De Dzjoengaren, Tsoengaren of Juun Ghar waren een stam van de Oirat-Mongolen. Vanaf de 17e eeuw begonnen ze een ontwikkeling, die in de 18e eeuw tot de staat Dzjoengarije leidde. Die staat was een rivaal van Rusland, maar vooral van China. Even na het midden van de 18e eeuw werd Dzjoengarije vernietigd door keizer Qianlong van de Qing-dynastie. Het grootste deel van het Dzjoengaarse volk werd daarbij geëlimineerd.
Historische achtergrond In 1368 viel in China de Mongoolse Yuan-dynastie die werd opgevolgd door de Chinese Ming-dynastie. De meeste Mongolen keerden terug naar hun oorspronkelijke leefgebieden. De Mongoolse dynastie werd voortgezet in de Noordelijke Yuan-dynastie. Formeel konden alleen afstammelingen van Dzjengis Khan in de mannelijke lijn de keizerstitel (Khagan) dragen.
thumb|250px|Verschillende volken in Azië rond 1500 De groep, die iets later aangeduid zou gaan worden als Chahar-Mongolen vestigde zich - globaal - in het gebied dat nu de Chinese provincie Binnen-Mongolië is. De in omvang grootste groep, de Khalkha-Mongolen, vestigde zich in het gebied dat nu - globaal - de republiek Mongolië vormt. De Oirat-Mongolen vestigden zich ten westen daarvan, in het gebied ten westen van het Altaj-gebergte en ten noorden van het Tianshan-gebergte. In de 17e eeuw werd het gebied tussen de Oirats en de Khalka's - globaal de omgeving rondom de huidige stad Hovd - bewoond door aan de Khalka's verwante Mongolen, van wie de stamleiders (en soms ook de stam zelf) aangeduid worden met de naam Altyn Khan.
De enige uitzondering vormde de groep Mongolen die zich al in de periode van Dzjengis Khan en rond het midden van de 13e eeuw gevestigd hadden in de omgeving van Kokonor in Amdo. Dit gebied viel buiten de grenzen van de Ming-dynastie en hier bleven daar gevestigde Mongolen dan ook wonen.
De Dzjoengaren waren een van de vier stammen van de Oirat-Mongolen. De overige drie waren de Dörbet, Torgut en Khoshut. Het woord Dzjoengaar is een samenvoeging van jegün dat "links" of "oost" betekent en yar dat de betekenis van "hand" of "vleugel" heeft. (In het Mongools heeft "links" ook de betekenis van "het oosten" en "rechts" de betekenis van "het westen".) De Dzjoengaren woonden dan wel ten westen van de oostelijke Mongolen, zoals de Khalka's, maar hun naam is het gevolg van het feit, dat ze de "linkervleugel" vormden van de Oirats.
Periode tot 1600 thumb|Zhentong Er was grote onderlinge rivaliteit tussen de Mongoolse stamfederaties. De westelijke Mongolen, onder wie de Dzjoengaren werden aan het eind van de 14e eeuw dominant ten opzichte van de meer oostelijk wonende stamfederaties, zoals de Khalka's. In die laatste stamfederatie waren wel de lijnen van afstamming van Dzjengis Khan te vinden. De oostelijke Mongolen ontzegden dan ook westelijke Mongolen het recht de titel Khan te mogen dragen. Meestal droegen de leiders van de westelijke Mongolen dan ook de titel tayisi. Pas later in de 17e eeuw gaan leiders van westelijke Mongolen er toch toe over zichzelf tot Khan uit te roepen.
De Dzjoengaren lieten hun geschiedenis aanvangen met Esen tayisi (?-1455). In de eerste helft van de 15e eeuw wist Esen tayisi de Oirats tot een machtige federatie te maken. Hij wist een rijk te creëren van het noorden van Korea in het oosten naar het gebied rondom de oase Hami aan de Zijderoute. De meest westelijke grens van het gebied werd gevormd door de rivier de Irtysj. In 1499 leidde Esen een inval in het noorden van China. Daarbij werd de keizer Zhengtong (1427-1464) gevangengenomen. De Chinese regering weigerde echter het gevraagde losgeld te betalen en een broer van Zhentong werd de nieuwe keizer. De troepen van Esen wisten op te rukken tot aan de muren van Peking, maar werden uiteindelijk gedwongen zich terug te trekken.
In 1451 bereikte Esen het hoogtepunt van zijn macht toen hij de keizer van de Noordelijke Yuan-dynastie,Tayisung Khan Toghtoa Bukha, versloeg. De laatste werd in 1452 vermoord. In 1453 liet hij zich uitroepen tot keizer van de dynastie en had het voornemen die titel al over te dragen aan zijn zoon Amasanj. Dat was voor een grote meerderheid van de Mongolen onaanvaardbaar. Esen kon zich niet beroepen op een rechtstreekse afstamming van Dzjengis Khan. Dat leidde uiteindelijk tot een opstand van een aantal van zijn generaals en tot de moord op Esen in 1455.
Na zijn dood viel het door hem gecreëerde rijk weer uiteen. De oostelijke Mongolen onder Dayan Khan brachten de Dzjoengaren begin 16e eeuw een aantal zware nederlagen toe. Het zou tot de 17e eeuw duren voor de Dzjoengaren weer een factor van betekenis werden, nadat zij het kanaat van de Altyn Khan beslissend hadden verslagen.
De periode 1600-1670
De geschiedenis van de Dzjoengaren in de 17e eeuw moet gezien worden tegen de achtergrond van een aantal ontwikkelingen in China en Centraal-Azië.
De eerste ontwikkeling was die van de opkomst van de Mantsjoes. Nog voor de omverwerping van de Ming-dynastie in 1644 door de Mantsjoes voerde hun eerste keizer Hong Taiji in 1632 een campagne tegen de Chahar-Mongolen. Die gingen de confrontatie niet aan. Hun leider Ligdan Khan vluchtte met ongeveer 100.000 man naar Kokonor. Na zijn dood in 1634 wisten de Mantsjoes het gebied van de Chahar-Mongolen (de huidige Chinese provincie Binnen-Mongolië) aan hun rijk toe te voegen.
De tweede ontwikkeling was het steeds verder oprukken van Rusland in Centraal-Azië. Tobolsk was eind 16e en begin 17e eeuw de stad die het meest in contact stond met meerdere Mongoolse stammen. In de stad Tara in de huidige Oblast Omsk vonden de eerste contacten met Dzjoengaren in 1606 plaats. In 1607 was er al de eerste delegatie van Dzjoengaren naar Moskou. De delegatie vroeg de mogelijkheid om kudden te weiden ten westen van de rivier de Irtysj en langs de Ob alsmede om te kunnen handelen in Siberische steden in ruil voor een alliantie met de Russen tegen hun rivaal de Altyn Khan. De Russen gingen akkoord met de mogelijkheden van weiderechten, maar weigerden iedere vorm van alliantie aan te gaan, zolang de Dzjoengaren niet eerst trouw zwoeren aan de tsaar en iasak, een vorm van belasting, betaalden.
Dit zou het belangrijkste patroon worden in de Mongools-Russische relaties. Mongolen vroegen steeds Russische steun tegen hun andere Mongoolse rivalen, de Mantsjoes en de Chinezen en het recht te handelen in Siberische grenssteden, terwijl de Russen het doel hadden om afzonderlijke stammen te onderwerpen aan het gezag van de tsaar om op die wijze verdere toegang tot China te verkrijgen.
De eerste grote leider van de Dzjoengaren, Khara Khula (overleden 1635), zond in 1620 weer een missie naar Moskou. Hij ontving het eerste schrijven van een Russische tsaar aan een Mongools stamhoofd. Michaël I schreef U, Kara Khula zal zich onderwerpen aan Rusland en daarna onze bescherming tegen uw vijanden ontvangen. In 1628 wist Khara Khula met hulp van andere stammen van de Oirat een grote overwinning te boeken op de Altyn Khan. Hiermee kregen de Oirats gebieden terug, zoals het oosten van Turkestan, dat in de 16e eeuw voor hen verloren was gegaan.
De voortdurende strijd tegen andere Mongoolse rivalen was echter ook een van de redenen, die tot gevolg had dat de stam van Torgut in 1630 in zijn geheel naar het gebied van de Wolgadelta migreerde. (In 1771 - toen de Dzjoengaren als volk niet meer bestonden - migreerde het grootste deel weer terug. Het gedeelte dat in Rusland achterbleef, werd de Kalmukken genoemd.)
De opvolger van Khara Khula was zijn zoon Erdeni Batur (r.1635 -1653). Hij haalde opnieuw de betrekkingen met de Russen aan. Gedurende zijn periode zond hij 33 delegaties naar Moskou en ontving 19 Russische delegaties uit Siberië. Hij nam de titel Hontaiji aan, de belangrijkste titel bij de Mongolen na die van Khan. Hij werd dan ook wel benoemd als Batur Hongtaiji.
Twee potentiële mogelijkheden tot conflicten met de Russen werden opgelost. Het eerste was de toegang tot zout. Dit vormde een belangrijke bron van inkomsten voor de Dzjoengaren. Zout was essentieel voor de kolonisten in Siberië. Met name rondom het zoutmeer van Lob Nuur waren er voortdurend problemen. In 1636 kwam er een overeenkomst waarbij de Dzjoengaren daar zout konden winnen en Batur Hongtaiji toestond dat Russische zoutkaravaans over grondgebied van de Dzjoengaren naar het zoutmeer konden reizen in ruil voor grotere mogelijkheden voor handel met de Russen. Bij het zoutmeer ontstond het belangrijkste handelscentrum in Siberië tot aan de opkomst van Kjachta in de 18e eeuw.
Het tweede potentiële conflict betrof de vraag wie gerechtigd was belasting te vragen aan de Kirgiezen langs de rivier de Yenisei. Dit werd op ingenieuze wijze opgelost door het creëren van een gezamenlijke verantwoordelijkheid daarvoor. Het resultaat was, dat de Kirgiezen nu aan zowel de Dzjoengaren als de Russen belasting dienden te betalen.
Batur kon handelen in plaatsen als Tobolsk, Tjoemen en vooral Tomsk. De handel werd meestal gedreven onder een dekmantel van diplomatieke giften, waarbij de Dzjoengaren paarden, vee, huiden en bont ruilden voor producten als textiel, leer, zijde, metalen voorwerpen en ivoor van walrussen.
Historici verschillen van mening of Batur zelf echt al de bedoeling had een staat Dzjoengarije te stichten. Er is wel overeenstemming, dat Batur besefte, dat er aanzienlijk meer nodig was dan vormen van nomadendom om continuïteit te verkrijgen. Hij vroeg en kreeg van de Russen grote hoeveelheden kippen en varkens, die hij naar pas gestichte boerderijen in recent veroverde gebieden liet overbrengen. De Russen weigerden echter deskundigen te leveren om vuurwapens en buskruit te maken.
Rond 1640 begon Batur zijn hoofdstad te bouwen met stenen forten en een boeddhistisch klooster nabij Kubak Zar tussen Lob Nuur en de rivier de Irtysj. Boeren werden uit Turkestan gehaald om de omliggende gronden te bebouwen. Chinezen, Mongolen, Siberiërs, die oorspronkelijk uit Bochara kwamen en geestelijken hadden allen een aparte wijk. Na zijn dood begon de stad echter te vervallen en er zijn nu nauwelijks nog sporen van aanwezig.
De meeste historici gingen er tot voor kort van uit, dat Batur en de boeddhistische missionaris Zaya Pandita het initiatief namen voor de grote Pan-Mongoolse conferentie in 1640. Recenter onderzoek heeft echter aangetoond, dat de echte drijvende kracht hiervoor de Jasaktu Khan van de Khalka-Mongolen was. De conferentie werd ook gehouden in gebied van de Khalka's. De Jasaktu Khan had ook om geo-strategische argumenten de meeste reden bevreesd te zijn voor de groeiende macht van de Mantsjoes en dus ook het grootste belang bij het stand komen van een alliantie tegen de Mantsjoes. Het was de laatste keer dat het idee van de hernieuwde totstandkoming van één grote Mongoolse confederatie besproken werd. Voor de westelijke Mongolen waren de Mantsjoes in 1640 echter nog geen acute bedreiging. Verder maakte de eeuwige stammenstrijd tussen de diverse Mongoolse facties de poging tot vorming van één confederatie van tevoren irreëel.
Batur overleed in 1653. Hij had negen zoons, waarvan de meesten een lange onderlinge machtsstrijd voerden. Pas in 1661 was er een duidelijke winnaar in de persoon van Sengge. Het was Sengge, die het kanaat van de Altyn Khan in 1662 een vernietigende nederlaag toebracht. In 1670 voerden twee halfbroers van hem een coup uit, waarbij Sengge vermoord werd.
De periode van Galdan
Galdan, (1644-1697 een van de andere zonen van Sengge verbleef tijdens die coup in Tibet. De stammen van de Oirat-Mongolen hadden zich eind 16e eeuw bekeerd tot het Tibetaans boeddhisme. Het werd sinds die tijd gebruikelijk onder de adel van de Oirat-Mongolen om minimaal één zoon voor studie naar Tibet te sturen en wellicht monnik te worden. Op de leeftijd van 6 of 7 jaar verbleef Galdan in ieder geval al in Lhasa.
Galdan keerde na de moord op zijn vader Sengge onmiddellijk terug naar zijn geboortegrond. Hij versloeg de rebellen en creëerde snel een machtspositie.