Dit artikel bevat de recente geschiedenis van het Midden-Oosten en beslaat de periode van ruwweg 1914 tot heden.
De keuze voor 1914 als startdatum is omdat het Midden-Oosten als zodanig geen homogeen gebied is. Het is pas als zodanig gaan ontstaan onder invloed van de westerse koloniale machten die het gebied dat het huidige Midden-Oosten omvat onder hun invloedssfeer konden rekenen.
Indien men zich zou beperken tot de individuele geschiedenissen van de afzonderlijke landen in het Midden-Oosten, loopt men het risico de onderlinge verbanden en samenhangen uit het oog te verliezen. Het is de bedoeling van dit artikel deze verbanden juist wel te laten zien om zodoende duidelijk te maken hoezeer de vorming van het Midden-Oosten het resultaat was van de vorming van elk afzonderlijk land en vice versa.
De nadagen van het Ottomaanse Rijk Het Midden-Oosten aan het einde van de 19e eeuw Aan het einde van de 19e eeuw vormden de Turken met hun Ottomaanse Rijk de grootste macht in het Midden-Oosten. Andere machten in het Midden-Oosten waren de Saoedi’s uit Riyad en de Rasjids uit Hail. De Ottomanen hebben ruim 400 jaar lang het grootste deel van de Arabische wereld bestuurd. Ook in Europa was het Ottomaanse Rijk jarenlang een van de machtigste rijken. Het scheelde maar weinig of de Turken hadden in 1683 Wenen, de hoofdstad van Oostenrijk, veroverd. Maar aan het einde van de 19e eeuw begon het Ottomaanse Rijk ernstig te verzwakken. Al gauw werd het 'de zieke man van Europa' genoemd. Hier waren meerdere oorzaken voor:
Een groeiende technologische achterstand op het Westen. Technische kennis over scheepsbouw en bewapening bereikten Constantinopel niet. Ook de ideeën van de Renaissance, de Verlichting en de wetenschappelijke revolutie drongen niet door tot het Turkse rijk. Een economische achterstand. Vanaf de 17e eeuw vond er handel in specerijen met Oost-Azië plaats, maar de Ottomanen deden hier niet aan mee. Hierdoor nam het Ottomaanse Rijk niet deel aan de wereldeconomie. De opkomst van Rusland. De Russische tsaar, Peter de Grote, wist de Ottomanen sterk terug te dringen. Gebieden rond de Zwarte Zee en de Kaukasus gingen verloren, en Russische schepen konden weer vrij door de Dardanellen en Bosporus varen. Het modern imperialisme. Veel gebieden van het Ottomaanse Rijk werden door westerse mogendheden veroverd. Frankrijk veroverde Noord-Afrika, Italië had Libië in zijn handen en Groot-Brittannië leidde de imperialistische race met Egypte, Oman, de Golfstaten en Aden. Een vurig nationalisme onder de Europese volkeren in het Ottomaanse Rijk. De Grieken, Roemenen, Bulgaren en Serven wisten zich los te worstelen van het Ottomaanse Rijk. Uiteindelijk was alleen de hoofdstad van de Turken, Constantinopel en zijn omgeving, Ottomaans grondgebied in Europa. Zwakke en nalatige sultans. De laatste sultans hielden zich alleen nog maar bezig met hun hof en hun harem. Staatsbestuur werd verwaarloosd.
Uiteindelijk was er van het Ottomaanse Rijk niet meer overgebleven dan Anatolië, de Levant en het westen van Arabië.
Het groeiende belang van het Midden-Oosten Het Midden-Oosten was jarenlang slechts een achtergestelde regio van het Ottomaanse Rijk. Met het einde van de 19e eeuw kwam daar sterke verandering in. Dit had twee oorzaken:
De strategische ligging. In 1869 werd in Egypte het Suezkanaal geopend, wat een uiterst handige handelsroute werd tussen Europa en India. De koning van Egypte, Ismail, wilde Egypte moderniseren en bouwde uiterst moderne, semi-Parijse wijken in Caïro. Dit kostte ontzettend veel geld, en daarom zette de Egyptische koning in 1875 de aandelen van het Suezkanaal op de markt. Meteen kocht de Britse premier de aandelen, waarmee Groot-Brittannië zijn handelsroute met India ruim 8000 km had verkort. Het Suezkanaal was nu de navelstreng van het Britse rijk geworden. Na hevige rellen in Egypte tegen de westerse aanwezigheid, werd Egypte een Brits protectoraat. De olie. In het begin van de 20e eeuw werden enorme olievelden ontdekt in het Midden-Oosten, voornamelijk in de Perzische Golf.
Deze twee oorzaken leidden ertoe dat het Midden-Oosten een van de belangrijkste regio's in de wereld werd. De westerse mogendheden moesten dit zien te besturen.
Nationalisme van Turken en Arabieren Sinds het midden van de 19e eeuw staken nationalistische, pan-Arabische gevoelens de kop op in het Ottomaanse Rijk en Egypte. Hun kritiek op het Ottomaanse Rijk betrof dat het als zwak werd ervaren. Men vond het geen waardige drager van het kalifaat, de wereldlijke opvolging van de profeet Mohammed. Daarnaast werd het Ottomaanse gezag verweten niet sterk genoeg op te treden tegen de westerse mogendheden die steeds meer gebied veroverden op de Turken.
Deze pan-Arabische gevoelens werden versterkt door de organisatie van de Jong-Turken die in 1908 de macht greep in Constantinopel. De Jong-Turken vertegenwoordigden een sterk Turks nationalisme, dat een weerstand opriep in de Arabische wereld die onder hun invloed stond. Men richtte her en der in de Arabische wereld geheime genootschappen op die zich gingen inzetten voor teruggave van het kalifaat aan de Arabische wereld en voor het verkrijgen van autonomie.
Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak in 1914 zou men verwachten dat de geheime genootschappen de kant van de geallieerden zouden kiezen en gezamenlijk tegen de Ottomaanse overheersing zou vechten. Dit gebeurde echter niet of nauwelijks. Men prefereerde het gezag van het Ottomaanse Kalifaat boven het gezag van de Britten en Fransen.
Andersom hadden de Britten en Fransen weinig op met de Arabieren. Men sprak weliswaar over onafhankelijkheid, maar daarmee werd dan zelfstandigheid bedoeld in de vorm van een protectoraat of kolonie geleid door een westerse macht.
Toch zag men de Arabieren zeker niet als één volk. De westerse mogendheden zagen eerder een lappendeken van volken, stammen en nomaden, al dan niet voorzien van mysterieuze Bijbelse namen. Het idee van het Midden-Oosten zoals we dat tegenwoordig hebben (als een min of meer homogeen gebied) was indertijd vrijwel onbekend. Men zag eenvoudigweg niet in dat de Arabieren in staat zouden zijn zichzelf te regeren, laat staan om op regionaal niveau met elkaar samen te werken.
Europese invloedssferen De Britse agenda met betrekking tot het Midden-Oosten betrof het veiligstellen van de verbinding tussen de Middellandse Zee en de Perzische Golf om zodoende een spoorlijn aan te leggen naar Brits-Indië. Tevens wilde men de Russen op afstand van Brits-Indië houden door te voorkomen dat de Russen havens in de Middellandse Zee in handen zouden krijgen
De uitbraak van de Eerste Wereldoorlog verstoorde deze plannen: na de nederlaag van het Ottomaanse Rijk zou Rusland Constantinopel en Anatolië (het huidige Aziatische Turkije) krijgen. Als reactie zocht het VK nu naar een zuidelijkere verbinding met Brits-Indië. Tevens wilde men de Fransen als een buffer tussen hen en de Russen hebben. Daartoe werd een brede strook land aan Frankrijk toebedeeld. Deze strook liep van het huidige Libanon, via Syrië naar Mosoel in het huidige noorden van Irak. Dat Engeland bereid was om Mosoel op te geven, waarvan men vermoedde dat dit veel aardolie kon bezitten, toont aan dat strategische belangen zwaarder wogen dan zuiver financiële overwegingen. Frankrijk, dat sinds 1860 militair in het huidige Libanon aanwezig was, kon zich prima vinden in deze initiatieven. Daarnaast bestonden ruime handelscontacten tussen Frankrijk en Syrië. Het lag dan ook voor de hand om Frankrijk aan te wijzen als nieuwe macht in Syrië en Noord-Irak zodra het Ottomaanse Rijk verslagen zou zijn.
Deze verdeling van invloedssfeer aangaande het Midden-Oosten werd in februari 1916 vastgelegd in de Sykes-Picot-overeenkomst. Echter, door nieuwe ontwikkelingen werd het verdrag door beide landen al vrij snel als irrelevant beschouwd. Een belangrijke ontwikkeling was de Russische Revolutie van 1917 waardoor Rusland zich terugtrok uit de oorlog en derhalve ook geen aanspraak meer kon maken op Constantinopel en Anatolië, iets wat het nieuwe regime sowieso al niet wilde aangezien men zich sterk verzette tegen het imperialisme van de westerse mogendheden. Daarnaast wilde Engeland een aaneensluitend gebied in bezit nemen, lopend van Zuid-Afrika, via Oost-Afrika, het Midden-Oosten, Brits-Indië en uiteindelijk tot aan Australië en Nieuw-Zeeland aan toe.
Voor het Midden-Oosten betekende dit dat Engeland direct na de oorlog zo veel mogelijk gebied ging bezetten, waaronder Noord-Irak en Syrië dat eigenlijk aan de Fransen was toebedeeld. Uiteindelijk gaf de Britse minister van Oorlog, Winston Churchill, Syrië op maar hield vast aan Noord-Irak om zodoende de route naar Brits-Indië veilig te stellen.
Groot-Syrië thumb|250px|Het Arabische Koninkrijk Syrië van koning Faisal. Tijdens de Eerste Wereldoorlog stelden de Arabieren zich in het algemeen passief op en bekeken het oorlogsgeweld tussen de geallieerden en de Turken zo neutraal mogelijk. Een uitzondering vormde de Sjarif van Mekka, Hoessein ibn Ali, die de leider was van de Arabische Opstand. Zijn opstand werd door de Britten gesteund middels toezeggingen van onafhankelijkheid en grondgebied. Toch koos Hoessein niet onomwonden partij voor de Britten. Zijn acties werden eerder ingegeven door de ontdekking dat de Turken hem wilden afzetten als leider van het gebied rondom Mekka. Hoesseins leger, met de beroemde officier T.E. Lawrence (Lawrence of Arabia) was niet erg sterk. Zo werd Medina heroverd door de Turken en werd alleen Akaba door Hoessein veroverd op de Turken. Desondanks speelde hij handig in op de wens van de Britten voor Arabische ondersteuning tegen de Turken en hielp hij de Britse generaal George Allenby bij diens opmars vanuit Egypte.
Na afloop van de oorlog claimde Hoessein koning te zijn van het gehele Midden-Oosten, een eis die de Britten onmogelijk konden inwilligen. Ze lieten hem de heerschappij over de westkust van het Arabisch Schiereiland. De zoon van Hoessein, Faisal, werd hoger ingeschat door de Britten en ze stelden hem dan ook aan als vorst over Syrië (zonder Libanon) en Palestina. Wel was Faisal verantwoording schuldig aan de Britten en de Fransen. Eind 1918 werd Faisal door de Britten in Syrië als leider over Syrië en Palestina geïnstalleerd. Bijkomend voordeel voor de Britten was dat Faisal voorstander was van de vestiging van joden in Palestina. Men hoopte zodoende via Faisal de Arabieren mee te krijgen voor de totstandkoming van een joods nationaal tehuis dat de joden was beloofd in de Balfour-verklaring.
Echter, Faisal ondervond tegenstand van zowel de elite in Damascus die niets van hem wilde weten als van de Fransen die er niets voor voelden hun toezicht slechts indirect via Faisal te kunnen uitoefenen. De Syrische elite wilde hem alleen accepteren als hij zich zou uitspreken tegen de Franse invloed, terwijl de Fransen hem alleen wilden accepteren als hij het nationalisme zou kunnen beteugelen. Faisal kwam van beide partijen onder vuur te liggen, maar sprak zich in 1920 uit voor de nationalisten en tegen de Fransen. Als reactie trokken Franse militairen op 26 juli Damascus binnen en verjaagden Faisal. Feitelijk kan dit moment worden beschouwd als het begin van het moderne Syrië omdat nu voor het eerst de gedachte van een Groot-Syrië daadwerkelijk was gerealiseerd: de Franse invloedssfeer betrof een ononderbroken gebied bestaande uit Palestina, Libanon en Syrië.
De verdeling van het Midden-Oosten Libanon