thumb|Schouderdystocie Er is sprake van schouderdystocie (ICD-10 O66.0) is wanneer na de geboorte van het hoofd en het naar sacraal bewegen hiervan, additionele obstetrische handelingen nodig zijn om de schouders geboren te laten worden. Voorspelling van deze complicatie is niet mogelijk.
Bij schouderdystocie blijft de voorste schouder steken (hokken) achter het schaambeen (os pubis) van de moeder. Als het hoofdje geboren is, treedt er daardoor een probleem op bij de afwikkeling van de romp van het kind. Dit komt bij ongeveer 1% van alle bevallingen voor.
Complicaties Er zijn twee grote problemen bij een schouderdystocie: Asfyxie: het kind kan nog niet ademen doordat het vastzit met de romp in het baringskanaal; hierdoor krijgt het kind zuurstoftekort. Mechanische beschadiging van het kind door de pogingen om het kind los te krijgen, zoals een zenuwbeschadiging (erbse parese).
Risicofactoren groot kind, door o.a. suikerziekte, obesitas van de moeder, serotiniteit (langer dan 42 weken zwanger zijn) langdurige ontsluiting/uitdrijving bekkenafwijking kunstverlossing 50% van de zwangeren heeft geen van deze risico's
Behandeling & procedures gedurende de bevalling hulp halen episiotomie Suprapubische impressie (= Rubin I manoeuvre) McRoberts manoeuvre Woods manoeuvre Rubin II manoeuvre "Afhalen" van de achterste armpje (= Barnum manoeuvre) Gaskin all fours manoeuvre breken van het sleutelbeen (clavicula) symfysiotomie Zavanelli manoeuvre en keizersnede
Categorie:Zwangerschaps- of bevallingsaandoening