was een Wit-Russisch-Amerikaans componist. Zijn oorspronkelijke naam was Naoem Israilevitsj Loerja (Russisch: Наум Израилевич Лурья). Later nam hij de artiestennaam Arthur Vincent Lourié (Russisch: Артур Винцент Лурье) aan, in hulde voor Arthur Schopenhauer en Vincent van Gogh. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het muzikale futurisme.

Levensloop Jeugd, opleiding en leven in Rusland Lourié was een zoon in een welgesteld Joods gezin. Nog in Rusland bekeerde hij zich tot het katholicisme. Zijn muzikale vorming was aanvankelijk autodidactisch. Van 1909 tot 1913 studeerde hij aan het Conservatorium van Sint-Petersburg bij Maria Barinova (piano), zelf een leerlinge van Ferruccio Busoni, en bij Aleksandr Glazoenov (compositie). Hij verliet het conservatorium zonder een afsluitend diploma en sloot zich bij de kunstenaarskring van de futuristen aan. Hij raakte bevriend met dichteres Anna Achmatova, wier lyrische gedichten hij in 1914 op muziek zette. Tot zijn vrienden behoorde onder andere Vladimir Majakovski, Nikolaj Ivanovitsj Koelbin, Fjodor Sologoeb en Aleksandr Blok. Lourié wordt beschouwd als de eerste futuristische muzikant in Rusland, omdat hij samen met de kunstschilder Georgi Bogdanovitsj Jakoelov en de dichter Benedikt Livsjitz het Russische futuristische Manifest "Wij en het Westen" ondertekende. In het Manifest proclameerden de jonge Russische kunstenaars hun positie ten opzichte van het technocratisch gestempelde Italiaanse futurisme van Filippo Marinetti, die toen door Rusland reisde. De Russische kunstenaars wezen op hun zelfstandige positie tussen de Westelijke en de Oostelijke kunst en verkondigden de principes van de eenheid van de drie kunsten schilderij, woord en muziek alsook van een menselijk, organisch futurisme.

Zijn vroege pianowerken – vanaf 1908 – zijn formeel nog verwant aan de werken van Frédéric Chopin, Claude Debussy en aan de late werken van Alexander Skrjabin, maar ontwikkelen en nieuwe vorm van de muzikale discours. Mijlpalen zijn de in 1914 in een vroege dodecafonie geschreven Synthèses en Masques en zijn misschien bekendst pianowerk, de redelijk kubistische Formes en l’air uit 1915, een van de eerste werken in de 20e eeuw met grafische notatie-elementen.

Na de Russische Revolutie van 1917 werkte hij op de muziekafdeling van het volkscommissariaat van onderwijs (Narkompros = Narodny Kommissariat Prosvesjenieja), dat toen onder leiding stond van Anatoli Loenatsjarski. Alhoewel zijn politieke sympathieën aanvankelijk op de linkervleugel van de revolutie lagen, kwam hij onder vuur te liggen van critici en verloor zijn functie toen de machtsverhoudingen verschoven. Over Louriés activiteiten als commissaris deden – voor de avontuurlijke achtergrond van de revolutie, burgeroorlog en hongersnood – talloze geruchten de ronde. Hij reorganiseerde niet alleen het muzikale leven in de Sovjet-Unie, maar een van zijn verantwoordelijkheden was ook, dat hij in paleizen kostbare Italiaanse snaarinstrumenten in beslag moest nemen, die daarna door de Sovjetregering aan hun vermeende beste muzikanten en artiesten beschikbaar werden gesteld. Lourié werd met verwijten overstelpt; hij er van beschuldigd zijn positie te misbruiken, om zijn eigen muziek te laten drukken in een tijd dat het papier extreem schaars was. Dat de gedrukte werken ook christelijke werken waren, laat zien hoe naïef Lourié de politieke situatie inschatte; hij was als kunstenaar waarschijnlijk niet geschikt voor de intriges in een dergelijke positie. Zijn faam als Rode Commissaris begeleidde hem nog lange tijd tot aan zijn latere verblijf in Parijs en legde hem verschillende obstakels in de weg.

In deze periode deelde hij een huis met de Russische artiest Sergej Soedejkin en diens vrouw, de danseres Vera Soedejkina, beter bekend als Vera de Bosset en latere vrouw van Igor Stravinsky.

In ballingschap In augustus 1922 verliet hij Rusland per schip, hij zou zijn dochtertje Anna nooit weer zien. In Berlijn bezocht hij Ferruccio Busoni en raakte met hem bevriend. In Rusland werd zijn werk in de ban gedaan. Na een kort verblijf in Wiesbaden reisde hij in 1924 verder richting Parijs. In Parijs werd hij een bekende van de filosoof Jacques Maritain en werd via Vera de Bosset geïntroduceerd in het gezin van de componist Igor Stravinsky. Hij werd een van de fanatiekste pleitbezorgers van Stravinsky. De eerste contacten met de familie Stravinsky gingen terug tot 1918, toen Igor Stravinsky de toen nog commissaris zijnde Lourié om hulp vroeg bij de ingewikkelde emigratie van zijn moeder, die tijdens de revolutie in Rusland was gebleven. Lourié werd een soort persoonlijke assistent van Stravinsky, hij schreef pianotranscripties en artikelen over de muziek van zijn landgenoot; soms maakte hij zelfs deel uit van het gezin van Stravinsky. Aan het einde van de dertiger jaren brak Lourié met Stravinsky vanwege een ruzie met diens 2e vrouw Vera. Stravinsky heeft later alle sporen van Lourié uit zijn leven uitgewist.

De muzikale stijl van Lourié veranderde. Vanuit zijn vroegere klaarblijkelijk gebruik van radicalisme in zijn composities richt hij zich op een samentrekkende vorm van neoclassicisme en Russofiele nostalgie. Een dialoog met Stravinsky's werk uit diezelfde periode is ook in die mate duidelijk, dat Stravinsky ideeën kan hebben overgenomen van de jongere componist. Louriés A Little Chamber Music (1924) lijkt het werk Apollon Musagète (1927) van Stravinsky aan te kondigen en zijn Concerto spirituale, voor gemengd koor, piano en orkest (1929) de door Stravinsky in 1930 gecomponeerde Psalmensymfonie (1930).

Lourié was een man van brede opleiding, die zijn image van een dandy en estheet cultiveerde. In zijn vocale muziek gebruikte hij gedichten en teksten van verschillende auteurs zoals Sappho, Aleksandr Poesjkin, Stéphane Mallarmé, Paul Verlaine, Aleksandr Blok, Vladimir Majakovski, Heinrich Heine, Rainer Maria Rilke, Dante Alighieri en van klassiek Latijn en middeleeuwse Franse dichters. Uit talrijke artikelen en essays – samengevat in Sanctification et Profanation du Temps (Paris, 1966) – blijkt dat hij een scherpzinnige waarnemer van zijn tijd geweest is, maar ook in de liefdevolle portretten van zijn collega-kunstenaars en vrienden in Sint-Petersburg onthult hij veel talent als schrijver. Hij was ook een getalenteerd kunstschilder.

Amerikaanse jaren Toen de Duitsers in 1941 Parijs bezetten, vluchtte hij met de steun van Serge Koussevitzky naar de Verenigde Staten. Hij vestigde zich in New York. In ballingschap in Amerika slaagde hij erin verschillende invloeden in een stijl van grote persoonlijke eigenheid te versmelten; zijn werken geven blijk van een aanmerkelijk compositorisch meesterschap. Meer dan tien jaar schreef hij aan de opera De Moor van Peter de Grote (1949-1961) naar het gelijknamige verhaal van Aleksandr Poesjkin. De bekende dirigent Leopold Stokowski heeft de suite uit deze opera op een langspeelplaat opgenomen. In 1948 componeerde hij Little Gidding, voor tenor en instrumenten op een tekst van T.S. Eliot en ook daar kan weer een brug geslagen worden met Igor Stravinsky, die dezelfde tekst in zijn The Dove Descending (1962) gebruikte.

Composities Werken voor orkest 1918 Onze mars, melodrama voor spreken en orkest – tekst: Vladimir Majakovski 1924 A Little Chamber Music, voor viool en kamerorkest 1930 Symfonie nr. 1 – Dialectische Symfonie Allegro I : Moderato Allegro II: Scherzoso Allegro III: Stringendo alla cadenza Adagio I: Quasi recitatieve Adagio II: Arioso 1931-1933 Suite uit de balletopera "Het feestmaal tijdens de pest" 1931-1933 Het feestmaal tijdens de pest, voor vocale solisten en orkest – tekst: Aleksandr Poesjkin 1939 Kormtchaia-Symfonie (Kormčaja Simfonija – Strastej smuscenie, Kormcaja rozdaja Gospoda, I burju utisi pogresenii, Bogonevestnaja) Moderato L’istesso tempo Ostinato I quasi fantastico Tempo mosso di Marcia Ostinato II, in tempo di Marcia Presto in tempo appassionato Tempo primo Introduzione del Finale: tempo di Cavatina Finale: Allegro Postlude. Arioso, poi Ostinato III 1941 Symfonie nr. 2 1943 Symphonic Suite from "The Feast during the Plague" 1945 Concerto da Camera, voor viool en kamerorkest 1961 Suite uit de opera "De Moor van Peter de Grote" (The Blackamoor Suite – A Symphonic Prose) Apeiron, voor orkest

Werken voor harmonieorkest 1921 Treurlied over de dood van een dichter – zie werken voor koor 1942 De ordinatione angelorum – zie missen en andere kerkmuziek 1951 Anathema – zie werken voor koor

Missen en andere kerkmuziek 1915-1917 Corona Carminum Sacrorum, voor zangstem en piano Ave Maria Salve Regina Inviolata 1924 Regina coeli, voor zangstem, hobo en trompet 1928 Sonata liturgique (deel 1), voor vrouwenstemmen (5 tot 12 alt), piano en kamerensemble 1935 Tu es Petrus!, motet voor gemengd koor a capella 1938 A Cristo crucificado ante el mar, voor bariton (of mezzosopraan) en piano – tekst: José Bergamin 1942 De ordinatione angelorum, voor solisten, gemengd koor en blazers (2 trompetten, 2 trombones en tuba) – tekst: Jacques Maritain, naar "Summa Theologiae I , Quaestio 108" van Thomas van Aquino 1946 Cristo crucificado ante el mar, voor gemengd koor 1952 Postcommunion, voor 5 vrouwenstemmen a capella – tekst: naar Jacques Maritain 1952 Inno a San Benedetto il Moro, voor 2 solisten, gemengd koor en orkest Sonata liturgique (deel 2)

Muziektheater Opera's Voltooid in titel aktes première libretto 1949-1961 De Moor van Peter de Grote (Arap Petra Velikogo) 3 bedrijven niet uitgevoerd Irina Graham, naar Aleksandr Poesjkin

Balletten Voltooid in titel aktes première libretto choreografie voor 1922 La masque de niege 1933 Het feestmaal tijdens de pest 2 aktes 5 januari 1945, Boston van de componist naar teksten van Aleksandr Poesjkin "Een feest tijdens de pest", Pentateuch, Ausonius en Francesco Petrarca 1937-1938 Invitation à une tasse de lait alleen schetsen Henri de Toulouse-Lautrec (Croquis de ballet en quatre scherzos) Le diable boiteux, choreografisch fragment naar Jacques Cazotte

Toneelmuziek 1917 Ošibka baryšni smerti (Der Fehler des Fräulein Tod) – tekst: Velimir Chlebnikov Prelude Allegro Lent Pervyy tanets baryshni Smerti Ytoroy tanets barysni Smerti

Vocale muziek Cantates 1919 In het heiligdom van de gouden dromen (Dans le temple du rêve d'or),, symfonische cantate voor sopraan en gemengd koor a capella – tekst: Aleksandr Blok 1931-1933 Het feestmaal tijdens de pest, voor gemengd koor en piano – tekst: Aleksandr Poesjkin 1937 La Naissance de la beauté (Roždestvo Bogorodicy), cantate voor 6 sopranen, vrouwenkoor en instrumentaal ensemble (klarinet, fagot; klavecimbel/piano en Cymbales Antiques) – tekst: Jules Supervielle 1964 Sibylla dicit, cantate voor vrouwenstemmen, 2 trompetten, 2 trombones en bekkens

Werken voor koor 1921 Aanklacht, voor vrouwenkoor en strijkorkest – tekst: Dante Alighieri 1921 Treurlied over de dood van een dichter (Chant funèbre sur la mort d'un poète), voor twee gemengde koren en 12 blazers – tekst: naar Anna Achmatova 1928-1929 Concerto spirituale, voor solisten, koren, piano, koperblaasinstrumenten en contrabasorkest