De klasse van doornstruwelen (Rhamno-Prunetea) is een klasse van syntaxa die loofstruweelvegetatie omvat die voorkomt op droge, neutrale tot basische bodems. De meeste gemeenschappen uit deze klasse worden gekenmerkt door doorn- en stekelstruiken, zoals eenstijlige meidoorn, sleedoorn en hondsroos.
Naamgeving en codering Synoniemen Rhamno-Prunetea Rivas Goday & Borja ex Tx. 1962 Sambucetea Doing 1962 Salici-Sambucetea Oberd. in Oberd., Görs, Korneck, Lohm., Th.Müll., G.Phil. & P.Seibert 1967 Syntaxoncode voor Nederland (rVvN): r40 BWK-karteringscodes: sp, sk
De wetenschappelijke naam Rhamno-Prunetea is afgeleid van de botanische namen van respectievelijk wegedoorn (Rhamnus cathartica) en sleedoorn (Prunus spinosa).
De Nederlandse triviale naam 'klasse van doornstruwelen' betreft een zeer verwarrende naam. Lang niet alle syntaxa binnen deze klasse zijn namelijk doornstruwelen; zo omvat bijvoorbeeld de gehele trosvlier-orde geen doornstruwelen. Daarnaast zijn er ook andere vegetatieklassen die net zo goed vertegenwoordigd worden door doornstruweelgemeenschappen, zoals de klasse van kruipwilg- en duindoornstruwelen.
Fysiognomie Deze klasse van doornstruwelen wordt in de Lage Landen gekenmerkt door een dichte struiklaag, met verschillende al dan niet doornige struiken. De meest voorkomende zijn eenstijlige meidoorn, sleedoorn, gewone vlier, hondsroos, rode kornoelje en wilde kardinaalsmuts, veel minder algemeen zijn de wegedoorn, wilde liguster en egelantier.
In de struiken zijn dikwijls lianen te vinden, zoals de bosrank en de heggenrank. Zeldzamer zijn de hop, rode kamperfoelie en besanjelier.
In de kruidlaag zijn veel soorten gemeenschappelijk te vinden met de klasse van nitrofiele zomen (Galio-Urticetea), zoals de grote brandnetel, kleefkruid en hondsdraf.
Ecologie De klasse van doornstruwelen omvat plantengemeenschappen van matig natte tot droge, matig tot zeer voedselrijke standplaatsen op een neutrale tot basische bodem.
Doornstruwelen komen van nature voor als mantelvegetatie van verschillende bostypen, en binnen deze bossen als tijdelijk stadium op kapvlakten, als opvolger van begroeiingen uit de klasse van kapvlaktegemeenschappen. Verder vindt men ze vooral in niet al te natte duinen en op rotsen. De meeste doornstruwelen in Nederland en Vlaanderen zijn echter oorspronkelijk aangeplant in de vorm van houtwallen en heggen rond begraasde weilanden.
Onderliggende syntaxa in Nederland en Vlaanderen De klasse van doornstruwelen wordt in Nederland en Vlaanderen vertegenwoordigd door twee orden. In totaal omvat de klasse alhier een twaalftal associaties. Daarnaast wordt er klassebreed ook nog één derivaatgemeenschap onderscheiden.
sleedoorn-orde (Prunetalia spinosae) verbond van sleedoorn en bramen (Pruno-Rubion sprengelii) associatie van rode kornoelje en fraaie kambraam (Corno sanguineae-Rubetum vestiti) associatie van sleedoorn en rode grondbraam (Pruno spinosae-Rubetum sprengelii) associatie van egelantier en gedraaide koepelbraam (Roso rubiginosae-Rubetum affinis) verbond van sleedoorn en meidoorn (Carpino-Prunion) associatie van sleedoorn en eenstijlige meidoorn (Pruno-Crataegetum) associatie van hondsroos en jeneverbes (Roso-Juniperetum) liguster-verbond (Carpino-Prunion) associatie van wegedoorn en eenstijlige meidoorn (Rhamno-Crataegetum) associatie van rozen en liguster (Pruno spinosae-Ligustretum) associatie van hazelaar en purperorchis (Orchido-Cornetum) trosvlier-orde (Sambucetalia racemosae) verbond van trosvlier en boswilg (Sambuco racemosae-Salicion capreae) boswilg-associatie (Salicetum capreae) verbond van wijfjesvaren en framboos (Athyrio filicis-feminae-Rubion idaei) associatie van schaduwkruiskruid en tere woudbraam (Senecioni ovati-Rubetum iuvenis) associatie van trosvlier en ruwe raspbraam (Sambuco racemosae-Rubetum rudis) associatie van sierlijke woudbraam (Rubetum pedemontani)
derivaatgemeenschap met dijkviltbraam (DG Rubus armeniacus-[Rhamno-Prunetea])
Microgemeenschappen De klasse van doornstruwelen vormt door de relatief goed belichte, eutrofe schors van de struweelvormende struiken een van de belangrijkste domeinen van veel epifytische microgemeenschappen uit de klasse van haarmutsen en vingermossen.
Diagnostische taxa voor Nederland en Vlaanderen thumb|150px|Gewone vlier thumb|150px|Rode kornoelje thumb|150px|Eenstijlige meidoorn thumb|150px|Hondsroos
In de onderstaande synoptische tabel staan de belangrijkste kensoorten en begeleidende soorten van de klasse van doornstruwelen voor Nederland en Vlaanderen.
Struiklaag Kentaxon Diff. soort Presentie Triviale naam Botanische naam Opmerking kK 20 > 100% gewone vlier Sambucus nigra kK 20 > 100% rode kornoelje Cornus sanguinea kK 10 > 100% eenstijlige meidoorn Crataegus monogyna kK 10 > 100% hondsroos Rosa canina kK 0 > 70% wilde kardinaalsmuts Euonymus europaeus kK 20 > 50% sleedoorn Prunus spinosa kK 0 > 50% wegedoorn Rhamnus cathartica kK heggenroos Rosa corymbifera kK beklierde heggenroos Rosa tomentella egelantier Rosa rubiginosa wilde liguster Ligustrum vulgare Kruidlaag Kentaxon Diff. soort Presentie Triviale naam Botanische naam Opmerking kK 0 > 80% bosrank Clematis vitalba kK 0 > 50% heggenrank Bryonia dioica kK 0 > 10% koebraam Rubus ulmifolius 0 > 30% hop Humulus lupulus besanjelier Cucubalus baccifer rode kamperfoelie Lonicera xylosteum Moslaag Kentaxon Diff. soort Presentie Triviale naam Botanische naam Opmerking kleisnavelmos Oxyrrhynchium hians
Fotogalerij
Zie ook Vegetatiekunde van A tot Z
Doornstruwelen Categorie:Struweel