Hugo van der Goes (Gent, ca. 1440 – Oudergem, 1482/1483) was een Vlaamse kunstschilder. Hij wordt samen met schilders als Jan van Eyck en Rogier van der Weyden gerekend tot de Vlaamse Primitieven. Zijn Portinari-altaar is het belangrijkste werk van de Vlaamse Primitieven na het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck. Vanaf 1483 speelde de aanwezigheid van dit meesterwerk in Florence een rol in de ontwikkeling van het realisme en het kleurgebruik in de Italiaanse renaissancekunst. Hij introduceerde belangrijke vernieuwingen in de schilderkunst door zijn monumentale stijl, het gebruik van een specifiek kleurengamma en individualistische manier van portretteren.Till-Holger Borchert, Hugo van der Goes op de site van Vlaamse Primitieven. Gearchiveerd op 27 november 2022.
Leven thumb|rechtop|De zondeval, ca. 1470, Kunsthistorisches Museum, Wenen thumb|400px|Portinari-altaar, ca. 1473-1478, Uffizi, Florence thumb|400px|Drievuldigheidspanelen, ca. 1478-1480, Scottish National Gallery, Edinburgh (bruikleen van Royal Collection) Afkomst en geboorte "Hughe" van der Goes (Gous, Goux) werd in Gent geboren. Dit is bekend dankzij een document uit 1480, waaruit blijkt dat de Leuvense magistraat de schilder vroeg om de onvoltooide panelen van de overleden Dirk Bouts te taxeren. De akte vermeldt dat hij "geboren es van der stad van Ghent". Hij was dus een lid van de 15e-eeuwse Gentse kunstenaarsfamilie Van der Goes, die verschillende schilders voortbracht, onder wie Pieter, Jan en Cornelis.
Zijn geboortedatum is onbekend. Een document dat dateert van 3 maart 1451, waarin vermeld wordt dat een Hugo van der Goes door Filips de Goede begenadigd werd en uit ballingschap mocht terugkeren, is door sommige kunsthistorici in verband gebracht met de schilder; anderen, zoals Elisabeth Dhanens, zien hier een naamgenoot in.
Schilder in Gent De vroegste vermelding die zeker op de schilder betrekking heeft, documenteert zijn inschrijving op 5 mei 1467 als vrijmeester in het Gentse schildersambacht, het latere Sint-Lucasgilde. Schilder Joos van Wassenhove en beeldhouwer Daneel van Lovendeghem (of Ruthaert) stelden zich borg voor hem.Dhanens (1998), p. 27, 384 (doc. 1) Waar Hugo van der Goes zijn opleiding kreeg en waar hij in de jaren voor 1467 actief was, is onbekend. De Gentse schilder Jan van der Goes was tussen 1460 en 1467 werkzaam in het grafelijk paleis in Den Haag. Er is geopperd dat Hugo hem hierbij geassisteerd heeft.Van Elslande (2011), p. 26
Al vanaf 1468 was Hugo van der Goes actief in het Gentse schildersambacht. Op 15 augustus 1468 werd hij aangesteld tot "gezworene", een beëdigde functie binnen het gilde.Dhanens (1998), p. 36, 385 (doc. 6) Hij is ook enige tijd deken van het schildersambacht geweest, in elk geval in de jaren 1474 en 1475. Verder stond hij in de periode 1469-1475 regelmatig borg voor jonge schilders bij hun toetreding tot het gilde.Dhanens (1998), p. 36-37, 385-389 (doc. 6, 8, 12, 17, 20-26) Vooral 14 januari 1469 was een bijzondere dag, toen Alexander (Sanders) Bening meester werd in het Gentse schildersambacht en Hugo van der Goes en Joos van Wassenhove als borg optraden.Dhanens (1998), p. 36, 385 (doc. 7) De drie kunstenaars worden in de literatuur wel een "driemanschap" genoemd, omdat ze waarschijnlijk nauw hebben samengewerkt, in het bijzonder bij het vervaardigen van verluchte manuscripten. Ze legden daarmee de basis voor de Gents-Brugse stijl. Van der Goes had mogelijk al in de jaren 1467-1469 samengewerkt met Joos van Wassenhove, voordat deze naar Italië vertrok en daar als Giusto di Gand enkele jaren werkzaam was voor Federico da Montefeltro, hertog van Urbino. Alexander Bening trouwde in 1480 met Catherina (Katheline) van der Goes, waarschijnlijk een nicht of (half)zus van Hugo.Dhanens (1998), p. 24
In de jaren 1468-1474 kreeg hij schilderopdrachten van de stad Gent, waaronder decoraties en wapenschilden voor de pauselijke aflaten of "Groot Pardoen", zoals het in de bronnen wordt genoemd.Dhanens (1998), p. 42, 70-72, 384-387 (doc. 2-3, 9, 11, 14, 16) In de lente van 1468 was Hugo van der Goes een van de tientallen kunstenaars die verantwoordelijk waren voor de decoraties bij het huwelijk van Karel de Stoute met Margaretha van York in Brugge.Dhanens (1998), p. 37, 73, 384 (doc. 4) In hetzelfde jaar organiseerde het Gentse schildersambacht een bijeenkomst voor kunstenaars uit verschillende steden, waarbij ze rond de feestdag van Sint-Lucas (18 oktober) in processie door de stad trokken. Dit was een relatief nieuw verschijnsel. Het was de bedoeling om de samenkomst elk jaar in een andere stad te houden.Dhanens (1998), p. 37, 385 (doc. 5)
In 1469 en 1472 had Hugo van der Goes de leiding over de decoraties voor de officiële bezoeken (Blijde inkomsten) van Karel de Stoute in Gent. Met een groep medewerkers schilderde hij heraldische en figuratieve voorstellingen op doek en hout, in 1472 onder andere twee grote stukken met respectievelijk het wapen van Karel de Stoute en de Gentse stedenmaagd, die de stadspoorten moesten sieren. In 1474 leverde hij dertig wapenschilden voor de uitvaartmis van Filips de Goede in de Sint-Veerlekerk, voorafgaand aan het transport van diens lichaam en dat van zijn echtgenote Isabella van Portugal naar Dijon, om daar herbegraven te worden.Dhanens (1998), p. 74-82, 386 (doc. 10, 13), 388 (doc. 19)
Vanaf mei 1473 huurde Hugo van der Goes "tgroote huus" op de Blandinusberg (bij de huidige Sint-Pietersnieuwstraat) te Gent. Dit is bekend uit de boekhouding van de verhuurders van het huis, de kunstzinnige patriciërsfamilie Van der Zickele. De kunstenaar wordt vermeld als "Hughe de scildre". Zijn huisbazen waren eerst Nikolaas (Clais) van der Zickele en, na diens dood in 1475, zoon Filips. Uit de rekening die in 1475 werd opgemaakt, blijkt ook dat Van der Goes namens "vrauw moeder" Van der Zickele een gratificatie voor Joos van Wassenhove had voorgeschoten, toen deze naar Rome was vertrokken. Van der Goes mocht het verschuldigde geld van zijn huur afhouden. Hij heeft het huis in ieder geval tot en met 1477 gehuurd, wellicht tot begin 1478.Dhanens (1998), p. 27, 39-41, 387 (doc. 18)
Het grote huis fungeerde waarschijnlijk als het atelier waar hij enkele van zijn belangrijkste werken schilderde, in het bijzonder het enorme Portinari-altaar. Hij maakte het in opdracht van Tommaso Portinari, een vertegenwoordiger in Brugge van de De' Medici-familie. Het altaarstuk was bestemd voor de Sant'Egidio, een hospitaalkerk in Florence, waar ook het Florentijnse schildersgilde samenkwam. Toen het daar in 1483 aankwam,Dhanens (1998), p. 390-391 (doc. 28) bracht zijn realisme een sensatie teweeg. Het had grote invloed op de lokale schilders.
Rond 1475-1480 kreeg Van der Goes de opdracht voor een altaarstuk voor de Church of the Holy Trinity in Edinburgh van de eerste proost, Edward Bonkil. De kerk was gesticht door de koningin-consort van Schotland, Maria van Egmont-Gelre.Fleming, Alexander & Mason, Roger, eds, Scotland and the Flemish People (Birlinn: Edinburgh, 2019), p. 93 De binnenzijden van de twee bewaard gebleven panelen, de Drievuldigheidspanelen, stellen Jacobus III van Schotland voor, geflankeerd door de heilige Andreas en de koningszoon, de toekomstige James IV, en zijn vrouw, Margreet van Denemarken. Op de buitenzijden zijn de Heilige Drie-eenheid en de schenker, Edward Bonkil, afgebeeld.Jill Harrison, 'Fresh Perspectives on Hugo van der Goes' Portrait of Margaret of Denmark and the Trinity Altarpiece', The Court Historian, 24:2 (2019), pp. 120-138. Gearchiveerd op 27 juli 2023. Het is niet zeker of Van der Goes het niet (meer) bestaande middenpaneel voltooid heeft.
In het klooster thumb|De dood van Maria, ca. 1480-1482, Groeningemuseum, Brugge In 1478 trad hij als conversbroeder – wat destijds niet hetzelfde was als lekenbroeder, zoals hij vaak wordt aangeduid – in bij de augustijnen van het Rood Klooster in het Zoniënwoud bij Brussel, waar zijn halfbroer Nicolaas reeds broeder was. In het klooster kreeg hij bezoek van talrijke belangrijke personen, onder wie de latere keizer Maximiliaan I. Zijn intrede is waarschijnlijk ten onrechte in verband gebracht met zijn aanvallen van melancholie die na zijn dood werden beschreven door zijn medebroeder Gaspar Ofhuys.
In de 19e eeuw ontstond het geromantiseerde verhaal waarin deze intrede werd gekoppeld aan de vermeende onbeantwoorde liefde, die in 16e-eeuwse teksten wordt beschreven, onder anderen door Lucas d'Heere in een gedicht uit 1565. Het gedicht was een lofzang op een schoorsteenstuk met als voorstelling "David en Abigaïl" dat Hugo van der Goes had geschilderd in een huis aan het Muidebrugje (thans: Voormuide) in Gent. Het was zogenaamd het woonhuis van zijn geliefde die hij op het schilderij vereeuwigd zou hebben. Het schoorsteenstuk heeft echt bestaan, maar is verloren gegaan.
Ziekte en overlijden Na een reis naar Keulen in 1480 had hij zelfmoordneigingen en kreeg hij een zenuwaanval in het Brusselse refugehuis van het klooster.
De datum waarop Hugo van der Goes overleed is niet bekend. Ofhuys vermeldt dat hij in 1482 stierf, maar aangezien destijds de paasstijl werd gebruikt, kan hij ook in de winter van 1483 zijn overleden. Hij werd in het atrium van het klooster in de openlucht begraven. In zijn tijd werd hij zeer geëerd. De kloosterkroniek vermeldt dat zijn gelijke langs deze kant van de bergen (Alpen) niet te vinden was. De kunst van Hugo van der Goes werd in Gent voortgezet door Gerard Horenbaut en in Brugge door zijn familielid Simon Bening, zoon van Alexander en Catharina van der Goes. Ook de Brugse schilder Gerard David liet zich duidelijk inspireren door de Gentse kunstenaar.
Postume reputatie In de 16e eeuw ontstonden onafhankelijk van elkaar drie tradities die de herinnering aan Hugo van der Goes levend hielden, maar onderling sterk afweken. De kloosterlingen herinnerden hem als de internationaal vermaarde schilder die gestraft werd voor zijn hoogmoed. In Florence waren het waarschijnlijk vooral zijn collega-schilders, zoals Domenico Ghirlandaio, die onthielden dat ene "Ugo d'Anvers" de maker was van het altaarstuk dat in de ruimte hing waar het schildersgilde samenkwam en dat zo'n indruk op hen had gemaakt. En in Gent en andere Vlaamse steden waren er kunstliefhebbers die zijn werken beschreven en treurden om het verlies ervan tijdens de Beeldenstorm in 1566. Ze vertelden anekdotes over hem, maar wisten niet wanneer hij overleden was en waar hij begraven was, zoals Karel van Mander schrijft. Hoewel diens Schilder-Boeck ervoor zorgde dat hij weer enige tijd in de belangstelling kwam, raakte hij hierna in de vergetelheid, in tegenstelling tot zijn grote voorbeelden Jan van Eyck en Rogier van der Weyden. Toen in de 19e eeuw het verslag van Gaspar Ofhuys werd herontdekt, was dit het begin van een nieuwe legendevorming over het melancholische genie, waarin onder anderen Vincent van Gogh zich herkende.
Werk thumb|400px|Monforte-retabel, ca. 1470-1472, Gemäldegalerie, Berlijn thumb|400px|De geboorte van Christus of De aanbidding door de herders, ca. 1480-1482, Gemäldegalerie, Berlijn thumb|rechtop|Maria met Kind, ca. 1478-1480, Städel Museum, Frankfurt am Main Tot in de 21e eeuw heeft er onder de kunsthistorici discussie bestaan over de toeschrijvingen en de chronologie van zijn werken.Zie hierover o.a. Ridderbos & Van Veen (1995) en Dhanens (1998) en de lemma's over de afzonderlijke kunstwerken Dit komt enerzijds doordat minstens een tiental werken van zijn toch al vrij kleine oeuvre verloren is gegaan en alleen bekend is van beschrijvingen en meer of minder vrije navolgingen, en anderzijds door zijn volstrekt originele werkwijze, waarbij hij niet op zijn routine vertrouwde, maar elk werk als een nieuwe uitdaging zag waarvoor hij de optimale artistieke oplossing moest zien te vinden.Vgl. Friedländer (1916/1986), p. 65: "Van der Goes scheint zu jeder Schöpfung von der Stimmung des Vorwurfs aus neu anzusetzen."
Schilderijen